Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8221

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
09/819539-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf en taakstraf voor overvallen in Naaldwijk

De rechtbank heeft zes verdachten, waarvan vijf minderjarigen, veroordeeld voor betrokkenheid bij een of meer overvallen en een vrijheidsberoving. Hen was ook lidmaatschap van een criminele organisatie ten laste gelegd. De rechtbank heeft hen daarvan vrijgesproken.

Bedreiging met een nepvuurwapen

Begin november 2016 deed een man aangifte bij de politie in Naaldwijk van vrijheidsbeneming en beroving. Hij had een afspraak voor een ontmoeting gemaakt op een datingsite. De jongeman die hem ophaalde, nam hem mee naar een kraakpand waar nog vier andere jongemannen waren. Onder bedreiging van een nepvuurwapen werden zijn bankpassen afgenomen en zijn pincode onder bedreiging afgenomen .Er is daarna een flink geldbedrag van zijn rekening afgehaald. Later die maand werd nog twee keer aangifte gedaan van beroving op ongeveer dezelfde wijze. Via onderzoek van de telefoon van het eerste slachtoffer is de politie op het spoor gekomen van de verdachten. Verder onderzoek wees uit dat via een homo-datingsite een afspraak werd gemaakt met de slachtoffers en dat hen vervolgens onder bedreiging van een nep-vuurwapen geld of goederen afhandig werd gemaakt. De verdachten meenden dat de slachtoffers uit schaamte geen aangifte zouden durven doen.

De verdachten worden in verschillende samenstellingen verantwoordelijk gehouden voor een of meer van deze berovingen.

(Jeugd)detentie en werkstraffen

De minderjarige verdachten hebben straffen opgelegd gekregen in de vorm van jeugddetentie variërend van 180 dagen tot 315 dagen en werkstraffen variërend van 120 tot 150 uur, afhankelijk onder meer van het aantal bewezen feiten. De meerderjarige verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden, omdat voor hem niet het jeugdstrafrecht geldt.

Alle verdachten hebben begeleiding van de (jeugd)reclassering opgelegd gekregen, in enkele gevallen met de verplichting tot behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/819539-16

Datum uitspraak: 24 juli 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 9 maart 2017, 20 april 2017 en 4 juli 2017. Het onderzoek ter terechtzitting is op 10 juli 2017 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. V.L.T. van Roy, advocaat te Leiden, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (in totaal) (ongeveer) 2000 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1 ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1 ] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer 1 ] heeft/hebben gericht, althans aan die [slachtoffer 1 ] heeft/hebben getoond en/of

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) om geld en/of credicards heeft/hebben gevraagd en/of

- (vervolgens) de kleding van die [slachtoffer 1 ] heeft/hebben doorzocht en/of

- (vervolgens) een mobiele telefoon en/of een bankpas(sen) en/of een creditcard en/of de autosleutels van die [slachtoffer 1 ] (tijdelijk) heeft/hebben afgenomen/geleend en/of (daarbij) die [slachtoffer 1 ] heeft/hebben gevraagd om de (bijbehorende) pincode(s);

en/of

hij op of omstreeks 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1 ] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere bankpas(sen) en/of een creditcard en/of de hierbij behorende pincode(s) en/of een mobiele telefoon en/of een portemonnee en/of een autosleutel, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1 ] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), voornoemde [slachtoffer 1 ]

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer 1 ] heeft/hebben gericht, althans aan die [slachtoffer 1 ] heeft/hebben getoond en/of

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) om geld en/of creditcards heeft/hebben gevraagd en/of

- (vervolgens) de kleding van die [slachtoffer 1 ] heeft/hebben doorzocht en/of

- (vervolgens) een mobiele telefoon en/of een bankpas(sen) en/of een creditcard en/of de autosleutels van die [slachtoffer 1 ] (tijdelijk) heeft/hebben afgenomen/geleend en/of (daarbij) die [slachtoffer 1 ] heeft/hebben gevraagd om de (bijbehorende) pincode(s);

2.

hij op of omstreeks 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1 ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van diens mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer 1 ] in/naar een (kraak)pand gehaald/geleid/gelokt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1 ] op een stoel laten plaatsnemen en/of (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1 ] gericht (gehouden), althans aan die [slachtoffer 1 ] getoond en/of (vervolgens) (daarbij) de woorden toegevoegd dat hij moest blijven zitten en/of niet mocht bewegen en/of niet mocht praten en/of niet om hulp mocht roepen;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 november 2016 tot en met 28 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1 ] en/of [medeverdachte 2 ] en/of [medeverdachte 3 ] en/of [medeverdachte 4 ] en/of [medeverdachte 5 ] en/of [medeverdachte 6 ] en/of [medeverdachte 7 ] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- diefstal met geweld (artikel 312 Wetboek van Strafrecht) en/of

- afpersing (artikel 317 Wetboek van Strafrecht) en/of

- wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht) en/of

- handelen in strijd met bepalingen van de Wet wapens en munitie (Wet wapens en munitie);

4.

hij op of omstreeks 10 november te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Apple, type iPhone 6), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2 ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2 ] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer 2 ] heeft/hebben gericht, althans aan die [slachtoffer 2 ] heeft/getoond en/of

