Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8262

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
09-808918-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf en taakstraf voor overvallen in Naaldwijk

De rechtbank heeft zes verdachten, waarvan vijf minderjarigen, veroordeeld voor betrokkenheid bij een of meer overvallen en een vrijheidsberoving. Hen was ook lidmaatschap van een criminele organisatie ten laste gelegd. De rechtbank heeft hen daarvan vrijgesproken.

Bedreiging met een nepvuurwapen

Begin november 2016 deed een man aangifte bij de politie in Naaldwijk van vrijheidsbeneming en beroving. Hij had een afspraak voor een ontmoeting gemaakt op een datingsite. De jongeman die hem ophaalde, nam hem mee naar een kraakpand waar nog vier andere jongemannen waren. Onder bedreiging van een nepvuurwapen werden zijn bankpassen afgenomen en zijn pincode onder bedreiging afgenomen .Er is daarna een flink geldbedrag van zijn rekening afgehaald. Later die maand werd nog twee keer aangifte gedaan van beroving op ongeveer dezelfde wijze. Via onderzoek van de telefoon van het eerste slachtoffer is de politie op het spoor gekomen van de verdachten. Verder onderzoek wees uit dat via een homo-datingsite een afspraak werd gemaakt met de slachtoffers en dat hen vervolgens onder bedreiging van een nep-vuurwapen geld of goederen afhandig werd gemaakt. De verdachten meenden dat de slachtoffers uit schaamte geen aangifte zouden durven doen.

De verdachten worden in verschillende samenstellingen verantwoordelijk gehouden voor een of meer van deze berovingen.

(Jeugd)detentie en werkstraffen

De minderjarige verdachten hebben straffen opgelegd gekregen in de vorm van jeugddetentie variërend van 180 dagen tot 315 dagen en werkstraffen variërend van 120 tot 150 uur, afhankelijk onder meer van het aantal bewezen feiten. De meerderjarige verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden, omdat voor hem niet het jeugdstrafrecht geldt.

Alle verdachten hebben begeleiding van de (jeugd)reclassering opgelegd gekregen, in enkele gevallen met de verplichting tot behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/808918-16

Datum uitspraak: 24 juli 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 9 maart 2017, 20 april 2017 en 3 juli 2017. Het onderzoek ter terechtzitting is op 10 juli 2017 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J.W. Stok, advocaat te Delft, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (in totaal) (ongeveer) 2000 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer]

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) om geld en/of credicards heeft/hebben gevraagd en/of

- (vervolgens) de kleding van die [slachtoffer] heeft/hebben doorzocht en/of

- (vervolgens) een mobiele telefoon en/of een bankpas(sen) en/of een creditcard en/of de autosleutels van die [slachtoffer] (tijdelijk) heeft/hebben afgenomen/geleend en/of (daarbij) die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd om de (bijbehorende) pincode(s);

en/of

hij op of omstreeks 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte an een of meerdere bankpas(sen) en/of een creditcard en/of de hierbij behorende pincode(s) en/of een mobiele telefoon en/of een portemonnee en/of een autosleutel, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), voornoemde [slachtoffer]

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht, althans aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) om geld en/of creditcards heeft/hebben gevraagd en/of

- (vervolgens) de kleding van die [slachtoffer] heeft/hebben doorzocht en/of

- (vervolgens) een mobiele telefoon en/of een bankpas(sen) en/of een creditcard en/of de autosleutels van die [slachtoffer] (tijdelijk) heeft/hebben afgenomen/geleend en/of (daarbij) die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd om de (bijbehorende) pincode(s);

heeft/hebben gericht, althans aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of

2.

hij op of omstreeks 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van diens mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] in/naar een (kraak)pand gehaald/geleid/gelokt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] op een stoel laten plaatsnemen en/of (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] gericht (gehouden), althans aan die [slachtoffer] getoond en/of (vervolgens) (daarbij) de woorden toegevoegd dat hij moest blijven zitten en/of niet mocht bewegen en/of niet mocht praten en/of niet om hulp mocht roepen;

3.

hij op of omstreeks 28 november te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk Volvo, type C30, [kenteken] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp tegen/op de linkerschouder van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gedrukt en/of gericht, althans aan die [slachtoffer 2] heeft/getoond en/of

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) om geld en/of creditcards heeft/hebben gevraagd en/of

- (vervolgens) (onverhoeds) in voornoemde auto is/zijn gestapt en/of (vervolgens) is/zijn weggereden;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 november 2016 tot en met 28 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- diefstal met geweld (artikel 312 Wetboek van Strafrecht) en/of

- afpersing (artikel 317 Wetboek van Strafrecht) en/of

- wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht) en/of

- handelen in strijd met bepalingen van de Wet wapens en munitie (Wet wapens en munitie);

5.

hij op of omstreeks 10 november te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Apple, type iPhone 6), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer 3] heeft/hebben gericht, althans aan die [slachtoffer 3] heeft/getoond en/of

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) de woorden toegevoegd: "Ik ga je schieten. Geef me je geld" en/of - (vervolgens) (met kracht) (meermalen) tegen/op het hoofd van die [slachtoffer 3] heeft/hebben geslagen en/of

- (vervolgens) onverhoeds die telefoon uit de hand van die [slachtoffer 3] heeft gerukt/getrokken en/of

- (vervolgens) (met kracht) (meermalen) tegen/op de bestelauto van die [slachtoffer 3] te trappen/schoppen;

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is door de raadsman ten aanzien van het aan de verdachte bij dagvaarding ten laste gelegde een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het Openbaar Ministerie heeft in de aanloop van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting informatie verstrekt over de zaak aan het Algemeen Dagblad en aan de gemeenteraad van de gemeente Westland.

