Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8220

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
09/827163-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de behandeling van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van 2 jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/827163-17

09/817366-17 (tul)

09/819354-15 (tul)

05/840051-15 (tul)

Datum uitspraak: 22 juni 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1953 te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland),

BRP-adres: [adres 1] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [P.I.] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 juni 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. H. Weisfelt, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht. Verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht om ter terechtzitting aanwezig te zijn.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 maart 2017 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie blikjes bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan JUMBO Supermarkten en/of Jumbo [slachtoffer] (filiaal [adres 2] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 maart 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen drie blikjes bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan JUMBO Supermarkten en/of Jumbo [slachtoffer] (filiaal [adres 2] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met deze blikjes bier de kassa's was gepasseerd en/of (vervolgens) (nadat hij had gezien/bemerkt dat hij was gezien) zich direct daarna heeft omgedraaid en weer langs de kassa's de winkel was binnen gelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van een voltooid delict en dat verdachte vrijwillig is terug getreden van zijn eerdere intentie om de blikjes bier weg te nemen.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van winkeldiefstal, gepleegd op 14 maart 2017 bij een filiaal van Jumbo, gevestigd aan de [adres 2] te Den Haag. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij een man – naar later bleek: verdachte – een aantal blikken bier zag pakken. De man deed de blikken bier vanuit zijn mandje in de binnenzak van zijn jas.2

Verbalisant [verbalisant] heeft camerabeelden van voornoemd filiaal van Jumbo van 14 maart 2017 bekeken. [verbalisant] ziet op de beelden een man die zij herkent als verdachte. Zij ziet dat hij een blikje bier uit zijn mandje pakt en onder zijn jas stopt. Tijdens het lopen maakt hij een beweging alsof hij iets onder zijn jas stopt.3

De rechtbank is – anders dan de verdediging – van oordeel dat sprake is van een voltooide diefstal en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft in een supermarkt in eerste instantie een aantal blikjes bier in een winkelmandje gelegd en deze later onder zijn jas gestopt. De wederrechtelijke toe-eigening is met deze handeling reeds voltooid, omdat verdachte zich een zodanige feitelijke heerschappij over het goed heeft verschaft door de blikjes onder zijn jas te verstoppen dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden (HR 22 maart 2011, LJN BP2627). Van een vrijwillige terugtred kan daarom geen sprake meer zijn, zodat dat verweer van de verdediging wordt gepasseerd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op 14 maart 2017 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen blikjes bier, toebehorende aan JUMBO Supermarkten (filiaal [adres 2] ).

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: diefstal.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) moet worden opgelegd voor de duur van 2 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel bepleit, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende zes maanden zal verblijven bij de Hoenderloo Groep. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering te brengen op een eventueel onvoorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een ergerlijk feit dat de maatschappij veel schade en overlast bezorgt.

Het is bovendien niet de eerste keer dat verdachte strafbare feiten begaat. Verdachte heeft volgens het uittreksel Justitiële Documentatie van 16 maart 2017 een omvangrijk strafblad van 34 pagina’s. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan het nu door hem begane misdrijf ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Deze veroordelingen betreffen onder meer de volgende:

  • -

    een veroordeling van de politierechter te Den Haag van 9 december 2016 wegens diefstal tot 2 weken gevangenisstraf;

  • -

    een veroordeling van de politierechter te Arnhem van 29 januari 2015 wegens diefstal tot 30 dagen gevangenisstraf, waarvan 14 dagen voorwaardelijke met een proeftijd van 3 jaren en;