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) de woorden toegevoegd: "Ik ga je schieten. Geef me je geld" en/of

- (vervolgens) (met kracht) (meermalen) tegen/op het hoofd van die [slachtoffer 2 ] heeft/hebben geslagen en/of

- (vervolgens) onverhoeds die telefoon uit de hand van die [slachtoffer 2 ] heeft gerukt/getrokken en/of

- (vervolgens) (met kracht) (meermalen) tegen/op de bestelauto van die [slachtoffer 2 ] te trappen/schoppen;

5.

hij op of omstreeks 28 november te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk Volvo, type C30, [kenteken] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3 ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3 ] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp tegen/op de linkerschouder van die [slachtoffer 3 ] heeft/hebben gedrukt en/of gericht, althans aan die [slachtoffer 3 ] heeft/getoond en/of

- (vervolgens) (daarbij) (dreigend) om geld en/of creditcards heeft/hebben gevraagd en/of

- (vervolgens) (onverhoeds) in voornoemde auto is/zijn gestapt en/of (vervolgens) is/zijn weggereden;

3. Bewijsoverwegingen 1

De rechtbank heeft in dit vonnis de beoordeling van het als feit 3 ten laste gelegde feit ná feit 4 en feit 5 besproken, zodat eerst de tenlastegelegde overvallen en daarna de criminele organisatie aan de orde komen.

Ten aanzien van feit 1

3.1.1

Inleiding

Aangever [slachtoffer 1 ] heeft bij de politie verklaard dat hij op 2 november 2016 aan het chatten was op Bullchat. Hij had contact met een jongen, genaamd [naam] , die ervaring wilde opdoen met het ‘uit de kast komen’. [naam] vroeg de aangever om hem toe te voegen op WhatsApp. Op 3 november 2016 omstreeks 18:00 uur werd de aangever gebeld door [naam] via WhatsApp. Zij spraken af om elkaar die avond om 21:00 uur te ontmoeten op de [adres] in Naaldwijk. Eenmaal aangekomen (omstreeks 21:15 uur) trof de aangever een jongen die zich voorstelde als [naam] . De jongen zei dat hij in een kraakpand woonde. Zij zijn een stuk gaan lopen en arriveerden rond 21:30 uur bij het kraakpand, waar de aangever door de jongen naar een soort technische ruimte werd gebracht. Onderweg naar deze ruimte zag de aangever twee jongens met een capuchon over het hoofd lopen. In de ruimte moest de aangever op een stoel gaan zitten en tegelijkertijd kwamen de eerder genoemde jongens ook binnen. Er werd direct om geld gevraagd. Zij pakten € 15,-- uit de portemonnee van de aangever. Eén van de jongens had een vuurwapen in zijn handen en toonde dat aan de aangever. Omdat de aangever bang was dat het vuurwapen gebruikt zou worden, heeft hij zijn ING bankpas en pincode afgegeven. Eén van de jongens liep weg, samen met twee andere jongens die nog buiten stonden. Zij namen de bankpas mee. Terwijl de aangever in de ruimte achterbleef met de andere jongens, werd tegen hem gezegd dat hij moest blijven zitten, niet mocht bewegen, niet mocht praten en niet om hulp mocht roepen of vragen. De aangever zag toen dat het pistool op zijn lichaam werd gericht. Hij voelde zich van zijn vrijheid beroofd.

Vervolgens kwam één van de drie jongens die weg was gegaan met de bankpas, terug om te zeggen dat de pincode niet werkte. Eén van de jongens doorzocht de kleding van de aangever en vond in zijn portemonnee nog een ABN-bankpas en een ABN-creditcard. Van deze passen moest de aangever onder dwang van het pistool de pincodes afgeven. Tijdens het doorzoeken van de kleding werden naast de portemonnee ook de autosleutel en mobiele telefoon van de aangever weggenomen.

Vervolgens moest de aangever zijn mobiele telefoon openen met zijn pincode. Later zag de aangever dat alle gesprekken, opgeslagen nummers en de WhatsApp met [naam] waren gewist.

Na enige tijd moest de aangever met de jongens mee naar buiten, waar hij op een bankje moest plaatsnemen, stil moest zijn en niet om hulp mocht vragen. Vervolgens moest hij weer meelopen met de jongens en zei één van de jongens tegen de aangever: “Luister eens, wat jij gedaan hebt, is niet goed en daarom moeten wij jou straffen. Jij hebt een afspraak gemaakt met iemand van 17 jaar. Wij straffen jou niet, maar nemen alleen geld van je af. Je wordt iets minder rijk”, of soortgelijke woorden.

Omstreeks 22:00 uur kwamen de jongens bij elkaar en kreeg de aangever zijn spullen terug, waarna de jongens vertrokken.

Na contact met de ABN hoorde de aangever dat met de ABN-creditcard een bedrag van 2.000 euro was opgenomen.2

De verdachte heeft bekend dat hij aan dit feit heeft deelgenomen samen met vier medeverdachten. Hij heeft verklaard dat hij heeft gezien dat een vuurwapen werd gericht op aangever, dat aangever werd bedreigd en dat zijn pinpassen werden afgenomen. De verdachte heeft achteraf een deel van het gepinde bedrag ontvangen.3

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.1.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.1.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde (diefstal met geweld en bedreiging met geweld van een bedrag van ongeveer 2.000 euro) met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het onderzoek Lyskamm, met het proces-verbaalnummer 2016306941, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1 ] (blz. 109 t/m 114);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    4 juli 2017.