Daarmee is het recht van de minderjarige verdachte op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en een behandeling met gesloten deuren in het gedrang gekomen. Dat klemt te meer omdat de verdachte afkomstig is uit een kleine gemeenschap waar iedereen elkaar kent en waar de gegeven informatie al snel in verband zal worden gebracht met de verdachte.

Nu de belangen van de verdachte door de handelwijze van het Openbaar Ministerie zijn geschonden, dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen gronden bestaan voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Aan de gemeenteraad is enkel algemene informatie verstrekt, te weten dat er in november 2016 drie berovingen zijn geweest, waarbij contacten zijn gelegd via een chatsite en vijf van de zes verdachten minderjarig zijn. Dit is de gebruikelijke werkwijze. Er zijn geen contacten tussen het Openbaar Ministerie en het Algemeen Dagblad geweest.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

Zaken van minderjarige verdachten worden – in beginsel – ter bescherming van hun persoonlijke levenssfeer met gesloten deuren behandeld. Dat neemt niet weg dat de zaken waarvoor zij terecht staan, ook het algemeen belang kunnen raken en dat berichtgeving in de pers alsmede informatieverstrekking aan – in dit geval – de gemeenteraad in dienst van het algemeen belang moeten worden geacht. Het Openbaar Ministerie dient hierbij de belangen van de minderjarige verdachte uitdrukkelijk in het oog te houden en voldoende terughoudendheid te betrachten. Niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie de grenzen die daarbij in acht moeten worden genomen, heeft overschreden.

De rechtbank ziet in het gestelde reeds daarom geen aanleiding het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren of anderszins gevolgen te verbinden aan zijn handelwijze.

4. Bewijsoverwegingen 1

De rechtbank heeft in dit vonnis de beoordeling van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten omgedraaid, zodat eerst de tenlastegelegde overvallen en daarna de criminele organisatie aan de orde komen.

Ten aanzien van feit 1

4.1.1

Inleiding

Aangever [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij op 2 november 2016 aan het chatten was op Bullchat. Hij had contact met een jongen, genaamd [naam] , die ervaring wilde opdoen met het ‘uit de kast komen’. [naam] vroeg de aangever om hem toe te voegen op WhatsApp. Op 3 november 2016 omstreeks 18:00 uur werd de aangever gebeld door [naam] via WhatsApp. Zij spraken af om elkaar die avond om 21:00 uur te ontmoeten op de [adres] in Naaldwijk. Eenmaal aangekomen (omstreeks 21:15 uur) trof de aangever een jongen die zich voorstelde als [naam 1] . De jongen zei dat hij in een kraakpand woonde. Zij zijn een stuk gaan lopen en arriveerden rond 21:30 uur bij het kraakpand, waar de aangever door de jongen naar een soort technische ruimte werd gebracht. Onderweg naar deze ruimte zag de aangever twee jongens met een capuchon over het hoofd lopen. In de ruimte moest de aangever op een stoel gaan zitten en tegelijkertijd kwamen de eerder genoemde jongens ook binnen. Er werd direct om geld gevraagd. Zij pakten € 15,-- uit de portemonnee van de aangever. Eén van de jongens had een vuurwapen in zijn handen en toonde dat aan de aangever. Omdat de aangever bang was dat het vuurwapen gebruikt zou worden, heeft hij zijn ING bankpas en pincode afgegeven. Eén van de jongens liep weg, samen met twee andere jongens die nog buiten stonden. Zij namen de bankpas mee. Terwijl de aangever in de ruimte achterbleef met de andere jongens, werd tegen hem gezegd dat hij moest blijven zitten, niet mocht bewegen, niet mocht praten en niet om hulp mocht roepen of vragen. De aangever zag toen dat het pistool op zijn lichaam werd gericht. Hij voelde zich van zijn vrijheid beroofd.

Vervolgens kwam één van de drie jongens die weg was gegaan met de bankpas, terug om te zeggen dat de pincode niet werkte. Eén van de jongens doorzocht de kleding van de aangever en vond in zijn portemonnee nog een ABN-bankpas en een ABN-creditcard. Van deze passen moest de aangever onder dwang van het pistool de pincodes afgeven. Tijdens het doorzoeken van de kleding werden naast de portemonnee ook de autosleutel en mobiele telefoon van de aangever weggenomen.

Vervolgens moest de aangever zijn mobiele telefoon openen met zijn pincode. Later zag de aangever dat alle gesprekken, opgeslagen nummers en de WhatsApp met [naam] waren gewist.

Na enige tijd moest de aangever met de jongens mee naar buiten, waar hij op een bankje moest plaatsnemen, stil moest zijn en niet om hulp mocht vragen. Vervolgens moest hij weer meelopen met de jongens en zei één van de jongens tegen de aangever: “Luister eens, wat jij gedaan hebt, is niet goed en daarom moeten wij jou straffen. Jij hebt een afspraak gemaakt met iemand van 17 jaar. Wij straffen jou niet, maar nemen alleen geld van je af. Je wordt iets minder rijk”, of soortgelijke woorden.

Omstreeks 22:00 uur kwamen de jongens bij elkaar en kreeg de aangever zijn spullen terug, waarna de jongens vertrokken.

