Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8152

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
NL17.3467
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser naar het oordeel van verweerder geen nieuwe elementen en bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hiertoe overweegt verweerder, kort samengevat, dat reeds in de vorige asielprocedure in rechte is komen vast te staan dat de gestelde vrees voor daadwerkelijke mobilisatie niet aannemelijk is gemaakt en dat de thans overgelegde stukken aan deze conclusie niet af kunnen doen nu de authenticiteit van deze stukken door eiser niet is aangetoond en er voorts onvoldoende referentiemateriaal voorhanden is om de authenticiteit vast te kunnen stellen. Voorts is verweerder van oordeel dat er nog steeds geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3467


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. Y. Tamer),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler).


Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3468, plaatsgevonden op 6 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is Burger van Oekraïne. Hij is geboren op [geboortedatum] 1975.

Eiser heeft al eerder, op 20 november 2002, een asielaanvraag ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn homoseksualiteit. Bij besluit van 23 november 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 december 2002 (AWB 02/88306 en AWB 02/88308) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep gegrond verklaard. Bij besluit van 15 juli 2003 heeft verweerder de aanvraag wederom afgewezen. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 25 februari 2005 (AWB 03/43795) heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 mei 2005 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Op 6 november 2005 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 14 november 2006 heeft verweerder onder verwijzing naar het besluit van 15 juli 2003 de aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van 11 januari 2008 (AWB 06/60799) heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 maart 2008 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Op 17 september 2015 heeft eiser wederom een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat er in de Oekraïne oorlogshandelingen plaatsvinden en dat hij om die reden is opgeroepen voor mobilisatie. Ter onderbouwing heeft hij twee oproepen om zich te melden bij het recruteringsbureau overgelegd. Deze aanvraag is bij beschikking van 21 september 2015 afgewezen. Bij uitspraak van 19 november 2015 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, is het hiertegen ingediende beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen hiervan geheel in stand blijven (AWB 15/17177). Hierbij heeft de rechtbank geconcludeerd, kort samengevat en voor zover van belang, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de oproep daadwerkelijk zal worden gemobiliseerd en dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens het niet melden als deserteur zal worden aangemerkt en hem om die reden een onevenredige bestraffing te wachten staat. Bij uitspraak van 24 december 2015 heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd.

2. Eiser heeft in onderhavige procedure, kort samengevat, de volgende nieuwe elementen aangevoerd:

- eiser heeft een dagvaarding, gedateerd op 4 maart 2016, ontvangen. Hierin staat dat eiser op 28 maart 2016 bij de regio rechtbank te Ternopil moet verschijnen omdat hij zich niet had gemeld bij het recruteringsbureau, ondanks daartoe te zijn opgeroepen;

- eiser heeft een origineel vonnis ontvangen van de rechtbank Ternopil, van 13 september 2016, waaruit blijkt dat hij wegens het ontduiken van een oproep voor militaire dienst veroordeeld is tot drie jaar gevangenisstraf in een strafkolonie met een zwaar regime.

Eiser is ook van mening dat hij thans, anders dan in de vorige procedure, aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar de Oekraïne een reëel risico te lopen op vervolging dan wel schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wegens dienstplichtontduiking. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat hij met de overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk ingezet zal worden als reservist in oost Oekraïne en daar gedwongen zal worden oorlogsmisdaden te plegen tegen de burgerbevolking aldaar. Nu eiser daartegen gewetensbezwaren heeft en zich om die reden niet heeft gemeld, terwijl hier een gevangenisstraf op staat, heeft verweerder ten onrechte niet aan het toepasselijke beleid getoetst. Tot slot stelt eiser een reëel risico te lopen op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn nu hij als reservist ingezet zal worden in een conflictgebied.

3. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser naar het oordeel van verweerder geen nieuwe elementen en bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hiertoe overweegt verweerder, kort samengevat, dat reeds in de vorige asielprocedure in rechte is komen vast te staan dat de gestelde vrees voor daadwerkelijke mobilisatie niet aannemelijk is gemaakt en dat de thans overgelegde stukken aan deze conclusie niet af kunnen doen nu de authenticiteit van deze stukken door eiser niet is aangetoond en er voorts onvoldoende referentiemateriaal voorhanden is om de authenticiteit vast te kunnen stellen. Voorts is verweerder van oordeel dat er nog steeds geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

4. Eiser is het in beroep oneens met de afwijzing en met name de waarde die verweerder aan de overgelegde documenten wenst te geven. Volgens eiser had verweerder hem eerder op de hoogte moeten stellen van de uitkomsten van het onderzoek van bureau documenten, zodat eiser de tijd had gehad om een contra-expertise op te laten stellen. Nu eiser pas in het voornemen, respectievelijk het bestreden besluit op de hoogte is gesteld van het onderzoek van bureau documenten en hij aldus niet de mogelijkheid heeft gekregen om een contra-expertise in te dienen is hij in zijn verdedigingsbelangen geschaad en is het besluit in strijd met artikel 6 en artikel 13 van het EVRM tot stand gekomen.

5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) volgt dat er voor de bestuursrechter in vreemdelingenzaken geen ruimte meer bestaat om ambtshalve het ne bis-beoordelingskader toe te passen en dient de bestuursrechter elk besluit op een opvolgende aanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Nu verweerder de opvolgende asielaanvraag met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet de bestuursrechter toetsen of verweerder dat in het licht van zijn beleid niet ten onrechte heeft gedaan.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat eiser de oproepen om zich te melden bij het recruteringsbureau al in de vorige asielprocedure heeft ingebracht. De oproepen zijn dan ook reeds daarom niet als nieuwe elementen te beschouwen. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder over de overgelegde dagvaarding van 4 maart 2016 en het rechtbankvonnis van 13 september 2016 terecht heeft overwogen dat deze niet als relevante nieuwe elementen kunnen worden beschouwd nu eiser de authenticiteit ervan niet heeft aangetoond. Immers, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 8 oktober 2007, 200704465/1; 7 april 2010, 200902935/1; en 23 mei 2011, 201007949/1) is een door een vreemdeling overgelegd document in een opvolgende aanvraag geen nieuw element of bevinding indien de authenticiteit van het overgelegde document niet kan worden vastgesteld. Voorts blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het niet aan verweerder is om de eventuele valsheid van een overgelegd document aan te tonen maar dat het aan de betreffende vreemdeling is om de gestelde authenticiteit te onderbouwen (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2007, 200704465/1). Hierin is eiser niet geslaagd. De stelling van eiser dat verweerder hem de gelegenheid had moeten bieden een contra-expertise in te dienen en dat hij na de ontvangst van het rechtbank vonnis een nieuw voornemen uit had moeten brengen, volgt de rechtbank niet. Het is immers aan eiser om nieuwe elementen en bevindingen naar voren te brengen in een herhaalde asielprocedure en indien deze documenten betreffen, om daarvan meteen de authenticiteit aan te tonen. Eiser heeft hiertoe ook alle gelegenheid gehad nu het meest recente document, het vonnis van de rechtbank Ternopil, dateert van 13 september 2016, terwijl het bestreden besluit eerst op 14 juni 2017 is genomen. Dat eiser de authenticiteit van de overgelegde documenten niet heeft aangetoond, komt dan ook voor zijn eigen rekening en risico. Daarnaast is er geen rechtsregel die verweerder verplicht om in het geval er na het uitbrengen van het voornemen een nieuw stuk wordt ingebracht, naar aanleiding hiervan een nieuw voornemen uit te brengen. Gelet hierop heeft eiser nog altijd niet aannemelijk gemaakt dat hij, nu hij geen gehoor zou hebben gegeven aan de oproep zich te melden bij het recruteringsbureau, bij terugkeer naar zijn land van herkomst als dienstweigeraar zal worden vervolgd en hem om die reden een onevenredige bestraffing boven het hoofd hangt. De stelling dat verweerder ten onrechte niet aan het beleid inzake dienstweigeraars heeft getoetst, treft dan ook geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eveneens terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat nu, anders dan ten tijde van de vorige procedure, wel sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

7. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is voorts niet gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw 2000.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2017.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.