Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8150

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
NL17.3573
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de situatie in Italië thans zodanig is verslechterd, dat hetgeen hiervoor is overwogen niet langer geldt en dat nu wel ernstig moet worden gevreesd dat de asiel- en opvangprocedure in Italië systeemfouten bevat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3573


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2017. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is van Libanese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1993. Op 21 april 2017 heeft eiser zijn asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgedaan met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan, omdat uit onderzoek is gebleken dat eiser op 23 augustus 2016 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië in Beirut, Libanon, in het bezit is gesteld van een Schengenvisum. Italië heeft dit verzoek aanvaard op 13 mei 2017.

3. Eiser is het hier niet mee eens. Eiser stelt, kort samengevat en voor zover van belang, dat hij bij overdracht aan Italië in een situatie zal belanden zoals genoemd in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Eiser zal namelijk hoogstwaarschijnlijk geen opvang krijgen, geen toegang tot adequate rechtshulp en geen adequate medische zorg. Volgens eiser heeft dit mede te maken met zijn homoseksuele geaardheid, hetgeen eiser in Italië van zijn advocaat heeft vernomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar diverse rapporten, waaronder:

- het rapport ‘The large-scale arrival of mixed migratory flows on Italian shores’ van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa van 9 juni 2014;

- het AIDA-rapport over Italië van april 2014;

- het Human Rights Watch: World Report 2014 – Italy van 21 januari 2014;

- het AIDA-rapport ‘European Commission launches infringement procedures against Bulgaria and Italy for possible refoulement of Syrian refugees’ van 7 april 2014;

- het US Department of State 2013 Country Report on Human Rights Practices van februari 2014;

- de nieuwsbrief van Borderline Sicilia van februari/maart 2014; en

- de samenvatting van het SFH-rapport van 1 oktober 2013.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

De rechtbank stelt eerst vast dat eiser niet bestrijdt dat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank overweegt verder dat het betoog van eiser betrekking heeft op wat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald. Het betoog van eiser komt er immers op neer dat Nederland eiser niet mag overdragen aan Italië, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asiel- en opvangprocedure in Italië systeemfouten bevat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

4.2.

Het betoog van eiser slaagt naar het oordeel van de rechtbank echter niet. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten geoordeeld dat de structuur van- en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Het EHRM heeft verder meermaals overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft daarnaast, onder meer bij uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278), al geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar de uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971).

4.3.

Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de situatie in Italië thans zodanig is verslechterd, dat hetgeen hiervoor is overwogen niet langer geldt en dat nu wel ernstig moet worden gevreesd dat de asiel- en opvangprocedure in Italië systeemfouten bevat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen. De door eiser aangehaalde rapporten dateren van voor de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling en worden geacht daarin te zijn betrokken. Weliswaar bevestigen al deze rapporten dat er sprake is van tekortkomingen, maar ze bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat ernstig moet worden gevreesd voor zodanige systeemfouten dat die resulteren in een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.

4.4.

Ook het relaas van eiser zelf biedt daartoe geen aanknopingspunten. Dat eiser als homoseksueel in Italië geen bescherming zal krijgen blijkt nergens uit en is ook in het geheel niet onderbouwd. Evenmin is gebleken dat eiser, indien nodig, zich in het geheel niet zou kunnen beklagen bij de Italiaanse (hogere) autoriteiten. De medische voorzieningen in Italië worden verder gelijkwaardig verondersteld aan die in Nederland, zodat Italië in staat moet worden geacht eventuele medische problemen te behandelen.

4.5.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder eiser mag overdragen aan Italië.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2017.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.