Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8235

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevordering tot universitair hoofddocent I afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 17/7

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het College van Bestuur TU Delft, verweerder

(gemachtigde: mr. G.H.J. Termeulen).

Procesverloop

Op 10 juli 2015 is door professor [persoon 1] een voorstel gedaan om eiser te bevorderen tot universitair hoofddocent I (UHD1). Deze voordracht is schriftelijk ondersteund door professor [persoon 2] .

Bij brief van 9 februari 2016 heeft eiser verweerder verzocht binnen een redelijke termijn, en zeker binnen 4 weken, een besluit te nemen op het verzoek om bevordering van eiser tot UHD1.

Op 3 maart 2016 heeft verweerder eiser een reactie gestuurd op diens brief van 9 februari 2016.

Bij emailbericht van 14 maart 2016 heeft eiser verweerder verzocht de brief van 3 maart 2016 in te trekken, een duidelijk antwoord te geven op zijn brief van 9 februari 2016 en een besluit te nemen op de voordracht om eiser te bevorderen tot UHD1.

Bij brief van 21 maart 2016 heeft eiser bij verweerder een klacht ingediend over het handelen van de Loopbaancommissie Bouwkunde (hierna te noemen LBC).

Tegen de brief van 3 maart 2016 heeft eiser op 23 maart 2017 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 15 april 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld een besluit te nemen over het voorstel tot bevordering en per 15 april 2016 een dwangsom gevorderd.

Op 26 april 2016 heeft de LBC een (negatief) advies uitgebracht aangaande de voordracht van eiser tot UHD1.

Bij besluit van 12 juli 2016 heeft verweerder de voordracht tot bevordering van eiser tot UHD1 afgewezen.

Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder medegedeeld geen dwangsom toe te kennen, zoals door eiser verzocht in de brief van 15 april 2016.

Tegen beide besluiten van 12 juli 2016 heeft eiser op respectievelijk op 25 en 26 juli 2016 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder – overeenkomstig het advies van 14 november 2016 van de Commissie Bezwaarschriften werknemerszaken en overige zaken – het bezwaarschrift van 23 mei 2016 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaarschriften van eiser van 25 en 26 juli 2016 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017.

Eiser is daarbij in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is namens verweerder verschenen [persoon 3] .

Overwegingen

I Ten aanzien van de brief van 3 maart 2016

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser tegen de brief van 3 maart 2016 niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet gericht is op een wijziging van rechtspositie en daarom geen rechtsgevolg heeft.

In deze brief staat – voor zover van belang:

‘De Loopbaancommissie heeft uw dossier op 10 september 2015 behandeld en is tot de conclusie gekomen dat zij, op basis van het aangeleverde dossier, niet voldoende kon beoordelen of bevordering naar UHD1 opportuun was.

Ook constateerde de commissie discrepanties in de R&O formulieren, waarop de voorzitter van de commissie uw leidinggevenden heeft gesproken om een en ander verduidelijkt te krijgen.

Daarna is besloten u, vanwege vragen bij de aangeleverde stukken en de zorgvuldigheid van de adviesvorming, uit te nodigen om de ingediende stukken mondeling voor de Loopbaancommissie te verduidelijken.

Ik heb begrepen dat u bent uitgenodigd voor de vergadering van de Loopbaancommissie op 31 maart 2016. De commissie zal daarna een advies opstellen. Zodra het advies bij mij binnen is zal ik zo spoedig mogelijk tot een besluit komen.’

In artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in het eerste lid bepaald dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de brief van 3 maart 2016 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De inhoud van de brief is informatief en feitelijk van aard en is niet aan te merken als een publiekrechtelijke rechtshandeling, nu daarmee geen verandering wordt gebracht in de rechtspositie van eiser.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

II Ten aanzien van het verzoek om dwangsom

Bij brief van 9 februari 2016 heeft eiser verweerder verzocht binnen een redelijke termijn, en zeker binnen 4 weken, en besluit te nemen op het verzoek om bevordering tot UHD1 van 1 juli 2015.

Bij brief van 15 april 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en een dwangsom gevorderd per 15 april 2016.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een aanvraag in de zin van de Awb en dat een besluit tot bevordering een ambtshalve besluit is, nu er geen sprake is van een aanvraag door een belanghebbende, en dat daardoor niet de termijnen van de Awb gelden.