Het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde

Voorafgaand aan de diefstal van 2.000 euro werden bij de aangever de pinpas, creditcard, mobiele telefoon en autosleutel weggenomen. Hoewel de aangever heeft verklaard dat zijn ING pas door hemzelf werd afgegeven, is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier is komen vast te staan dat deze pinpas, net als de overige genoemde goederen, van de aangever zijn afgenomen. Daarom kan niet worden bewezen dat deze goederen zijn afgegeven en dus afgeperst. De bij de weggenomen bankpassen behorende pincodes zijn wel door de aangever afgegeven, maar een pincode kan niet worden aangemerkt als een goed in de zin van artikel 317 Wetboek van Strafrecht.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 3 november 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde, te weten de diefstal met geweld en bedreiging met geweld van een bedrag van ongeveer 2.000 euro van [slachtoffer 1 ] . De rechtbank acht het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

3.2.1

Inleiding

Onder feit 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat aangever [slachtoffer 1 ] tijdens voornoemde gebeurtenis wederrechtelijk van de vrijheid is beroofd en beroofd gehouden. De aangever heeft daarover verklaard dat hij in een stoel in de technische ruimte moest plaatsnemen en dat een vuurwapen werd getoond en op hem gericht werd (gehouden). Daarbij werd ook gezegd dat de aangever moest blijven zitten, niet mocht bewegen, niet mocht praten en niet om hulp mocht roepen.4

De verdachte heeft deelname aan dit feit bekend.5

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.2.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.2.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het onderzoek Lyskamm, met het proces-verbaalnummer 2016306941, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1 ] (blz. 109 t/m 114);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    4 juli 2017.

Op grond van deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 3 november 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1 ] .

Ten aanzien van feit 4

3.3.1

Inleiding

Aangever [slachtoffer 2 ] heeft bij de politie verklaard dat hij via Bullchat is benaderd door een jongeman die wilde afspreken. Op 10 november 2016 sprak de aangever met deze man af bij het [adres] in Naaldwijk omstreeks 21:00 uur. De aangever kwam met zijn bedrijfsbus aan op de parkeerplaats van het [adres] , parkeerde de bus en stapte uit. Daar kwam een jongen op de aangever aflopen en zij gaven elkaar een hand. De aangever had er geen goed gevoel bij, omdat het een jonge jongen betrof. De jongen wilde samen met de aangever een sigaret roken. Toen de aangever zei dat hij dit bij de bus wilde doen, zei de jongen dat hij eerst zijn tas moest pakken. De jongen liep weg.

Toen de aangever zijn portier opende om weg te gaan, stonden er plotseling drie mannen om hem heen. Eén van de mannen droeg een ‘V for Vendetta’ masker en zei: “Geef mij je geld”. Deze persoon had een zwartkleurig pistool in zijn handen. Hij zei ook: “Ik ga je schieten”. Het pistool werd op de benen van de aangever gericht. Van de twee andere mannen begon één man aan de tas van de aangever te trekken en gaf de aangever een klap op zijn hoofd. Hij raakte de aangever met zijn vuist op de linkerkant van het hoofd. De derde man wilde de aangever beletten om in de bus te stappen. Het lukte de aangever om in te stappen en zijn tas los te trekken, waarna hij de motor van de bus kon starten. Hij pakte zijn mobiele telefoon en zei dat hij 112 ging bellen. Het portier van de bus werd door één van de mannen vastgehouden en deze man pakte de telefoon uit de handen van de aangever. De aangever reed achteruit en hoorde dat er tegen de bus werd getrapt. Doordat één van de mannen het portier vasthield, klapte het portier naar de andere kant open en raakte beschadigd.6

De verdachte heeft bekend dat hij samen met vier medeverdachten betrokken is geweest bij dit feit en dat hij op de hoogte was van de plannen om een homoseksuele man af te persen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij degene is geweest die op de aangever af liep en hem een hand heeft gegeven.7 De verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens is weggelopen.

3.3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de rol van de verdachte kan worden aangemerkt als die van een medepleger. De rol van de verdachte kan eerder worden gekwalificeerd als die van medeplichtige en was ondersteunend van aard. De verdachte heeft zich na het leggen van het eerste contact met de aangever teruggetrokken en was afwezig op het daadwerkelijke moment van diefstal.