Na contact met de ABN hoorde de aangever dat met de ABN-creditcard een bedrag van 2.000 euro was opgenomen.2

De verdachte heeft bekend dat hij heeft deelgenomen aan dit feit samen met vier medeverdachten. Hij heeft daarover, kort gezegd, verklaard dat hij en [medeverdachte 3] via Bullchat en WhatsApp een afspraak maakten met aangever [slachtoffer] om elkaar te ontmoeten op 3 november 2016. Zij hadden het plan de aangever af te persen met het feit dat hij een afspraak had gemaakt om seks te hebben met een minderjarige jongen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] hebben zich bij hen aangesloten. Er werden onderling afspraken gemaakt over de taakverdeling. De verdachte is aanwezig geweest bij de overval en heeft tijdens de overval telefonisch contact gehad met [medeverdachte 5] , die samen met [medeverdachte 3] was gaan pinnen. Ook is hij naar [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] toegegaan om een pinpas en pincode te geven. De verdachte kreeg ook een deel van het gepinde bedrag.3

4.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

4.1.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.1.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde (diefstal met geweld en bedreiging met geweld van een bedrag van ongeveer 2.000 euro) met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het onderzoek [onderzoeksnaam] , met het proces-verbaalnummer 2016306941, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (blz. 109 t/m 114);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    3 juli 2017.

Het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde

Voorafgaand aan de diefstal van 2.000 euro werden bij de aangever de pinpas, creditcard, mobiele telefoon en autosleutel weggenomen.

Hoewel de aangever heeft verklaard dat zijn ING pas door hemzelf werd afgegeven, is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier is komen vast te staan dat deze pinpas, net als de overige genoemde goederen, van de aangever zijn afgenomen. Daarom kan niet worden bewezen dat deze goederen zijn afgegeven en dus afgeperst. De bij de weggenomen bankpassen behorende pincodes zijn wel door de aangever afgegeven, maar een pincode kan niet worden aangemerkt als een goed in de zin van artikel 317 Wetboek van Strafrecht.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 3 november 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde, te weten de diefstal met geweld en bedreiging met geweld van een bedrag van ongeveer 2.000 euro van [slachtoffer] . De rechtbank acht het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

4.2.1

Inleiding

Onder feit 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat aangever [slachtoffer] tijdens voornoemde gebeurtenis wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en beroofd gehouden. De aangever heeft daarover verklaard dat hij in een stoel in de technische ruimte van het kraakpand moest plaatsnemen en dat een vuurwapen werd getoond en op hem gericht werd (gehouden). Daarbij werd ook gezegd dat de aangever moest blijven zitten, niet mocht bewegen, niet mocht praten en niet om hulp mocht roepen.4

De verdachte heeft deelname aan dit feit bekend.5

4.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

4.2.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.2.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het onderzoek [onderzoeksnaam] , met het proces-verbaalnummer 2016306941, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (blz. 109 t/m 114);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    3 juli 2017.

Op grond van deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 3 november 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] .

Ten aanzien van feit 3

4.3.1

Inleiding

Aangever [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 28 november 2016 in zijn auto (Volvo C30, [kenteken] ) op de [adres] in Naaldwijk reed. Hij zag een aantal jongens vanaf rechts de straat over steken, zij kwamen uit het parkje. De jongens liepen naar de aangever en de aangever opende het raam aan de bestuurderskant. Meteen werd door één van de jongens gedreigd met een pistool. De jongens wilden geld. Toen de aangever zei dat hij geen geld had, werd door een jongen gezegd: “Creditcards”. Terwijl hij dit zei drukte de jongen het pistool tegen de linkerschouder van de aangever aan. De aangever opende zijn deur om de jongen weg te duwen. Vervolgens werd de aangever kwaad en is hij uitgestapt. Hij zei: “Sodemieter op man, ik heb geen geld”. De aangever liep met de jongen met het pistool de stoep op. Er stonden nog twee jongens in de buurt en zij stapten alle drie achteruit de stoep op. Vervolgens sprong er één jongen in de auto. De aangever hoorde de motor. Toen hij zich omdraaide, zag hij de jongen wegscheuren. Vervolgens renden de andere drie jongens weg.6

De verdachte heeft verklaard dat hij aan dit feit heeft deelgenomen samen met drie medeverdachten. Hij heeft daarover, kort gezegd, verklaard dat hij een afspraak met aangever [slachtoffer 2] had gemaakt via Bullchat en Kik om seks te hebben. De verdachte heeft ter zitting verteld dat Kik een app is die vergelijkbaar is met WhatsApp. Het plan was echter om de aangever af te persen met het feit dat hij seks wilde met een minderjarige jongen. De verdachte is degene geweest die in de auto van de aangever is weggereden.7

4.3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

4.3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het onderzoek [onderzoeksnaam] , met het proces-verbaalnummer 2016306941, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] (blz. 198 t/m 203);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    3 juli 2017.

Op grond van deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 28 november 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met bedreiging met geweld van de auto van [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van feit 5

4.4.1

Inleiding

Aangever [slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat hij via Bullchat is benaderd door een jongeman die wilde afspreken. Op 10 november 2016 sprak de aangever met deze man af bij het [adres] in Naaldwijk omstreeks 21:00 uur. De aangever kwam met zijn bedrijfsbus aan op de parkeerplaats van het [adres] , parkeerde de bus en stapte uit. Daar kwam een jongen op de aangever aflopen en zij gaven elkaar een hand. De aangever had er geen goed gevoel bij, omdat het een jonge jongen betrof. De jongen wilde samen met de aangever een sigaret roken. Toen de aangever zei dat hij dit bij de bus wilde doen, zei de jongen dat hij eerst zijn tas moest pakken. De jongen liep weg.

