Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8214

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
NL17.3436
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag, documenten, verwijtbaarheidstoets, authenticiteit, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3436


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Post).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 juni 2017 (het bestreden besluit).


Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3437, plaatsgevonden op 13 juli 2017.Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 30 januari 2016 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 7 september 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 5 oktober 2016 (AWB 16/20237) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 november 2016 (201607574/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarmee is in rechte vast komen te staan dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is.

  2. Op 19 april 2017 heeft eiser een opvolgende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft hij een originele en door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gelegaliseerde verklaring van het Ministerie van Binnenlandse Zaken overgelegd. Het document is volgens eiser afgegeven en gelegaliseerd op 1 februari 2017. Het betreft een vertaling in het Engels van het proces-verbaal van het onderzoek dat is verricht door de politie naar aanleiding van het incident op 4 december 2013 waarover eiser in zijn eerste asielprocedure heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat zijn broer dit document in 2017 bij de politie in Afghanistan heeft opgevraagd. Bij de zienswijze heeft eiser ook een kopie van het originele proces-verbaal en een Nederlandse vertaling overgelegd.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Tevens is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 24 april 2017 blijkt dat er wegens het ontbreken van vergelijkingsmateriaal geen oordeel gegeven kan worden over de echtheid van het document. Voorts kan niet worden vastgesteld of het document door een daartoe bevoegde instantie is opgemaakt of afgegeven en kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Nu de authenticiteit van het document niet kan worden vastgesteld, stelt verweerder zich op het standpunt dat het document niet kan worden aangemerkt als nieuw element. Voorts overweegt verweerder dat niet valt in te zien dat eiser het document niet eerder had kunnen overleggen. Tot slot stelt verweerder dat het ongerijmd is dat eiser tijdens zijn eerste procedure heeft verklaard dat er in Afghanistan geen bewijs van aangifte wordt gegeven, maar nu wel een dergelijk bewijs heeft overgelegd.

  4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het document niet in de vorige procedure had kunnen overleggen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder ten onrechte een verwijtbaarheidstoets hanteert bij opvolgende asielaanvragen. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:6088) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 7 april 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:3998). Deze laatste uitspraak is door de Afdeling bevestigd bij uitspraak van 26 september 2016 (201602702/1). Nu eiser niet heeft verklaard waarom hij het document niet eerder heeft overgelegd, heeft verweerder reeds hierom de aanvraag niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

  6. De rechtbank stelt met eiser vast dat de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 24 april 2017 pas met het voornemen op 15 juni 2017 aan eiser is toegezonden, zodat er geen mogelijkheid meer voor hem bestond om in de bestuurlijke fase een contra-expertise op te starten. Gelet op wat hiervoor onder 5 is overwogen, ziet de rechtbank echter geen aanleiding om het onderzoek aan te houden om eiser in de gelegenheid te stellen alsnog een contra-expertise op te vragen.

  7. Ten aanzien van het inreisverbod heeft eiser in beroep volstaan met een verwijzing naar de zienswijze. Nu verweerder daar in het bestreden besluit gemotiveerd op heeft gereageerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.