3.3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Dat het feit heeft plaatsgevonden zoals omschreven in de aangifte en dat de verdachte daarbij op enig moment betrokken is geweest, staat niet ter discussie. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de rol van de verdachte bij dit feit kan worden aangemerkt als die van een medepleger.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Verklaring medeverdachte [medeverdachte 1 ]

Medeverdachte [medeverdachte 1 ] heeft bij de politie verklaard dat hij met [medeverdachte 5 ] , [medeverdachte 4 ] en een vriend van [medeverdachte 5 ] aan het wachten was in de bosjes bij het [adres] . [verdachte] (naar de rechtbank begrijpt: de verdachte) zou de man bij het [adres] aanspreken en meenemen. [verdachte] kreeg die man niet mee, omdat hij dure apparatuur in zijn bus had. [verdachte] kwam vervolgens naar [medeverdachte 1 ] en de anderen toe en vroeg wat zij moesten doen, omdat die man niet mee wilde komen. [medeverdachte 1 ] heeft verklaard dat zij vervolgens met zijn vijven naar die man zijn gelopen. [medeverdachte 4 ] sprak de man aan, [medeverdachte 5 ] pakte de telefoon uit de handen van de man en gaf hem een klap in zijn gezicht. Tijdens dit incident stonden [verdachte] en [medeverdachte 1 ] achter [medeverdachte 4 ] en keken wat er gebeurde. Vervolgens zijn zij met zijn allen het bos in gerend.8

Verklaring van getuige [getuige]

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 10 november 2016 in de auto zat op de parkeerplaats bij het [adres] . Hij zag een groep van vijf jongens het park in lopen en uit het zicht verdwijnen. Vervolgens kwam er een busje aanrijden, dat inparkeerde. Toen de getuige gekraak uit de richting van de bus hoorde en keek, zag hij vijf personen bij de bus staan en zag hij dat het portier van de bus was dubbelgeklapt. De getuige zag de vijf jongens tegen de bus slaan en schoppen. Eén van de jongens hield het portier vast terwijl de bus naar achteren reed. Vervolgens zag de getuige dat de vijf jongens wegrenden het park in.9

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij zich direct na de ontmoeting met de aangever heeft teruggetrokken, op grond van voorgaande verklaringen, niet geloofwaardig. Blijkens voornoemde verklaringen is de verdachte immers wel bij het gehele incident betrokken geweest.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rol van de verdachte bij het onder 4 ten laste gelegde feit kan naar het oordeel van de rechtbank dus worden aangemerkt als die van een medepleger.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 10 november 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld en bedreiging met geweld van de telefoon van [slachtoffer 2 ] .

Ten aanzien van feit 5

3.4.1

Inleiding

Aangever [slachtoffer 3 ] heeft bij de politie verklaard dat hij op 28 november 2016 in zijn auto (Volvo C30, [kenteken] ) op de [adres] in Naaldwijk reed. Hij zag een aantal jongens vanaf rechts de straat over steken, zij kwamen uit het parkje. De jongens liepen naar de aangever en de aangever opende het raam aan de bestuurderskant. Meteen werd door één van de jongens gedreigd met een pistool. De jongens wilden geld. Toen de aangever zei dat hij geen geld had, werd door een jongen gezegd: “Creditcards”. Terwijl hij dit zei drukte de jongen het pistool tegen de linkerschouder van de aangever aan. De aangever opende zijn deur om de jongen weg te duwen. Vervolgens werd de aangever kwaad en is hij uitgestapt. Hij zei: “Sodemieter op man, ik heb geen geld”. De aangever liep met de jongen met het pistool de stoep op. Er stonden nog twee jongens in de buurt en zij stapten alle drie achteruit de stoep op. Vervolgens sprong er één jongen in de auto. De aangever hoorde de motor. Toen hij zich omdraaide, zag hij de jongen wegscheuren. Vervolgens renden de andere drie jongens weg.10

De verdachte heeft bekend dat hij samen met een aantal medeverdachten betrokken is geweest bij dit feit en dat hij op de hoogte was van de plannen om een homoseksuele man af te persen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij degene is geweest die de aangever heeft ontmoet en meegelokt11 en dat hij vervolgens is weggegaan en de jongens die avond niet meer heeft gezien.

3.4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de rol van de verdachte kan worden aangemerkt als die van een medepleger. De rol van de verdachte kan eerder worden gekwalificeerd als die van medeplichtige en was ondersteunend van aard. De verdachte heeft zich na het leggen van het eerste contact met de aangever teruggetrokken en was afwezig op het daadwerkelijke moment van diefstal.

3.4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Dat het feit heeft plaatsgevonden zoals omschreven in de tenlastelegging en dat de verdachte daarbij op enig moment betrokken is geweest, staat niet ter discussie. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de rol van de verdachte bij dit feit kan worden aangemerkt als die van een medepleger.

De rechtbank stelt, net als bij feit 4, voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Aangifte [slachtoffer 3 ]

Aangever [slachtoffer 3 ] heeft verklaard dat, op het moment dat één van de jongens wegscheurde in zijn auto, de andere drie jongens wegrenden.12

Verklaring medeverdachte [medeverdachte 1 ]

Medeverdachte [medeverdachte 1 ] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte] de man zou lokken. Vervolgens heeft [medeverdachte 1 ] verklaard hoe de overval heeft plaatsgevonden en dat hij, nadat hij de auto van de aangever had geparkeerd, de andere jongens weer heeft getroffen bij een speeltuintje, waar zij een discussie kregen over het wegrijden van de auto. Hij en [medeverdachte 5 ] gingen daarna naar het huis van [medeverdachte 2 ] . [medeverdachte 4 ] en [verdachte] gingen met de bus naar huis toe.13