Toen de aangever zijn portier opende om weg te gaan, stonden er plotseling drie mannen om hem heen. Eén van de mannen droeg een ‘V for Vendetta’ masker en zei: “Geef mij je geld”. Deze persoon had een zwartkleurig pistool in zijn handen. Hij zei ook: “Ik ga je schieten”. Het pistool werd op de benen van de aangever gericht. Van de twee andere mannen begon één man aan de tas van de aangever te trekken en gaf de aangever een klap op zijn hoofd. Hij raakte de aangever met zijn vuist op de linkerkant van het hoofd. De derde man wilde de aangever beletten om in de bus te stappen. Het lukte de aangever om in te stappen en zijn tas los te trekken, waarna hij de motor van de bus kon starten. Hij pakte zijn mobiele telefoon en zei dat hij 112 ging bellen. Het portier van de bus werd door één van de mannen vastgehouden en deze man pakte de telefoon uit de handen van de aangever. De aangever reed achteruit en hoorde dat er tegen de bus werd getrapt. Doordat één van de mannen het portier vasthield, klapte het portier naar de andere kant open en raakte beschadigd.8

De verdachte heeft bekend dat hij samen met vier medeverdachten heeft deelgenomen aan dit feit en dat hij degene is geweest die het portier van de bedrijfsbus heeft vastgehouden toen de aangever wegreed.9

4.4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

4.4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 5 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Het wegnemen van de telefoon van aangever [slachtoffer 3] kan niet aan de verdachte worden toegerekend. Deze gebeurtenis was niet voorzien of bedoeld. Het oogmerk was niet gericht op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de mobiele telefoon. De verdachte heeft zich hier ook niet aan blootgesteld door daarbij aanwezig te zijn.

4.4.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte het oogmerk heeft gehad op het wegnemen van de telefoon van aangever.

Dat het oogmerk van de verdachte was gericht op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van geld en/of goederen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken uit de verklaring van de verdachte. Dat tijdens de uitvoering van de plannen door één van de medeverdachten een ander goed is weggenomen dan voorafgaand was bedacht, doet niets af aan het oogmerk om zich wederrechtelijk goederen van de aangever toe te eigenen. De verdachte is immers, in beginsel, ook verantwoordelijk voor de handelingen van zijn mededaders, nu het feit is begaan in vereniging. Niet valt in te zien dat de diefstal van de telefoon onder de gegeven omstandigheden zo zeer onvoorzienbaar was dat de verdachte daarvoor niet medeverantwoordelijk kan worden gehouden.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de onder feit 5 ten laste gelegde diefstal met geweld en bedreiging met geweld van een telefoon van [slachtoffer 3] op 10 november 2016 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 4

4.5.1

Inleiding

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij samen met medeverdachten [medeverdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en dat deze organisatie tot oogmerk zou hebben het plegen van misdrijven, te weten diefstal met geweld, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.

4.5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

4.5.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Van een criminele organisatie kan niet worden gesproken. Het betreft een vriendengroep die veel met elkaar rondhangt. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] zijn een paar weken voor het feit van 3 november 2016 aangesproken door een andere jongen die zich zou bezighouden met strafbare feiten. Wat de doorslag heeft gegeven om overvallen op homoseksuele mannen te plegen is niet duidelijk geworden, wel is duidelijk dat geld daarbij een rol heeft gespeeld, evenals een vervelende ervaring van de verdachte op dit gebied in het verleden. Binnen de vriendengroep werd over de plannen gepraat en vrienden toonden zelf belangstelling voor het idee. Het is niet zo dat de verdachte en [medeverdachte 3] het idee hadden en er allerlei mensen bij zochten. Er was geen sprake van bijzondere kennis en de groep hield zich er niet veelvuldig mee bezig. Daarnaast vonden de gebeurtenissen op amateuristische wijze plaats. Sommige feiten slaagden, andere niet. Er gebeurden onvoorziene dingen en er werd geweld gebruikt. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze vriendengroep niet specifiek gericht was op het plegen van strafbare feiten, dat de samenstelling niet vast was en dat deze dus niet kan worden aangemerkt als criminele organisatie.

4.5.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in de onderhavige zaak sprake was van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht.

Volgens de Hoge Raad10 kan van een organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht worden gesproken indien sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid en bestendigheid is een zeker tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing.

De rechtbank is er niet van overtuigd geraakt dat een dergelijk samenwerkingsverband bestond. De verdachten hebben in korte tijd (ongeveer drie weken) drie overvallen gepleegd. Zij kenden elkaar uit het Westland en waren deels bevriend met elkaar. Erg bestendig was de samenwerking tussen de verdachten echter niet: van meet af aan is sprake geweest van wijzigingen in de samenstelling. Na drie weken werden reeds grote scheuren zichtbaar in het samenwerkingsverband. De verdachte werd door de medeverdachten verweten dat hij dacht dat hij de baas was en dat hij stomme dingen deed waardoor iedereen gepakt zou gaan worden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bespraken dat zij een nieuwe groep wilden starten om samen verder te gaan met het plegen van strafbare feiten. Tegelijkertijd zocht de verdachte contact met personen buiten de oorspronkelijk groep om zich bij hen aan te sluiten.

Hoewel volgens vaste jurisprudentie niet vereist is dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is, is duidelijk dat (de kern van) het oorspronkelijke samenwerkingsverband na het feit van 28 november 2016 uit elkaar viel. Uit taps en berichtjes die zich in het dossier bevinden, blijkt dat er daarna door de verdachte en de medeverdachten nog is gesproken over het plegen van nieuwe overvallen, maar deze hebben – zover uit het dossier blijkt – niet plaatsgevonden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door het ingrijpen van de politie bij een relatief korte periode is gebleven. Echter is het, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank maar de vraag of de verdachte door zou zijn gegaan met het plegen van overvallen. Hier kan in ieder geval geen oordeel over worden gegeven.

