Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8261

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
09-808951-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf en taakstraf voor overvallen in Naaldwijk

De rechtbank heeft zes verdachten, waarvan vijf minderjarigen, veroordeeld voor betrokkenheid bij een of meer overvallen en een vrijheidsberoving. Hen was ook lidmaatschap van een criminele organisatie ten laste gelegd. De rechtbank heeft hen daarvan vrijgesproken.

Bedreiging met een nepvuurwapen

Begin november 2016 deed een man aangifte bij de politie in Naaldwijk van vrijheidsbeneming en beroving. Hij had een afspraak voor een ontmoeting gemaakt op een datingsite. De jongeman die hem ophaalde, nam hem mee naar een kraakpand waar nog vier andere jongemannen waren. Onder bedreiging van een nepvuurwapen werden zijn bankpassen afgenomen en zijn pincode onder bedreiging afgenomen .Er is daarna een flink geldbedrag van zijn rekening afgehaald. Later die maand werd nog twee keer aangifte gedaan van beroving op ongeveer dezelfde wijze. Via onderzoek van de telefoon van het eerste slachtoffer is de politie op het spoor gekomen van de verdachten. Verder onderzoek wees uit dat via een homo-datingsite een afspraak werd gemaakt met de slachtoffers en dat hen vervolgens onder bedreiging van een nep-vuurwapen geld of goederen afhandig werd gemaakt. De verdachten meenden dat de slachtoffers uit schaamte geen aangifte zouden durven doen.

De verdachten worden in verschillende samenstellingen verantwoordelijk gehouden voor een of meer van deze berovingen.

(Jeugd)detentie en werkstraffen

De minderjarige verdachten hebben straffen opgelegd gekregen in de vorm van jeugddetentie variërend van 180 dagen tot 315 dagen en werkstraffen variërend van 120 tot 150 uur, afhankelijk onder meer van het aantal bewezen feiten. De meerderjarige verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden, omdat voor hem niet het jeugdstrafrecht geldt.

Alle verdachten hebben begeleiding van de (jeugd)reclassering opgelegd gekregen, in enkele gevallen met de verplichting tot behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/808951-16

Datum uitspraak: 24 juli 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 maart 2017, 20 april 2017 en 4 juli 2017. Dit heeft op 4 juli 2017 plaats gevonden met gesloten deuren. Het onderzoek ter terechtzitting is op 10 juli 2017 gesloten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. J.S. Dijkstra, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 november te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Apple, type iPhone 6), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht, althans aan die [slachtoffer] heeft/getoond en/of

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) de woorden toegevoegd: "Ik ga je schieten. Geef me je geld" en/of

- (vervolgens) (met kracht) (meermalen) tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of

- (vervolgens) onverhoeds die telefoon uit de hand van die [slachtoffer] heeft gerukt/getrokken en/of

- (vervolgens) (met kracht) (meermalen) tegen/op de bestelauto van die [slachtoffer] te trappen/schoppen;

2.

hij op of omstreeks 28 november te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk Volvo, type C30, [kenteken] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp tegen/op de linkerschouder van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gedrukt en/of gericht, althans aan die [slachtoffer 2] heeft/getoond en/of

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) om geld en/of creditcards heeft/hebben gevraagd en/of

- (vervolgens) (onverhoeds) in voornoemde auto is/zijn gestapt en/of (vervolgens) is/zijn weggereden;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 november 2016 tot en met 28 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- diefstal met geweld (artikel 312 Wetboek van Strafrecht) en/of

- afpersing (artikel 317 Wetboek van Strafrecht) en/of

- wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht) en/of

- handelen in strijd met bepalingen van de Wet wapens en munitie (Wet wapens en munitie);

3. Bewijsoverwegingen 1

Ten aanzien van feit 1

3.1.1

Inleiding

Aangever [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij via Bullchat is benaderd door een jongeman die wilde afspreken. Op 10 november 2016 sprak de aangever met deze man af bij het [adres] in Naaldwijk omstreeks 21:00 uur. De aangever kwam met zijn bedrijfsbus aan op de parkeerplaats van het [adres] , parkeerde de bus en stapte uit. Daar kwam een jongen op de aangever aflopen en zij gaven elkaar een hand. De aangever had er geen goed gevoel bij, omdat het een jonge jongen betrof. De jongen wilde samen met de aangever een sigaret roken. Toen de aangever zei dat hij dit bij de bus wilde doen, zei de jongen dat hij eerst zijn tas moest pakken. De jongen liep weg.