Verklaring medeverdachte [medeverdachte 4 ]

Medeverdachte [medeverdachte 4 ] heeft bij de politie verklaard dat één van de jongens de man lokte. Vervolgens heeft [medeverdachte 4 ] verklaard hoe de overval heeft plaatsgevonden, dat hij met een jongen wegrende en dat hij samen met de jongen met wie hij was met de bus naar huis is gegaan.14

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij zich direct na de ontmoeting met de aangever en het lokken van de aangever heeft teruggetrokken, op grond van voorgaande verklaringen, niet geloofwaardig. Blijkens voornoemde verklaringen is de verdachte immers wel bij het gehele incident betrokken geweest en is hij na het incident met [medeverdachte 4 ] met de bus naar huis gegaan.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rol van de verdachte bij het onder 4 ten laste gelegde feit kan naar het oordeel van de rechtbank dus worden aangemerkt als die van een medepleger.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 28 november 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met bedreiging met geweld van de auto van [slachtoffer 3 ] .

Ten aanzien van feit 3

3.5.1

Inleiding

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij samen met medeverdachten [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 2 ] , [medeverdachte 3 ] , [medeverdachte 4 ] , [medeverdachte 5 ] , [medeverdachte 6 ] en/of [medeverdachte 7 ] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en dat deze organisatie tot oogmerk zou hebben het plegen van misdrijven, te weten diefstal met geweld, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.

3.5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.5.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.5.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in de onderhavige zaak sprake was van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht.

Volgens de Hoge Raad15 kan van een organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht worden gesproken indien sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid en bestendigheid is een zeker tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing.

De rechtbank is er niet van overtuigd geraakt dat een dergelijk samenwerkingsverband bestond. De verdachten hebben in korte tijd (ongeveer drie weken) drie overvallen gepleegd. Zij kenden elkaar uit het Westland en waren deels bevriend met elkaar. Erg bestendig was de samenwerking tussen de verdachten echter niet: van meet af aan is sprake geweest van wijzigingen in de samenstelling. Na drie weken werden reeds grote scheuren zichtbaar in het samenwerkingsverband. Medeverdachte [medeverdachte 1 ] werd door de medeverdachten verweten dat hij dacht dat hij de baas was en dat hij stomme dingen deed waardoor iedereen gepakt zou gaan worden. De medeverdachten [medeverdachte 4 ] en [medeverdachte 3 ] bespraken dat zij een nieuwe groep wilden starten om samen verder te gaan met het plegen van strafbare feiten. Tegelijkertijd zocht medeverdachte [medeverdachte 1 ] contact met personen buiten de oorspronkelijk groep om zich bij hen aan te sluiten. Hoewel volgens vaste jurisprudentie niet vereist is dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is, is duidelijk dat (de kern van) het oorspronkelijke samenwerkingsverband na het feit van 28 november 2016 uit elkaar viel. Uit taps en berichtjes die zich in het dossier bevinden, blijkt dat er daarna door de medeverdachten nog is gesproken over het plegen van nieuwe overvallen, maar deze hebben – zover uit het dossier blijkt – niet plaatsgevonden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door het ingrijpen van de politie bij een relatief korte periode is gebleven. Echter is het, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank maar de vraag of de verdachte door zou zijn gegaan met het plegen van overvallen. Hier kan in ieder geval geen oordeel over gegeven worden.

Daarnaast was er weliswaar sprake van een zekere structuur binnen de opzet van de overvallen. Uit het dossier blijkt dat medeverdachten [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 4 ] het voortouw namen bij het maken van plannen om oudere, homoseksuele mannen af te persen. De verdachte en andere medeverdachten sloten zich, toen zij van deze plannen hoorden, hierbij aan. Vervolgens werd er een zekere rolverdeling gemaakt tussen de verdachten. Naar het oordeel van de rechtbank was er echter geen sprake van een zeer gestructureerd verband. De rechtbank leidt dat onder andere af uit hetgeen hiervoor is vermeld over de scheuren die ontstonden. Voorts lijkt bij de uitvoering van de overvallen, met uitzondering van die van 3 november 2016, nauwelijks sprake van planning en werd de loop van de delicten steeds grotendeels bepaald door onvoorziene omstandigheden en impulsieve reacties daarop. Dit past naar het oordeel van de rechtbank bij de leeftijd en ontwikkeling van de jonge verdachten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht niet kan worden bewezen, nu de samenwerking tussen de verdachten onvoldoende duurzaam en bestendig was in combinatie met het feit dat deze niet zeer gestructureerd was.