Daarnaast was er weliswaar sprake van een zekere structuur binnen de opzet van de overvallen. Uit het dossier blijkt dat de verdachte en een medeverdachte het voortouw namen bij het maken van plannen om oudere, homoseksuele mannen af te persen. Andere medeverdachten sloten zich, toen zij van deze plannen hoorden, hierbij aan. Vervolgens werd er een zekere rolverdeling gemaakt tussen de verdachte en de medeverdachten. Naar het oordeel van de rechtbank was er echter geen sprake van een zeer gestructureerd verband. De rechtbank leidt dat onder andere af uit hetgeen hiervoor is vermeld over de scheuren die ontstonden. Voorts lijkt bij de uitvoering van de overvallen, met uitzondering van die van 3 november 2016, nauwelijks sprake van planning en werd de loop van de delicten steeds grotendeels bepaald door onvoorziene omstandigheden en impulsieve reacties daarop. Dit past naar het oordeel van de rechtbank bij de leeftijd en ontwikkeling van de jonge verdachten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht niet kan worden bewezen, nu de samenwerking tussen de verdachten onvoldoende duurzaam en bestendig was in combinatie met het feit dat deze niet zeer gestructureerd was. Gelet op het voorgaande zal de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

4.6

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 2000 euro, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer] hebben gericht en

- daarbij dreigend om geld en creditcards hebben gevraagd en

- de kleding van die [slachtoffer] hebben doorzocht en

- een mobiele telefoon en bankpassen en een creditcard en de autosleutels van die [slachtoffer] hebben afgenomen en daarbij die [slachtoffer] hebben gevraagd om de bijbehorende pincodes;

2.

hij op 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en diens mededaders met dat opzet die [slachtoffer] naar een kraakpand gelokt en vervolgens die [slachtoffer] op een stoel laten plaatsnemen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] gericht (gehouden), en daarbij de woorden toegevoegd dat hij moest blijven zitten en niet mocht bewegen en niet mocht praten en niet om hulp mocht roepen;

3.

hij op 28 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Volvo, type C30, [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een op een vuurwapen gelijkende voorwerp tegen de linkerschouder van die [slachtoffer 2] heeft gedrukt en

- dreigend om geld en creditcards heeft/hebben gevraagd;

5.

hij op 10 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Apple, type iPhone 6), toebehorende aan [slachtoffer 3] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer 3] heeft gericht en

- dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je schieten. Geef me je geld" en

- vervolgens (met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] heeft geslagen en

- vervolgens onverhoeds die telefoon uit de hand van die [slachtoffer 3] heeft getrokken en

- vervolgens meermalen tegen de bestelauto van die [slachtoffer 3] te trappen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 14 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de deskundigen en de Raad, en dat deze dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden, te vervangen door 12 maanden jeugddetentie, indien de verdachte niet naar behoren heeft meegewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat, indien de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie oplegt die de duur van het voorarrest van de verdachte overstijgt, de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van de dag van de uitspraak.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening dient te houden met de persoonlijke problematiek van de verdachte. Het betreft een kwetsbare verdachte en de deskundigen hebben geconcludeerd dat hij verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Indien de door de officier van justitie gevorderde straf zou worden opgelegd, betekent dat voor de verdachte dat hij terug moet naar de jeugdinrichting en dus niet kan starten met zijn opleiding. Hij zal dan een gedeelte van het schooljaar vast zitten en een gedeelte van het schooljaar op straat lopen. Dit is niet in het belang van de verdachte. Hij is erbij gebaat dat hij zijn opleiding kan starten en een baan kan zoeken en dat hij de lijn die is ingezet, kan doorzetten. Een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest van de verdachte is passend. Daarnaast kan een voorwaardelijke straf worden opgelegd met de maatregelen zoals voorgesteld door de Raad.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank in de strafmaat tevens rekening dient te houden met de publiciteit die in deze zaak door de politie en het Openbaar Ministerie is gezocht. Bij de aanhouding is bewust een cameraploeg meegestuurd en er is informatie over de zaak aan de gemeenteraad verstrekt. Er is geen recht gedaan aan het minderjarigenstrafrecht en de belangen van de verdachte zijn hiermee geschaad. Temeer nu alles zich afspeelt in een dorp waar een dorpsmentaliteit heerst. Van dit alles zal de verdachte veel nadeel gaan ondervinden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan brute overvallen op homoseksuele mannen. Binnen een vriendengroep ontstonden plannen om oudere, homoseksuele mannen via een chatsite te benaderen voor een afspraak om seks te hebben met een 17-jarige jongen en deze mannen vervolgens af te persen. Aan deze mannen werd voorgehouden dat het een jongen betrof die ervaring wilde opdoen met het ‘uit de kast komen’. Bij de plannen raakten steeds meer mensen betrokken en uiteindelijk is ook driemaal uitvoering gegeven aan de plannen.

Allereerst is op 3 november 2016 een slachtoffer in de val gelokt en meegenomen naar een kraakpand, waar hij in een kleine technische ruimte op een stoel moest plaatsnemen, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hem gericht werd, zijn eigendommen van hem werden afgepakt en hij onder dwang zijn pincode moest afgeven. Daarbij waren de verdachte en vier mededaders betrokken. Nadat de buit binnen was, namelijk een gepind geldbedrag van € 2.000,--, kreeg het slachtoffer zijn goederen terug en mocht hij gaan.