Toen de aangever zijn portier opende om weg te gaan, stonden er plotseling drie mannen om hem heen. Eén van de mannen droeg een ‘V for Vendetta’ masker en zei: “Geef mij je geld”. Deze persoon had een zwartkleurig pistool in zijn handen. Hij zei ook: “Ik ga je schieten”. Het pistool werd op de benen van de aangever gericht. Van de twee andere mannen begon één man aan de tas van de aangever te trekken en gaf de aangever een klap op zijn hoofd. Hij raakte de aangever met zijn vuist op de linkerkant van het hoofd. De derde man wilde de aangever beletten om in de bus te stappen. Het lukte de aangever om in te stappen en zijn tas los te trekken, waarna hij de motor van de bus kon starten. Hij pakte zijn mobiele telefoon en zei dat hij 112 ging bellen. Het portier van de bus werd door één van de mannen vastgehouden en deze man pakte de telefoon uit de handen van de aangever. De aangever reed achteruit en hoorde dat er tegen de bus werd getrapt. Doordat één van de mannen het portier vasthield, klapte het portier naar de andere kant open en raakte beschadigd.2

De verdachte heeft bekend dat hij samen met vier medeverdachten heeft deelgenomen aan dit feit en dat hij degene is geweest die het portier van de bus van de aangever aan de bestuurderskant heeft vastgepakt.3

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.1.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.1.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het onderzoek [naam onderzoek] , met het proces-verbaalnummer 2016306941, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (blz. 129 t/m 133) en een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 17 november 2016 (blz. 134 t/m 142);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    4 juli 2017.

Op grond van deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 10 november 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld en bedreiging met geweld van de telefoon van [slachtoffer] .

Ten aanzien van feit 2

3.2.1

Inleiding

Aangever [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 28 november 2016 in zijn auto (Volvo C30, [kenteken] ) op de [adres] in Naaldwijk reed. Hij zag een aantal jongens vanaf rechts de straat over steken, zij kwamen uit het parkje. De jongens liepen naar de aangever en de aangever opende het raam aan de bestuurderskant. Meteen werd door één van de jongens gedreigd met een pistool. De jongens wilden geld. Toen de aangever zei dat hij geen geld had, werd door een jongen gezegd: “Creditcards”. Terwijl hij dit zei drukte de jongen het pistool tegen de linkerschouder van de aangever aan. De aangever opende zijn deur om de jongen weg te duwen. Vervolgens werd de aangever kwaad en is hij uitgestapt. Hij zei: “Sodemieter op man, ik heb geen geld”. De aangever liep met de jongen met het pistool de stoep op. Er stonden nog twee jongens in de buurt en zij stapten alle drie achteruit de stoep op. Vervolgens sprong er één jongen in de auto. De aangever hoorde de motor. Toen hij zich omdraaide, zag hij de jongen wegscheuren. Vervolgens renden de andere drie jongens weg.4

De verdachte heeft verklaard dat hij aan dit feit heeft deelgenomen samen met drie medeverdachten en dat hij op de hoogte was van het plan om een man, die kwam om seks te hebben met een minderjarige jongen, af te persen.5

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.2.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.2.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het onderzoek [naam onderzoek] , met het proces-verbaalnummer 2016306941, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] (blz. 198 t/m 203);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    4 juli 2017.

Op grond van deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 28 november 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met bedreiging met geweld van [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van feit 3

3.3.1

Inleiding

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij samen met medeverdachten [medeverdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en dat deze organisatie tot oogmerk zou hebben het plegen van misdrijven, te weten diefstal met geweld, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.

3.3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behoudens de in de tenlastelegging genoemde periode van deelname aan de criminele organisatie. De verdachte is betrokken geweest bij de feiten die zijn gepleegd op 10 november 2016 en 28 november 2016, dus hooguit deze periode kan bewezen worden verklaard. Van enige betrokkenheid bij de feiten op 3 november 2016 is niet gebleken en deze feiten zijn ook niet aan de verdachte ten laste gelegd.

3.3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in de onderhavige zaak sprake was van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht.

Volgens de Hoge Raad6 kan van een organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht worden gesproken indien sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid en bestendigheid is een zeker tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing.