De verdachte zal derhalve van het onder 3 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

3.6

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 2000 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1 ] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1 ] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer 1 ] heeft/hebben gericht en

- daarbij dreigend om geld en creditcards hebben gevraagd en

- de kleding van die [slachtoffer 1 ] hebben doorzocht en

- een mobiele telefoon en bankpassen en een creditcard en de autosleutels van die [slachtoffer 1 ] hebben afgenomen en daarbij die [slachtoffer 1 ] hebben gevraagd om de bijbehorende pincodes;

2.

hij op 3 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1 ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en diens mededaders met dat opzet die [slachtoffer 1 ] naar een kraakpand gelokt en vervolgens die [slachtoffer 1 ] op een stoel laten plaatsnemen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1 ] gericht (gehouden), en daarbij de woorden toegevoegd dat hij moest blijven zitten en niet mocht bewegen en niet mocht praten en niet om hulp mocht roepen;

4.

hij op 10 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Apple, type iPhone 6), toebehorende aan [slachtoffer 2 ] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2 ] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld/of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer 2 ] heeft gericht en

- dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je schieten. Geef me je geld" en

- vervolgens (met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer 2 ] heeft geslagen en

- vervolgens onverhoeds die telefoon uit de hand van die [slachtoffer 2 ] heeft getrokken en

- vervolgens meermalen tegen de bestelauto van die [slachtoffer 2 ] te trappen;

5.

hij op 28 november 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Volvo, type C30, [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 3 ] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3 ] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat zijn mededader(s)

- een op een vuurwapen gelijkende voorwerp tegen de linkerschouder van die [slachtoffer 3 ] heeft gedrukt en

- dreigend om geld en creditcards heeft/hebben gevraagd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) en dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat, indien de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie oplegt die de duur van het voorarrest van de verdachte overstijgt, de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van de dag van de uitspraak.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het belang van de verdachte. De verdachte is jong en niet eerder met politie en/of justitie in aanraking gekomen. De verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten laten overhalen en zijn rol was aanzienlijk anders dan die van de medeverdachten.

De raadsman heeft bepleit dat bij de strafoplegging aansluiting wordt gezocht bij de adviezen van de deskundigen en de Raad. Dit houdt in dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest en dat een voorwaardelijke straf volgt onder de geadviseerde voorwaarden. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de periode van elektronische controle moet worden meegenomen in de beoordeling, omdat deze maatregel als vrijheidsbenemend moet worden beschouwd. Het is van belang dat de verdachte aan de slag kan gaan om een zinvolle dagbesteding en goede contacten te krijgen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan brute overvallen op homoseksuele mannen. Binnen een vriendengroep ontstonden plannen om oudere, homoseksuele mannen via een chatsite te benaderen voor een afspraak om seks te hebben met een 17-jarige jongen en deze mannen vervolgens af te persen. Aan deze mannen werd voorgehouden dat het een jongen betrof die ervaring wilde opdoen met het ‘uit de kast komen’. Bij de plannen raakten steeds meer mensen betrokken en uiteindelijk is ook driemaal uitvoering gegeven aan de plannen.

Allereerst is op 3 november 2016 een slachtoffer in de val gelokt en meegenomen naar een kraakpand, waar hij in een kleine technische ruimte op een stoel moest plaatsnemen, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hem gericht werd, zijn eigendommen van hem werden afgepakt en hij onder dwang zijn pincode moest afgeven. Daarbij waren de verdachte en vier mededaders betrokken. De verdachte heeft tijdens de overval het op een vuurwapen gelijkende voorwerp vastgehouden.

Nadat de buit binnen was, namelijk een gepind geldbedrag van € 2.000,--, kreeg het slachtoffer zijn goederen terug en mocht hij gaan. De verdachte heeft een deel van de buit gekregen.

Vervolgens is op 10 november 2016 een slachtoffer onder valse voorwendselen naar een afgesproken plek gekomen, waar hij werd overvallen door een groep van vijf jongens met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een masker. Hem werd om geld gevraagd en hij kreeg een klap tegen zijn hoofd toen hij dit niet wilde geven. Uiteindelijk is zijn telefoon uit zijn handen getrokken en hebben de verdachte en de medeverdachten de bedrijfsbus van het slachtoffer beschadigd. Dit alles heeft zich afgespeeld op een parkeerplaats, terwijl zich in het dossier aanknopingspunten bevinden waaruit kan worden afgeleid dat het de bedoeling was de man mee te lokken naar het bos. De verdachte was degene die het eerste contact maakte met het slachtoffer en hem vroeg mee te lopen. Ook is hij tijdens de overval aanwezig geweest. Het slachtoffer heeft in eerste instantie bij de politie niet durven verklaren dat hij had afgesproken met iemand via de datingsite Bullchat, maar heeft hier in een latere verklaring openheid van zaken over gegeven.

Op 28 november 2016 werd opnieuw een man het slachtoffer van een overval door – ditmaal - vier jongens, waaronder de verdachte. Daarbij werd aan het slachtoffer een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en tegen zijn schouder gedrukt en werden geld en creditcards geëist. Ondertussen werd de auto van het slachtoffer weggenomen door een medeverdachte, waarna de verdachte en andere medeverdachten zijn gevlucht. Uit het dossier is gebleken dat ook dit slachtoffer een afspraak met één van de verdachten had gemaakt via Bullchat. De verdachte was degene die het eerste contact met het slachtoffer maakte. Ook is hij tijdens de overval aanwezig geweest.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich specifiek gericht op oudere, homoseksuele mannen die interesse toonden in minderjarige jongens, omdat de bereidheid om aangifte te doen bij hen laag zou zijn. Oftewel, de verdachte en zijn mededaders zouden ermee kunnen wegkomen. Daarbij is ook nog door een aantal verdachten tijdens de verhoren bij de politie opgemerkt dat de daden enigszins gerechtvaardigd waren omdat zij te maken hadden met – in hun ogen – pedoseksuele mannen. De rechtbank is geschrokken van dit misplaatste excuus voor de daden van de verdachte en zijn medeverdachten, die feitelijk waren ingegeven door het idee dat zij veel geld zouden kunnen maken met weinig inspanning en weinig risico om gepakt te worden.