  • -

    een veroordeling van de politierechter te Den Haag van 1 oktober 2015 wegens diefstal tot 3 weken gevangenisstraf, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Deze straffen zijn ten uitvoer gelegd voorafgaand aan het plegen van de in deze zaak ten laste gelegde strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van een met redenen omkleed rapport over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel ten aanzien van de verdachte, van 16 mei 2017, opgemaakt en ondertekend door K.R. de Bruijn en N. van der Wal (GGZ Reclassering Palier). Daarin wordt geadviseerd om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. In het rapport wordt beschreven dat verdachte op 20-jarige leeftijd in aanraking kwam met alcohol en verdovende middelen en dat hij meerdere keren is behandeld voor zijn verslavingsproblematiek. Hij is wegens alcoholgebruik ontslagen, waarna hij afhankelijk raakte van alcohol. Er is sprake van langdurige verslavingsproblematiek, wat in relatie staat tot zijn delictgedrag. Verdachte pleegt vermogensdelicten om in zijn gebruik te kunnen voorzien. Ook is verdachte gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende trekken. Uit hersenorganisch onderzoek dat in 2016 plaatsvond, is gebleken dat er bij verdachte sprake is van cognitieve schade als gevolg van overmatig alcoholgebruik.

Uit het rapport volgt verder dat verdachte sinds 2000 in beeld is bij de reclassering in verband met diverse reclasseringstrajecten en ambulante en klinische behandelingen. Hij hield zich over het algemeen aan afspraken, maar recidiveerde meermalen en had de neiging tot misbruik van middelen. Ook onttrok hij zich enkele keren aan diagnostische en detoxificatieopnames. Eind 2015 werd een Rechterlijke Machtiging (RM) uitgesproken omdat het alcoholgebruik van verdachte tot ernstige gezondheidsproblemen leidde. Deze RM is eind 2016 niet verlengd, omdat verdachte direct na opnames terugviel in alcoholgebruik en niet wilde stoppen met het gebruik van alcohol. Bij momenten is verdachte van mening geweest dat hij geen alcoholprobleem had en weet hij zijn problemen aan medicatiegebruik. Hij denkt dat het bijwonen van AA-bijeenkomsten afdoende is om zijn alcoholgebruik te reduceren en niet meer met justitie in aanraking te komen.

De reclassering constateert dat verdachte niet leerbaar en gemotiveerd is tot gedragsverandering, waardoor een ambulant kader niet haalbaar wordt geacht. De kans op recidive en onttrekking wordt door de houding en verslavingsproblematiek van verdachte als hoog ingeschat. Een langdurig klinisch traject in de zin van de ISD-maatregel is geïndiceerd om het alcoholgebruik te reduceren, de leefsituatie van verdachte te stabiliseren en de kans op recidive te verkleinen.

De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Immers, verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verder dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel.

De rechtbank is tot slot niet gebleken van redenen om deze maatregel niet op te leggen. Een voorwaardelijke ISD-maatregel – zoals door de verdediging bepleit – acht de rechtbank niet afdoende om de kans op recidive te verkleinen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. De rechtbank zal de officier van justitie daarom volgen in haar vordering, omdat er geen andere reële mogelijkheden zijn om te komen tot gedragsverandering bij verdachte.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de behandeling van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van 2 jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

7 De vorderingen tot tenuitvoerlegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – als een ISD-maatregel wordt opgelegd – de vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 09/827366-17, 09/819354-15 en 05/840051-15) moeten worden afgewezen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht – als een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd – de vorderingen tot tenuitvoerlegging toe te wijzen, om te zetten naar een taakstraf en het aantal uren op nul te bepalen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijk opgelegde straffen afwijzen, nu aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, aan verdachte opgelegd bij vonnis van de politierechter te Den Haag van 22 februari 2017 met parketnummer 09/817366-17;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, aan verdachte opgelegd bij vonnis van de politierechter te Den Haag van 1 oktober 2015 met parketnummer 09/819354-15;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, aan verdachte opgelegd bij vonnis van de politierechter te Arnhem van 29 januari 2015 met parketnummer 05/840051-15.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. N.F.H. van Eijk, rechter,

mr. A.P. Sno, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juni 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017070997, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 17).

2 Een geschrift, te weten een landelijk aangifteformulier winkeldiefstal, p. 2.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 9.