De rechtbank is er niet van overtuigd geraakt dat een dergelijk samenwerkingsverband bestond. De verdachten hebben in korte tijd (ongeveer drie weken) drie overvallen gepleegd. De verdachte was niet bij de eerste overval betrokken, maar wel bij de overvallen op 10 en 28 november 2016. De verdachten kenden elkaar uit het Westland en waren deels bevriend met elkaar. Erg bestendig was de samenwerking tussen de verdachten echter niet: van meet af aan is sprake geweest van wijzigingen in de samenstelling. Na drie weken werden reeds grote scheuren zichtbaar in het samenwerkingsverband. De [medeverdachte] werd door de medeverdachten verweten dat hij dacht dat hij de baas was en dat hij stomme dingen deed waardoor iedereen gepakt zou gaan worden. De [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] bespraken dat zij een nieuwe groep wilden starten om samen verder te gaan met het plegen van strafbare feiten. Tegelijkertijd zocht de [medeverdachte] contact met personen buiten de oorspronkelijk groep om zich bij hen aan te sluiten. Hoewel volgens vaste jurisprudentie niet vereist is dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is, is duidelijk dat (de kern van) het oorspronkelijke samenwerkingsverband na het feit van 28 november 2016 uit elkaar viel. Uit taps en berichtjes die zich in het dossier bevinden, blijkt dat er daarna door de verdachte en de medeverdachten nog is gesproken over het plegen van nieuwe overvallen, maar deze hebben – zover uit het dossier blijkt – niet plaatsgevonden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door het ingrijpen van de politie bij een relatief korte periode is gebleven. Echter is het, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank maar de vraag of de verdachte door zou zijn gegaan met het plegen van overvallen. Hier kan in ieder geval geen oordeel over worden gegeven.

Daarnaast was er weliswaar sprake van een zekere structuur binnen de opzet van de overvallen. Uit het dossier blijkt dat twee medeverdachten het voortouw namen bij het maken van plannen om oudere, homoseksuele mannen af te persen. De verdachte en andere medeverdachten sloten zich, toen zij van deze plannen hoorden, hierbij aan. Vervolgens werd er een zekere rolverdeling gemaakt tussen de verdachte en de medeverdachten. Naar het oordeel van de rechtbank was er echter geen sprake van een zeer gestructureerd verband. De rechtbank leidt dat onder andere af uit hetgeen hiervoor is vermeld over de scheuren die ontstonden. Voorts lijkt bij de uitvoering van de overvallen, met uitzondering van die van 3 november 2016 – waar de verdachte blijkens het dossier niet bij betrokken was –, nauwelijks sprake van planning en werd de loop van de delicten steeds grotendeels bepaald door onvoorziene omstandigheden en impulsieve reacties daarop. Dit past naar het oordeel van de rechtbank bij de leeftijd en ontwikkeling van de jonge verdachten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht niet kan worden bewezen, nu de samenwerking tussen de verdachten onvoldoende duurzaam en bestendig was in combinatie met het feit dat deze niet zeer gestructureerd was. Gelet op het voorgaande zal de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 10 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Apple, type iPhone 6), toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer] heeft gericht en

- dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je schieten. Geef me je geld" en

- vervolgens (met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en

- vervolgens onverhoeds die telefoon uit de hand van die [slachtoffer] heeft getrokken en

- vervolgens meermalen tegen de bestelauto van die [slachtoffer] te trappen;

2.

hij op 28 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Volvo, type C30, [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een op een vuurwapen gelijkende voorwerp tegen de linkerschouder van die [slachtoffer 2] heeft gedrukt en

- dreigend om geld en creditcards heeft/hebben gevraagd.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat, indien de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt die de duur van het voorarrest van de verdachte overstijgt, de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van de dag van de uitspraak.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening dient te houden met de rol van de verdachte in de ten laste gelegde feiten. Bij het feit van 10 november 2016 was voor de verdachte van te voren niet duidelijk dat het de bedoeling was om een strafbaar feit te plegen en hij was er niet van op de hoogte dat er een wapen bij gebruikt zou worden. Ook was het niet de bedoeling dat de telefoon zou worden weggenomen. De verdachte heeft enkel tegen de auto getrapt omdat hij dacht dat de aangever geld verschuldigd was aan een medeverdachte.

Bij het feit van 28 november 2016 is de verdachte niet degene geweest die de aangever heeft gefouilleerd of heeft gedreigd met een wapen. Hij heeft ook niet de opdracht gegeven aan de medeverdachte om de auto weg te nemen of te doorzoeken.