De rechtbank acht het zeer verontrustend dat een groepje minderjarige jongens zonder noemenswaardig strafblad zich binnen een paar weken tijd schuldig heeft gemaakt aan dergelijke heftige feiten. Het schijnbare gemak waarmee deze feiten werden bedacht en uitgevoerd, de bereidwilligheid van de deelnemers en de wijze waarop zij – blijkens de taps en berichtjes onderling in het dossier – over de feiten, ook na het plegen ervan, spraken is schokkend te noemen.

Eén van de slachtoffers is bovendien wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en gedurende een uur beroofd gehouden. Hij mocht niet praten, niet bewegen, moest stil zijn en mocht niet op hulp vragen of roepen. Daarbij werd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan hem getoond of op hem gericht.

Dit zijn zeer ernstige feiten. De verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke bewegingsvrijheid van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten veelal langdurig de psychisch nadelige gevolgen van het gebeurde ondervinden.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1 ] blijkt dat het slachtoffer zeer angstig is geweest dat het vuurwapen af zou gaan. Uit het slachtoffergesprek dat hij heeft gehad met de officier van justitie blijkt ook dat hij heeft gevreesd en gebeden voor zijn leven. De zucht naar geld heeft ertoe geleid dat de verdachte slechts oog heeft gehad voor zijn financiële gewin en geen enkel respect heeft getoond voor de slachtoffers en hun eigendommen.

Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Documentatie

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie is de verdachte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Rapportages

De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitiarapportages van het psychiatrisch onderzoek d.d. 28 maart 2017 ondertekend door drs. [naam] , kinder- en jeugdpsychiater en van het psychologisch-pedagogisch onderzoek d.d. 3 april 2017 door drs. [naam] , kinder- en jeugdpsycholoog.

De kinder- en jeugdpsychiater heeft onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven, gerapporteerd:

Bij de verdachte is geen sprake van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Hier was ook geen sprake van ten tijde van het ten laste gelegde. Wel lijkt zijn persoonlijkheidsontwikkeling bedreigd. Het algemeen recidiverisico wordt als matig ingeschat. Omdat de verdachte de ten laste gelegde feiten ten tijde van het onderzoek heeft ontkend, kon door de rapporteur geen delictscenario worden gemaakt en kon het risico niet klinisch gewogen en geïntegreerd worden. Risicofactoren liggen vooral op het gebied van school, vrijetijdsbesteding en toezicht en steun door volwassenen. Mogelijk beschermende factoren zijn dat verdachte sociaal competent is, redelijke copingvaardigheden en zelfcontrole heeft en een relatie heeft.

Het stimuleren en ondersteunen van een goede schoolgang is van belang, evenals een goede vrijetijdsbesteding, adequaat toezicht en het stimuleren van omgang met en steun door prosociale volwassenen. Deze begeleiding kan worden geboden binnen de maatregel toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering. Ook ITB Harde Kern zou een mogelijkheid kunnen zijn, als de verdachte aan de voorwaarden voldoet.

De kinder- en jeugdpsycholoog heeft onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven, gerapporteerd:

Bij de verdachte is geen sprake van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Wel is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Het is niet duidelijk of deze bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling de gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde heeft beïnvloed, omdat de verdachte het ten laste gelegde ten tijde van het onderzoek heeft ontkend. Het risico op gewelddadig, ongeoorloofd of ongewenst gedrag wordt matig ingeschat. Door de ontkennende houding van de verdachte kon geen delictscenario worden gemaakt en kon het risico niet klinisch worden beoordeeld. Beschermende factoren zijn de veerkracht en zelfstandigheid van de verdachte, de relatie met zijn vriendin en de rol en steun van zijn moeder. De verdachte is gericht op het behalen van een diploma.

Begeleiding door de jeugdreclassering is geïndiceerd. Het is wenselijk dat iemand de verdachte sturing biedt in de ontwikkeling naar volwassenheid.

Voorts is van belang dat de verdachte zijn school succesvol kan afronden en dat er aandacht is voor vrijetijdsbesteding en vriendenkeus.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 26 juni 2017, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

De Raad heeft overeenkomstig de deskundigen geconcludeerd. Mochten de feiten bewezen worden verklaard, dan is een gedegen delictanalyse noodzakelijk om meer zicht te krijgen op de mogelijke motieven van verdachte aangaande het delictgedrag en de implicaties daarvan voor zijn algeheel functioneren. Dat de verdachte de delicten langere tijd heeft ontkend, doet vragen en zorgen oproepen aangaande de attitude van de verdachte. De jeugdreclassering kan naar aanleiding van de delictanalyse overwegen om aanvullende hulp in te zetten.