De rechtbank overweegt dat de dwangsomregeling geldt in beginsel voor alle beschikkingen op aanvraag en voor alle beslissingen op bezwaar die het karakter van een beschikking hebben. De regeling is niet van toepassing op besluiten van algemene strekking of op ambtshalve beschikkingen, tenzij de betrokken bijzondere wet een bepaling bevat die de regeling van overeenkomstige toepassing verklaart. (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 3, p. 2).

De rechtbank is van oordeel dat de voordracht om eiser te benoemen tot UHD1 niet te beschouwen is als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat hiervoor niet de dwangsomregeling van de Awb geldt.

Ten overvloede zij opgemerkt dat eiser er ten tijde van zijn ingebrekestelling van op de hoogte was dat verweerder in afwachting was van het benodigde advies van de LBC, terwijl eiser zelf tegelijkertijd niet wenste mee te werken aan het – in persoon en/of schriftelijk - verstrekken van nadere informatie aan de LBC.

Ook dit onderdeel van het beroep is derhalve ongegrond.

III Ten aanzien van het besluit tot weigering van de bevordering van eiser naar de functie UHD1

Verweerder heeft het bevorderingsvoorstel – zoals te doen gebruikelijk - ter inhoudelijke toetsing voorgelegd aan de LBC.

De LBC is op 10 september 2015 en 17 december 2015 bijeengekomen om zich te buigen over het voorstel.

Bij emailbericht van 31 december 2015 is eiser medegedeeld dat de LBC op basis van het aangeleverde dossier onvoldoende kan beoordelen en dat besloten is om eiser om aanvullingen te vragen en uit te nodigen voor een mondelinge toelichting in de vorm van een presentatie.

Eiser is bij mail van 9 januari 2016 uitgenodigd om op 4 februari 2017 te verschijnen.

Eiser geeft aan hier niet bij aanwezig te kunnen zijn.

Op 17 februari 2017 wordt eiser uitgenodigd voor 31 maart 2017.

Eiser is niet verschenen.

Op 26 april 2016 heeft de Loopbaancommissie een negatief advies uitgebracht.

Bij besluit van 12 juli 2016 heeft verweerder het advies van de Loopbaancommissie overgenomen en de voordracht tot bevordering afgewezen.

De rechtbank overweegt allereerst het volgende.

De bevoegdheid om een UHD2 al dan niet tot UHD1 te benoemen is discretionair van aard. Bij de uitoefening ervan komt aan verweerder een ruime mate van beleidsvrijheid toe, hetgeen met zich brengt dat de rechtbank een dergelijke beslissing slechts terughoudend mag toetsen. Bij die toetsing dient de rechtbank te beoordelen of verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.

Uit de stukken blijkt dat de LBC eiser een vijftal vragen heeft voorgelegd en hem heeft verzocht deze vragen in een presentatie voor de LBC te beantwoorden. De vragen die door de LBC gesteld zijn, geven naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van vooringenomenheid en komen de rechtbank ook anderszins niet onredelijk voor. Zo heeft de LBC gemotiveerd aangegeven het door eiser overgelegde vision paper vooralsnog onvoldoende te vinden.

Eiser heeft aangegeven op 4 februari 2016 verhinderd te zijn en is niet verschenen naar aanleiding van een volgende uitnodiging op 31 maart 2016. Eiser heeft de vragen evenmin schriftelijk beantwoord.

De rechtbank overweegt dat volgens de ‘Taakstelling en werkwijze Loopbaancommissie Bouwkunde’ ‘adviezen over voorstellen tot UD2 en UHD1 op basis van de vereiste schriftelijke documentatie kunnen worden gegeven’, dit in tegensteling tot adviezen over voorstellen tot bevordering tot Docent 1 en Onderzoeker 1, waarbij de kandidaat de LBC een presentatie geeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het woord ‘kunnen’ terecht zo geïnterpreteerd, dat dit niet uitsluit dat de LBC (naast vereiste de schriftelijke documentatie) vraagt om een aanvullende presentatie en/of een nader gesprek met de LBC met de voorgedragen kandidaat, zeker indien door de LBC gemotiveerd wordt aangegeven dat er nog onduidelijkheden zijn.

Niet in geschil is dat eiser niet de gevraagde informatie aan de LBC heeft overgelegd of is verschenen voor een presentatie en/of nader gesprek.

Verweerder kon zich daarom in redelijkheid op het standpunt stellen dat niet kon worden vastgesteld of eiser aan de geldende criteria voor UHD1 voldoet, zodat de voordracht tot UHD1 in redelijkheid kon worden afgewezen.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.