De verdachte is niet de initiatiefnemer van de incidenten geweest en wilde zich na de incidenten afzijdig houden van de medeverdachten.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de rechtbank rekening dient te houden met de korte periode van deelname van de verdachte aan de strafbare feiten en dat het min of meer mislukte diefstallen betreft. Daarnaast heeft de verdachte spijt betuigd en is het, gelet op zijn leeftijd, van belang dat hij zijn school, stage en werk kan voortzetten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan brute overvallen op homoseksuele mannen. Binnen een vriendengroep ontstonden plannen om oudere, homoseksuele mannen via een chatsite te benaderen voor een afspraak om seks te hebben met een 17-jarige jongen en deze mannen vervolgens af te persen. Aan deze mannen werd voorgehouden dat het een jongen betrof die ervaring wilde opdoen met het ‘uit de kast komen’. Bij de plannen raakten steeds meer mensen betrokken en uiteindelijk is ook driemaal uitvoering gegeven aan de plannen.

Op 3 november 2016 is voor de eerste keer een slachtoffer in de val gelokt en beroofd. De verdachte was bij dit feit niet betrokken.

Vervolgens is op 10 november 2016 een slachtoffer onder valse voorwendselen naar een afgesproken plek gekomen, waar hij werd overvallen door een groep van vijf jongens met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een masker. Hem werd om geld gevraagd en hij kreeg een klap tegen zijn hoofd toen hij dit niet wilde geven.

Uiteindelijk is zijn telefoon uit zijn handen getrokken en hebben de verdachte en de medeverdachten de bedrijfsbus van het slachtoffer beschadigd. Dit alles heeft zich afgespeeld op een parkeerplaats, terwijl zich in het dossier aanknopingspunten bevinden waaruit kan worden afgeleid dat het de bedoeling was de man mee te lokken naar het bos. Het slachtoffer heeft in eerste instantie bij de politie niet durven verklaren dat hij had afgesproken met iemand via de datingsite Bullchat, maar heeft hier in een latere verklaring openheid van zaken over gegeven.

Op 28 november 2016 werd opnieuw een man het slachtoffer van een overval door – ditmaal - vier jongens, waaronder de verdachte. Daarbij werd aan het slachtoffer een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en tegen zijn schouder gedrukt en werden geld en creditcards geëist. Ondertussen werd de auto van het slachtoffer weggenomen door een medeverdachte, waarna de verdachte en andere medeverdachten zijn gevlucht. Uit het dossier is gebleken dat ook dit slachtoffer een afspraak met één van de verdachten had gemaakt via Bullchat.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich specifiek gericht op oudere, homoseksuele mannen die interesse toonden in minderjarige jongens, omdat de bereidheid om aangifte te doen bij hen laag zou zijn. Oftewel, de verdachte en zijn mededaders zouden ermee kunnen wegkomen. Daarbij is ook nog door een aantal verdachten tijdens de verhoren bij de politie opgemerkt dat de daden enigszins gerechtvaardigd waren omdat zij te maken hadden met – in hun ogen – pedoseksuele mannen. De rechtbank is geschrokken van dit misplaatste excuus voor de daden van de verdachte en zijn medeverdachten, die feitelijk waren ingegeven door het idee dat zij veel geld zouden kunnen maken met weinig inspanning en weinig risico om gepakt te worden.

De rechtbank acht het zeer verontrustend dat een groepje jonge jongens zonder noemenswaardig strafblad zich binnen een paar weken tijd schuldig heeft gemaakt aan dergelijke heftige feiten. Het schijnbare gemak waarmee deze feiten werden bedacht en uitgevoerd, de bereidwilligheid van de deelnemers en de wijze waarop zij – blijkens de taps en berichtjes onderling in het dossier – over de feiten, ook na het plegen ervan, spraken is schokkend te noemen.

Dit zijn zeer ernstige feiten. De verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten veelal langdurig de psychisch nadelige gevolgen van het gebeurde ondervinden. De zucht naar geld heeft ertoe geleid dat de verdachte slechts oog heeft gehad voor zijn financiële gewin en geen enkel respect heeft getoond voor de slachtoffers en hun eigendommen.