Vervolgens is op 10 november 2016 een slachtoffer onder valse voorwendselen naar een afgesproken plek gekomen, waar hij werd overvallen door een groep van vijf jongens met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een masker. Hem werd om geld gevraagd en hij kreeg een klap tegen zijn hoofd toen hij dit niet wilde geven. Uiteindelijk is zijn telefoon uit zijn handen getrokken en hebben de verdachte en de medeverdachten de bedrijfsbus van het slachtoffer beschadigd. Dit alles heeft zich afgespeeld op een parkeerplaats, terwijl zich in het dossier aanknopingspunten bevinden waaruit kan worden afgeleid dat het de bedoeling was de man mee te lokken naar het bos. Het slachtoffer heeft in eerste instantie bij de politie niet durven verklaren dat hij had afgesproken met iemand via de datingsite Bullchat, maar heeft hier in een latere verklaring openheid van zaken over gegeven.

Op 28 november 2016 werd opnieuw een man het slachtoffer van een overval door – ditmaal - vier jongens, waaronder de verdachte. Daarbij werd aan het slachtoffer een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en tegen zijn schouder gedrukt en werden geld en creditcards geëist. Ondertussen werd de auto van het slachtoffer weggenomen door de verdachte, waarna de medeverdachten zijn gevlucht. Uit het dossier is gebleken dat ook dit slachtoffer een afspraak met één van de verdachten had gemaakt via Bullchat.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich specifiek gericht op oudere, homoseksuele mannen die interesse toonden in minderjarige jongens, omdat de bereidheid om aangifte te doen bij hen laag zou zijn. Oftewel, de verdachte en zijn mededaders zouden ermee kunnen wegkomen. Daarbij is ook nog door een aantal verdachten tijdens de verhoren bij de politie opgemerkt dat de daden enigszins gerechtvaardigd waren omdat zij te maken hadden met – in hun ogen – pedoseksuele mannen. De rechtbank is geschrokken van dit misplaatste excuus voor de daden van de verdachte en zijn medeverdachten, die feitelijk waren ingegeven door het idee dat zij veel geld zouden kunnen maken met weinig inspanning en weinig risico om gepakt te worden.

De rechtbank acht het zeer verontrustend dat een groepje minderjarige jongens zonder noemenswaardig strafblad zich binnen een paar weken tijd schuldig heeft gemaakt aan dergelijke heftige feiten. Het schijnbare gemak waarmee deze feiten werden bedacht en uitgevoerd, de bereidwilligheid van de deelnemers en de wijze waarop zij – blijkens de taps en berichtjes onderling in het dossier – over de feiten, ook na het plegen ervan, spraken is schokkend te noemen.

Eén van de slachtoffers is bovendien wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en gedurende een uur beroofd gehouden. Hij mocht niet praten, niet bewegen, moest stil zijn en mocht niet op hulp vragen of roepen. Daarbij werd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan hem getoond of op hem gericht.

Dit zijn zeer ernstige feiten. De verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke bewegingsvrijheid van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten veelal langdurig de psychisch nadelige gevolgen van het gebeurde ondervinden. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat het slachtoffer zeer angstig is geweest dat het vuurwapen af zou gaan. Uit het slachtoffergesprek dat hij heeft gehad met de officier van justitie blijkt ook dat hij heeft gevreesd en gebeden voor zijn leven. De zucht naar geld heeft ertoe geleid dat de verdachte slechts oog heeft gehad voor zijn financiële gewin en geen enkel respect heeft getoond voor de slachtoffers en hun eigendommen.

Daar komt bij dat de verdachte zich niet alleen met de uitvoering van de overvallen heeft beziggehouden, maar ook met het maken van de afspraken die daaraan vooraf gingen, waardoor zijn rol beduidend is geweest.

Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Documentatie

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie is de verdachte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Rapportages

De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitiarapportages van het psychiatrisch onderzoek d.d. 5 april 2017 ondertekend door drs. [naam 2] , kinder- en jeugdpsychiater en van het psychologisch-pedagogisch onderzoek d.d. 11 april 2017 door drs. [naam 2] , kinder- en jeugdpsycholoog.

De kinder- en jeugdpsychiater heeft onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven, gerapporteerd:

De verdachte is in het verleden gediagnosticeerd met ADHD, waarvoor hij medicijnen gebruikt. Binnen het huidige onderzoek is de verdachte gediagnosticeerd met ADD, met name concentratieproblemen, waarbij er kenmerken zijn van een norm-overschrijdende gedragsstoornis. Deze kenmerken hebben echter een normaal functioneren van de verdachte binnen zijn werk en gezin niet belemmerd. Er wordt dan ook geen gedragsstoornis gediagnosticeerd. Er is sprake van een in aanleg gemiddelde intelligentie. De persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte is nog niet voltooid. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de wijze waarop de verdachte hiermee omgaat, wordt wel geconcludeerd dat sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. Deze kenmerken waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.

De verdachte lijkt zich in zijn handelen vooral te hebben laten leiden door geldelijke motieven en daarnaast zijn behoefte aan status of positie. Zelf geeft hij zijn eigen eerdere misbruik als één van de redenen voor de ten laste gelegde feiten. De onderzoeker lijkt dit onwaarschijnlijk, onder meer gelet op verdachtes verklaring dat hij vooral oudere mannen heeft benaderd, omdat jongere mannen gemiddeld minder geld hebben. Het morele besef van de verdachte is minder ontwikkeld en daardoor ook minder remmend dan bij anderen het geval is. Hij handelt impulsiever, wat vanuit zijn ADD kan worden verklaard. De verdachte kan als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Uit het onderzoek zijn weinig grote zorgen naar voren gekomen. De omgang met deviante leeftijdsgenoten en gebrekkige empathie zijn wel zorgelijk. Er zijn echter meerdere beschermende factoren die verder ontwikkeld kunnen worden en die risicoverlagend kunnen werken. De problematiek van de verdachte geeft een risicoverhogend effect op toekomstige recidive. Het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst, zonder aanvullende behandeling, is matig verhoogd.