De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met daaraan gekoppeld de maatregel van toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering en het volgen van onderwijs. De Raad heeft geadviseerd te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De jeugdreclassering kan de verdachte voor langere duur begeleiden in het kader van de risicofactoren. Een ITB Harde Kern maatregel is niet passend en geboden, omdat de verdachte first-offender is en hij in staat is gebleken zich aan de schorsingsvoorwaarden te houden.

Indien de rechtbank meent dat naast de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd nog een onvoorwaardelijk strafdeel moet volgen, heeft de Raad geadviseerd een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapportages en zal de gegeven adviezen opvolgen.

Jeugddetentie

De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel zonder meer een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie. Rekening houdend met de oriëntatiepunten van het LOVS ligt deze echter lager dan door de officier van justitie is geëist. Voorts komt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, tot een vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde. Daarnaast acht de rechtbank het niet in het belang van de verdachte en de maatschappij dat hij terug wordt gestuurd naar een justitiële jeugdinrichting. Daarom zal een onvoorwaardelijke jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van de reeds door de verdachte doorgebrachte tijd in verzekering en voorlopige hechtenis. De rechtbank ziet daarnaast ook aanleiding een forse voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daaraan zullen de door de Raad geadviseerde (bijzondere) voorwaarden worden verbonden.

De rechtbank acht het voorts van belang om de bij de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde avondklok vanaf 19:00 uur en het locatieverbod en daaraan verbonden elektronische controle nog te laten voortduren voor de duur van drie maanden. Deze avondklok en dit locatieverbod en de daaraan verbonden elektronische controle bieden structuur en duidelijkheid, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank voor de komende maanden in ieder geval noodzakelijk is. De rechtbank overweegt ten aanzien van de elektronische controle nog dat dit als vrijheidsbeperking en niet – zoals door de raadsman is bepleit – als vrijheidsbeneming moet worden aangemerkt.

Werkstraf

De rechtbank is voorts van oordeel dat, naast voornoemde deels onvoorwaardelijke jeugddetentie, een forse werkstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gebleken is dat de feiten in een kort tijdsbestek zijn gepleegd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het recidiverisico verhoogd moet worden ingeschat.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de hierna te stellen (bijzondere) voorwaarden en het uit te oefenen toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

De heer [slachtoffer 1 ] heeft zich ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.500,--, bestaande uit een bedrag van € 2.000,-- materiële schade en een bedrag van € 1.500,-- immateriële schade.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor zover het betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente en tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.500,--, subsidiair 30 dagen jeugddetentie ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 1 ] .

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De vordering is niet voldoende onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het gevorderde bedrag tot immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, afwijzen. Gebleken is dat de met de creditcard gepinde bedragen, te weten tweemaal
€ 1.000,--, door de creditcardmaatschappij aan de benadeelde partij zijn terugbetaald. De benadeelde partij heeft dus geen materiële schade meer.

Immateriële schade

De rechtbank acht de vordering tot immateriële schadevergoeding voor het totale bedrag van € 1.500,--, als vergoeding van de immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar, gelet op de ernst van de feiten en aangezien is gebleken dat de benadeelde partij tijdens de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten doodsangsten heeft uitgestaan en heeft gebeden voor zijn leven.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 1.500,--.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 3 november 2016 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1 ] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. feit 1:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

t.a.v. feit 2:

medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

t.a.v. feit 4:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

t.a.v. feit 5:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 300 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie groot 185 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich vóór 28 juli 2017 zal melden bij Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, afdeling jeugdreclassering, en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de jeugdreclassering noodzakelijk acht;

- zich tot uiterlijk 21 oktober 2017 houdt aan de avondklok van 19:00 uur tot 6:00 uur en het locatieverbod – inhoudende dat de veroordeelde zich niet op of in de directe omgeving van Naaldwijk mag bevinden, uitgezonderd de momenten dat hij naar school gaat – waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;

- onderwijs volgt of een andere zinvolle, door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, afdeling jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 60 DAGEN;

met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1 ] hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 1.500,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1 ] ;

bepaalt dat indien volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;


heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.B. Wijnholt, kinderrechter, voorzitter,

mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter,

en mr. S.M. Borkent, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier betreffende het onderzoek Lyskamm (DH5R016034), met het proces-verbaalnummer 2016306941, blz. 1 t/m 2119.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1 ] d.d. 4 november 2016, blz. 109 t/m 114.

3 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 juli 2017.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1 ] d.d. 4 november 2016, blz. 109 t/m 114.

5 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 juli 2017.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2 ] d.d. 10 november 2016, blz. 129 t/m 133 en proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2 ] d.d. 17 november 2016, blz. 134 t/m 142.

7 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 juli 2017.

8 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1 ] d.d. 6 februari 2017, blz. 1418.

9 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 29 december 2016, blz. 1026 en 1027.

10 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3 ] d.d. 28 november 2016, blz. 198 t/m 203.

11 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 juli 2017.

12 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3 ] d.d. 28 november 2016, blz. 199.

13 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1 ] d.d. 6 februari 2017, blz. 1420.

14 Proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte 4 ] d.d. 6 februari 2017, blz. 1500.

15 HR 22 januari 2008, NJ 2008/72.