De rechtbank acht de – pas vlak voor de terechtzitting afgelegde – verklaring van de verdachte dat hij de eerste keer – op 10 november 2016 – niet wist van het plan om het slachtoffer te lokken en af te persen dan wel te beroven niet geloofwaardig. Die verklaring komt ook niet overeen met de verklaringen van de medeverdachten. Die gebeurtenis heeft de verdachte er ook niet van weerhouden een tweede keer mee te doen aan een overval. Uit de verklaring die door de medeverdachten en de aangevers zijn afgelegd, lijdt het geen twijfel dat de verdachte zich actief heeft opgesteld en dat er geen sprake van is dat de verdachte zich daarbij afzijdig hield. Ook uit de tapgesprekken die zijn opgenomen na de overval van 28 november 2016 is niet af te leiden dat de verdachte zich wenste te distantiëren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte een beduidende rol gehad in de uitvoering van de overvallen.

De verdachte is bovendien de enige die ten tijde van de feiten reeds meerderjarig was. De verdachte heeft niet de verantwoordelijkheid genomen die bij zijn leeftijd past.

Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zeer aan.

Documentatie

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie is de verdachte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Rapportages

De rechtbank beschikt over een reclasseringsadvies ten behoeve van de voorgeleiding van

9 december 2016 en over een reclasseringsadvies van 6 maart 2017 ten behoeve van de rechtszitting van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna ook: de reclassering). De rechtbank heeft geen recente rapportage of een strafadvies van de reclassering ontvangen. Ook is niemand namens de reclassering ter terechtzitting verschenen.

In voornoemd advies van 6 maart 2017 staat het volgende. De betrokkene beroept zich op zijn zwijgrecht in deze zaak. Derhalve kan de reclassering geen conclusies trekken betreffende eventuele criminogene factoren, temeer omdat uit het beeld dat naar voren komt, nagenoeg geen problemen blijken die logischerwijs hebben kunnen leiden tot het delictgedrag. Er worden geen problemen waargenomen op financieel gebied. Er is huisvesting en dagbesteding en het middelengebruik is niet problematisch te noemen. Indien de betrokkene schuldig bevonden zou worden, zou nadere diagnostiek geïndiceerd zijn om te kunnen achterhalen wat ten grondslag heeft gelegen aan het delictgedrag. De reclassering ziet vooralsnog geen indicatie voor toepassing van het jeugdstrafrecht, omdat niet kan worden vastgesteld welke rol en motivatie de betrokkene in het geval van een schuldigverklaring heeft gehad. Wat wel zeker is, is dat de verdachte goed naar zijn eigen handelen kan kijken, niet impulsief handelt en bewust keuzes kan maken.

Indien de betrokkene schuldig wordt bevonden is nadere diagnostiek en eventueel daaruit voortvloeiende behandeling geïndiceerd.

Op te leggen straf

De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel zonder meer een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarom ziet de rechtbank ook aanleiding een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd in detentie overstijgt. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat de verdachte – anders dan zijn medeverdachten – meerderjarig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten en de reclassering in de persoon noch in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, aanleiding vindt om het jeugdstrafrecht toe te passen. Aldus geldt voor de verdachte het commune strafrecht met de straffen die daarbij horen. Rekening houdend met de oriëntatiepunten van het LOVS ligt de op te leggen gevangenisstraf echter lager dan door de officier van justitie is geëist. Voorts komt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, tot een vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat de verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden toezicht en begeleiding van de reclassering wordt geboden, om ervoor te zorgen dat de schoolgang, stage en/of het werk van de verdachte gewaarborgd is, en dat de verdachte – zo nodig – behandeld wordt. Het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf moet er ook voor zorgen dat de verdachte zich niet opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten. De rechtbank acht een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Voorts is gebleken dat de feiten in een kort tijdsbestek zijn gepleegd. Het is van belang dat snel duidelijk wordt of er sprake is van problematiek bij de verdachte, die behandeling behoeft. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal worden bevolen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 47, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

t.a.v. feit 1:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

t.a.v. feit 2:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 17 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 10 MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zal meewerken aan diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarde en het – op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt de opheffing van de op 21 april 2017 bevolen schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte en gelast de verdere tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Engbers, voorzitter,

mr. S.M. Borkent, rechter,

en mr. J.B. Wijnholt, rechter,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier betreffende het onderzoek [naam onderzoek] (DH5R016034), met het proces-verbaalnummer 2016306941, blz. 1 t/m 2119.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 10 november 2016, blz. 129 t/m 133 en proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 17 november 2016, blz. 134 t/m 142.

3 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 juli 2017.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 28 november 2016, blz. 198 t/m 203.

5 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 juli 2017.

6 HR 22 januari 2008, NJ 2008/72.