Behandeling van de ADD kan invloed hebben op de keuzes die de verdachte maakt. Het middelengebruik (blowen) en de effecten daarvan dienen een onderwerp van gesprek te zijn binnen een individuele en systeemgerichte behandeling. Gedacht wordt aan het Topzorg-programma van de Waag. Hieraan voorafgaand kan een klinische opname bij Yes we Can plaatsvinden. Dit alles kan worden vormgegeven in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna ook: GBM) naast een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie.

De kinder- en jeugdpsycholoog heeft onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven, gerapporteerd:

Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van ADD. Daarnaast zijn kenmerken zichtbaar van een oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornis. Eerder was er sprake van een gameverslaving (in volledige remissie). De verdachte begaf zich in een deviante vriendenkring, is prikkelzoekend en geneigd een omgeving te zoeken waar hij stoer en leidend kan zijn en waar anderen tegen hem opkijken. Daarnaast is hij sterk gericht op geld en status, wat mogelijk een motief is geweest voor de ten laste gelegde feiten. Ten tijde van het ten laste gelegde is de verdachte onvoldoende geremd door de gewetensfuncties. Vanuit de ADD heeft hij impulsief gehandeld en de consequenties van zijn gedrag minder overzien. Het gebruik van cannabis zou een drempelverlagende werking kunnen hebben gehad. De onderzoeker heeft geadviseerd de verdachte (licht) verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Hij is iets verminderd in staat om andere gedragskeuzes te maken en conform te handelen.

Het recidiverisico wordt matig ingeschat. Beschermende factoren zijn het positieve opvoedingsklimaat en de plannen van de verdachte voor school en werk. Zorgpunten zijn de gerichtheid op geld en status, het impulsieve gedrag, de negatieve opvattingen en de problematiek in het kader van ADD. Daarnaast is sprake van gebrek aan empathie en berouw en bestaan er enige problemen met middelengebruik.

De kans op recidive kan worden verlaagd door continuering van de reeds ingezette MDFT-behandeling, zodat de gezinsdynamiek hersteld kan worden. Gelet op de zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling wordt intensieve klinische behandeling voor de gedrags- en verslavingsproblematiek middels Yes we Can geadviseerd. Er kunnen zich problemen gaan voordoen op het gebied van behandelresponsiviteit door zelfoverschatting en gebrek aan probleeminzicht en intrinsieke motivatie. Psycho-educatie en motiverende gespreksvoering zijn daarom van belang. Vervolgens is ambulante behandeling bij de Waag in het kader van het Topzorg-programma geïndiceerd. Vanuit beide behandelopties kan gewerkt worden aan de gedragsproblemen en de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Dit alles kan worden opgelegd in het kader van een GBM met reclasseringstoezicht.

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden heeft onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van een GBM en acht de uitvoering daarvan haalbaar. De modules MDFT en individuele behandeling vanuit het Palmhuis verdienen de voorkeur boven een klinische behandeling in Yes we Can Clinics en Topzorg van de Waag. Het is wenselijk dat de behandelaar van het Palmhuis die reeds gestart is met het MDFT-traject, de behandeling continueert. Er is sprake van een goede werkrelatie en de verdachte lijkt zich meer open te stellen tijdens gesprekken. Zowel de verdachte als zijn ouders zijn gemotiveerd voor het behandeltraject.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 juni 2017, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Gelet op de gedragsproblemen en de bij de verdachte gestelde bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, is een intensieve, relatief langdurige en niet vrijblijvende aanpak van gedragsinterventies met een duidelijke stok achter de deur geïndiceerd. De ernst van de feiten en het hoge recidiverisico bij het uitblijven van behandeling maken dat enkel een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden als te licht wordt beschouwd. Om die reden is een GBM passend. Deze maatregel kan een blijvende gedragsverandering bewerkstelligen en verder afglijden voorkomen. Binnen de behandeling dient aandacht te bestaan voor de zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte, zijn beïnvloedbaarheid en impulsiviteit, zijn attitude en het gebrek aan inzicht in eigen handelen. De Raad heeft – overeenkomstig de adviezen van de deskundigen – geadviseerd een GBM op te leggen, waarbij behandeling in het kader van MDFT en een individueel behandeltraject plaatsvindt bij het Palmhuis. Een klinische behandeling bij de Yes we Can Clinics is niet langer passend, omdat dit direct had moeten starten na de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Dit was echter niet mogelijk door de wachtlijst. Inmiddels is de verdachte gestart met het opbouwen van werk en school en met de MDFT-behandeling bij het Palmhuis. De fragiele, maar positief ingezette lijn zal worden onderbroken bij een klinische behandeling. Daarnaast kan het Palmhuis ook individuele behandeling bieden. Geadviseerd wordt te bepalen dat de GBM dadelijk uitvoerbaar is.

Daarnaast wordt geadviseerd een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie, gelijk aan het voorarrest, en een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering en het hebben van dagbesteding. Ook ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de Raad geadviseerd te bepalen dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapportages en zal de gegeven adviezen grotendeels opvolgen. De rechtbank ziet – in tegenstelling tot de raadsman – geen aanleiding om in het voordeel van de verdachte rekening te houden met de media-aandacht die de zaak van de verdachte heeft gekregen, omdat niet is gebleken dat de persoonlijke belangen van de verdachte daardoor zijn geschaad. De rechtbank merkt hierbij overigens nog op dat niet is gebleken dat er camerabeelden zijn gemaakt van de aanhouding van deze verdachte.

