Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8151

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
NL17.3533
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat ten opzichte van de vorige asielprocedure geen sprake is van een zodanige verdieping en groei in het christendom, dat eiseres thans wel als bekeerlinge dient te worden aangemerkt. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat uit het gehoor opvolgende aanvraag, mede in het licht van de wijze van toetsen van bekering door verweerder en de door eiseres overgelegde getuigenverklaringen, in redelijkheid niet kan worden geconcludeerd dat eiseres onvoldoende concreet kan verklaren hoe zij tot het christendom is gekomen, wat de kern van het christelijk geloof behelst en wat het geloof voor haar betekent in het dagelijkse leven en hoe dat tot uiting komt. De verklaringen over haar geloofsbelijdenis en de fasen die ze daarin heeft doorgemaakt komen voorts (grotendeels) overeen met het zogenoemde Rambo-model, van welk model verweerder ook gebruik maakt bij het toetsen van een gestelde bekering. Op verschillende punten in de besluitvorming kwalificeert verweerder de verklaringen van betrokkene als stellingen die aan de oppervlakte liggen, maar waaruit de diepere verbinding met betrokkenes innerlijk en haar geloofsovertuiging niet blijkt, noch blijkt hoe deze tot stand zou zijn gekomen. Aan andere verklaringen kan volgens verweerder “slechts een oppervlakkige betekenis worden toegekend”. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in de besluitvorming onvoldoende inzichtelijk is gemaakt op grond waarvan verweerder tot deze conclusie komt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3533


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: G.M.L. van Doornum).


Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3534, plaatsgevonden op 4 juli 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig de partner van eiseres en zes toehoorders.

Overwegingen

1. Eiseres is van Afghaanse nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum] 1991. Eiseres heeft al eerder, op 25 juli 2011, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij beschikking van 29 september 2011 is deze aanvraag ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Bij besluit van 29 januari 2013 is de verleende verblijfsvergunning ingetrokken omdat eiseres na het verlenen daarvan is teruggekeerd naar Afghanistan en zij om die reden kennelijk geen vrees meer heeft voor behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Dit besluit is bij uitspraak van 13 december 2013 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad Van State (201308431/V2) onherroepelijk geworden.

Op 1 oktober 2013 heeft eiseres een herhaalde asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft eiseres onder meer ten grondslag gelegd dat zij bekeerd is tot het christendom. Bij beschikking van 13 februari 2014 is deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Deze beschikking is met de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2014 (nr. 201406536/1/V2) onherroepelijk geworden.

2. Eiseres heeft in onderhavige procedure, kort samengevat, als nieuw element aangevoerd dat zij thans, anders dan ten tijde van de vorige asielprocedure, aantoonbaar is bekeerd tot het christendom. Ter staving van deze stelling heeft eiseres de volgende documenten overgelegd:

- Een doopcertificaat waaruit blijkt dat betrokkene op 20 april 2014 gedoopt is;

- Foto’s van de doopplechtigheid;

- Een getuigenis van [persoon 1] d.d. 22 mei 2015;

- Een rapportage van ouderling [persoon 2] , mede namens predikant [persoon 3] ;

- Een verklaring van dominee [persoon 4] ;

- Een verklaring van dominee [persoon 5] , d.d. 1 juli 2015;

- Een getuigenis van [persoon 6] , d.d. 19 mei 2015;

- Een getuigenis van [persoon 7] , d.d. 29 juni 2015;

- Een verklaring van [persoon 8] , d.d. 3 juli 2015;

- Een verklaring van [persoon 9] ;

- Een verklaring van [persoon 10] ;

- Een verklaring van [persoon 11] .

3. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres naar het oordeel van verweerder geen nieuwe elementen en bevindingen aan haar aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe overweegt verweerder, kort samengevat, dat reeds in de vorige asielprocedure in rechte is komen vast te staan dat eiseres de door haar gestelde oprechte bekering niet aannemelijk heeft gemaakt en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er thans wel sprake is van een oprechte bekering. Volgens verweerder is er geen sprake van een verdieping en groei in het christendom die leiden tot de conclusie dat, anders dan in de eerdere procedure overwogen, thans wel sprake is van een oprechte bekering tot het christendom. De overgelegde stukken kunnen volgens verweerder aan deze conclusie niet af doen nu er weliswaar een zekere waarde aan kan worden gehecht maar de stukken niet afdoen aan het feit dat het aan eiseres is om door middel van haar eigen verklaringen aannemelijk te maken dat sprake is van een oprechte bekering.

4. Eiseres is het in beroep oneens met de afwijzing en met name de waarde die verweerder aan de overgelegde documenten en haar eigen verklaringen wenst te geven.

5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) volgt dat er voor de bestuursrechter in vreemdelingenzaken geen ruimte meer bestaat om ambtshalve het ne bis-beoordelingskader toe te passen en dient de bestuursrechter elk besluit op een opvolgende aanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Nu verweerder de opvolgende asielaanvraag met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet de bestuursrechter toetsen of verweerder dat in het licht van zijn beleid niet ten onrechte heeft gedaan.

6. De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat ten opzichte van de vorige asielprocedure geen sprake is van een zodanige verdieping en groei in het christendom, dat eiseres thans wel als bekeerlinge dient te worden aangemerkt. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat uit het gehoor opvolgende aanvraag, mede in het licht van de wijze van toetsen van bekering door verweerder en de door eiseres overgelegde getuigenverklaringen, in redelijkheid niet kan worden geconcludeerd dat eiseres onvoldoende concreet kan verklaren hoe zij tot het christendom is gekomen, wat de kern van het christelijk geloof behelst en wat het geloof voor haar betekent in het dagelijkse leven en hoe dat tot uiting komt. De verklaringen over haar geloofsbelijdenis en de fasen die ze daarin heeft doorgemaakt komen voorts (grotendeels) overeen met het zogenoemde Rambo-model, van welk model verweerder ook gebruik maakt bij het toetsen van een gestelde bekering. Op verschillende punten in de besluitvorming kwalificeert verweerder de verklaringen van betrokkene als stellingen die aan de oppervlakte liggen, maar waaruit de diepere verbinding met betrokkenes innerlijk en haar geloofsovertuiging niet blijkt, noch blijkt hoe deze tot stand zou zijn gekomen. Aan andere verklaringen kan volgens verweerder “slechts een oppervlakkige betekenis worden toegekend”. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in de besluitvorming onvoldoende inzichtelijk is gemaakt op grond waarvan verweerder tot deze conclusie komt.

7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering. Verweerder dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.