Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8225

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
NL17.3672
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag, kennelijk ongegrond, Algerije, veilig land van herkomst, leeftijd en identiteit ongeloofwaardig, dienstplichtweigeraar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3672


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3673, plaatsgevonden op 13 juli 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt als volgt.

2. Niet is geschil is de aanwijzing van Algerije, het land van herkomst van eiser, als veilig land van herkomst.

3. Wel in geschil is – gelet op de beroepsgronden – of de door eiser opgegeven identiteit en leeftijd geloofwaardig zijn, of er een onderzoekplicht is bij verweerder met betrekking tot het opgegeven asielmotief, en of de medische toestand van eiser van invloed is geweest op de door eiser afgelegde verklaringen tijdens zijn gehoren.

4. Wat betreft de medische toestand van eiser kan uit het advies van FMMU niet worden opgemaakt dat eiser beperkingen heeft die van invloed zijn op zijn vermogen om verklaringen af te leggen. Ook het overlegde patiëntendossier biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Dat eiser mogelijk besmet is met een bacteriële infectie (MRSA) en dat hij last heeft van zijn teen, is niet aan te merken als een aanknopingspunt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder mocht afgaan op de verklaringen die eiser tijdens zijn gehoren heeft afgelegd. Eiser heeft niet onderbouwd waarom de samenwerkingsverplichting ertoe zou moeten leiden dat de FMMU nogmaals had moeten adviseren, of dat het Bureau medische advisering zou moeten worden ingeschakeld. Deze beroepsgronden treffen daarom geen doel.

5. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn leeftijd en zijn identiteit niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat eiser geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd, terwijl hij al vanaf januari 2017 te verstaan heeft gekregen dat het van belang is om deze documenten (alsnog) over te leggen. Verder heeft eiser zelf verklaard dat hij zich opzettelijk van zijn paspoort heeft ontdaan. Daarbij komt dat eiser bij de Kroatische autoriteiten een andere naam heeft opgegeven en heeft verklaard dat hij op [geboortedatum] is geboren. Eisers toelichting dat hij zich eerder als meerderjarige heeft laten registeren om te voorkomen dat hem als minderjarige zou worden belet om verder te reizen, laat onverlet dat hij daarnaast ook valse verklaringen heeft afgelegd over zijn naam. Het ligt dan ook op de weg van eiser om zijn in Nederland opgegeven naam en geboortedatum – [geboortedatum 2] – te staven. De grond van eiser dat verweerder daar nader onderzoek naar had moeten doen, treft geen doel. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet valt vast te stellen wat de positie van eiser ten aanzien van de militaire dienstplicht is, zodat verweerder ongeloofwaardig acht dat eiser als (toekomstig) dienstweigeraar valt aan te merken. Eiser heeft daarover in beroep aangevoerd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met Werkinstructie (WI) 2014/10, omdat daarin staat dat elk relevant element op zichzelf dient te worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel verweerder ervan mocht uitgaan dat eiser meerderjarig is en dat reeds daarom het asielrelaas van eiser – dat hij in de toekomst nog zal worden opgeroepen voor militaire dienst – niet geloofwaardig kan zijn. Algerijnen worden immers op de leeftijd van 18 jaar opgeroepen voor militaire dienst. De handelwijze van verweerder is niet in strijd met WI 2014/10. Ook deze beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.