Jeugddetentie

De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel zonder meer een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie. Rekening houdend met de oriëntatiepunten van het LOVS ligt deze echter lager dan door de officier van justitie is geëist. Voorts komt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, tot een vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde. Daarnaast acht de rechtbank het niet in het belang van de verdachte en de maatschappij dat hij terug wordt gestuurd naar een justitiële jeugdinrichting. Daarom zal een onvoorwaardelijke jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van de reeds door de verdachte doorgebrachte tijd in verzekering en voorlopige hechtenis.

De rechtbank ziet daarnaast ook aanleiding een forse voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daaraan zullen de door de Raad geadviseerde (bijzondere) voorwaarden worden verbonden.

Blijkens de verklaring van de ouders van de verdachte ter terechtzitting gaat het mede door de enkelband van de verdachte beter met hem. Dit geeft structuur en duidelijkheid.

Ook de rechtbank is die mening toegedaan en zij zal daarom de bij de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde avondklok en daaraan verbonden elektronische controle nog laten voortduren voor de duur van maximaal drie maanden, waarbij aan de reclassering de ruimte wordt gelaten om de verdachte geleidelijk meer vrijheden toe te staan.

Werkstraf

De rechtbank is voorts van oordeel dat, naast voornoemde deels onvoorwaardelijke jeugddetentie, een forse werkstraf van na te melden duur passend en geboden is.

GBM

De rechtbank is van oordeel dat de ernst en de veelvuldigheid van de begane misdrijven voorts aanleiding geven tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een GBM en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. De bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en problematiek in het kader van ADD maken dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is. Indien deze behandeling uitblijft, wordt de kans op recidive hoog ingeschat. Hoewel de psychiater en psycholoog behandeling bij Yes we Can Clinics en Topzorg bij de Waag hebben geadviseerd, zal de rechtbank de Raad en de jeugdreclassering volgen in hun advies om – gelet op de reeds ingezette lijn - behandeling in het kader van MDFT en individuele behandeling bij het Palmhuis op te leggen. Hiermee wordt beoogd om een blijvende gedragsverandering te bereiken en te voorkomen dat de verdachte verder afglijdt. Het is van belang dat deze behandeling wordt geboden in de vorm van een GBM, omdat een intensieve, relatief langdurige en niet vrijblijvende aanpak van gedragsinterventie met een duidelijke stok achter de deur is geïndiceerd.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Voorts is gebleken dat de feiten in een kort tijdsbestek zijn gepleegd en dat het recidiverisico bij het uitblijven van enige behandeling van de problematiek van de verdachte verhoogd is. Daarom is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen als behandeling uitblijft. De rechtbank zal daarom bevelen dat de hierna te stellen (bijzondere) voorwaarden, het uit te oefenen toezicht door de jeugdreclassering en het programma van de GBM dadelijk uitvoerbaar zijn, hetgeen ook in het belang van verdachte is.

8 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

De heer [slachtoffer] heeft zich ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.500,--, bestaande uit een bedrag van € 2.000,-- materiële schade en een bedrag van € 1.500,-- immateriële schade.

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor zover het betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente en tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.500,--, subsidiair 30 dagen jeugddetentie ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer] .

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende duidelijk is over de geldbedragen en verder ook onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman bepleit om het toewijsbare bedrag te verdelen over alle daders.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, afwijzen. Gebleken is dat de met de creditcard gepinde bedragen, te weten tweemaal
€ 1.000,--, door de creditcardmaatschappij aan de benadeelde partij zijn terugbetaald. De benadeelde partij heeft dus geen materiële schade meer.

Immateriële schade

De rechtbank acht de vordering tot immateriële schadevergoeding voor het totale bedrag van € 1.500,--, als vergoeding van de immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar, gelet op de ernst van de feiten en aangezien is gebleken dat de benadeelde partij tijdens de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten doodsangsten heeft uitgestaan en heeft gebeden voor zijn leven.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 1.500,--.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 3 november 2016 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77za,77aa, 77gg, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. feit 1:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

t.a.v. feit 2:

medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

t.a.v. feit 3:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

t.a.v. feit 5:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 315 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie groot 180 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich vóór 28 juli 2017 zal melden bij Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, afdeling jeugdreclassering, en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de jeugdreclassering noodzakelijk acht;

- zich tot uiterlijk 21 oktober 2017 houdt aan een avondklok, waarbij hij zich op maandag, woensdag, vrijdag, zaterdag en zondag niet na 18:00 uur en op dinsdag en donderdag niet na 21:00 uur naar buiten zal begeven, tenzij onder begeleiding van de ouders of een door de jeugdreclassering goedgekeurde volwassene. De veroordeelde zal zich onder elektronisch toezicht stellen ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;

- gedurende de proeftijd dagbesteding heeft in de vorm van werk of onderwijs;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, afdeling jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 150 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 75 DAGEN;

legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 MAANDEN, die bestaat uit:

- het volgen van behandelingen in de vorm van MDFT en een individueel behandeltraject bij het Palmhuis of soortgelijke instelling;

bepaalt dat Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot taak heeft de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 12 MAANDEN;

beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is;

met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 1.500,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

bepaalt dat indien volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;


heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, voorzitter,

mr. S.M. Borkent, kinderrechter,

en mr. J.B. Wijnholt, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier betreffende het onderzoek [onderzoeksnaam] (DH5R016034), met het proces-verbaalnummer 2016306941, blz. 1 t/m 2119.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 4 november 2016, blz. 109 t/m 114.

3 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2017.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 4 november 2016, blz. 109 t/m 114.

5 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2017.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 28 november 2016, blz. 198 t/m 203.

7 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2017.

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 10 november 2016, blz. 129 t/m 133 en proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 3] d.d. 17 november 2016, blz. 134 t/m 142.

9 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2017.

10 HR 22 januari 2008, NJ 2008/72.