Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8134

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 293
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontslag, onvoldoende functioneren, ziekte

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/293

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.C.A. Keulers),

en

de Directeur-Generaal van de Statistiek van het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) te Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. B.A. van der Veer).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 206 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres per 1 juli 2016 eervol ontslag verleend.

Bij besluit van 30 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn namens verweerder verschenen [persoon 1] en [persoon 2] .

Overwegingen

1 Eiseres is sinds 1 februari 1981 in dienst bij verweerder, laatstelijk in de functie van medewerkster bedrijfsvoering.

2.1

Verweerder heeft eiseres ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens onbekwaamheid en/of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2.2

Verweerder heeft aan het ontslag – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat eiseres tekortschiet in gestructureerd werken, gebrek heeft aan de vereiste kennis en vaardigheden – met name op computer- en automatiseringsgebied - om haar functie naar behoren uit te voeren, dat haar verschillende cursussen zijn aangeboden om de kennis en vaardigheden op peil te brengen maar dat deze cursussen door haar niet zijn afgemaakt, onder meer vanwege uitval door ziekte. Eiseres is er vanaf 2011 diverse malen op gewezen dat haar functioneren onvoldoende was en met haar zijn verbeterafspraken gemaakt, welke echter niet tot verbetering hebben geleid, aldus verweerder.

3 Eiseres heeft aan haar beroep het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de gestelde onbekwaamheid en/of ongeschiktheid van eiseres – die 36 jaar voor verweerder heeft gewerkt - onvoldoende onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder nagelaten de gestelde onbekwaamheid en/of ongeschiktheid voldoende te concretiseren en te onderbouwen, en had verweerder - als er sprake was geweest van disfunctioneren - haar een kans moeten geven om haar functioneren te verbeteren via een verbeterplan of -traject.

Voorts heeft verweerder onvoldoende onderzocht of een medische oorzaak ten grondslag heeft gelegen aan de gestelde ongeschiktheid van eiseres voor haar functie. Daarbij heeft eiseres er op gewezen dat er meerdere medische oorzaken zijn geweest voor haar verzuim en dat zij, doordat zij in april 2015 betrokken is geweest bij een ernstig verkeersongeluk, weer langdurig is uitgevallen.

4.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 november 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AN8009) moet de ongeschiktheid waarop artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR doelt zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Daarvoor is niet steeds vereist dat de daadwerkelijke functievervulling van de ambtenaar niet naar behoren is. Ook in gevallen waarin niet zo zeer de vervulling van de inhoudelijke taken van de betrokken ambtenaar tekortschiet, maar diens houding en gedrag hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid in de zin van de genoemde bepaling sprake zijn.

4.2

Volgens eveneens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:BL9739) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om dit te verbeteren.

4.3

Voorts geldt volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 30 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:249) dat in geval de ambtenaar als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt is voor zijn functie, het bestuursorgaan niet bevoegd is hem ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden.

Volgens de uitspraak van de CRvB van 2 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2177) moet in die gevallen waarin aanwijzingen bestaan dat de ongeschiktheid van de ambtenaar verband houdt met ziekte of gebrek, of daarover gerede twijfel bestaat, onderzoek plaatsvinden naar die eventuele medische oorzaak.

5 De rechtbank overweegt het volgende.

Over eiseres zijn voor het laatst in 2011 en 2012 beoordelingen opgemaakt. Volgens de verkorte beoordeling 2011 voldeed eiseres niet geheel (‘B-score’) aan de gestelde eisen ten aanzien van ‘kwaliteit’. In het samenvattend oordeel wordt vermeld dat eiseres het ‘door de vele veranderingen van de afgelopen jaren het regelmatig zwaar heeft om haar functie kwalitatief goed uit te voeren.’

Volgens de verkorte beoordeling 2012 voldeed eiseres niet geheel aan de gestelde eisen ten aanzien van ‘kwaliteit’ (‘B-score’). In het samenvattend oordeel wordt vermeld dat ‘de kwaliteit van een aantal werkzaamheden nog steeds onder de maat is, hetgeen voor een deel is toe te wijzen aan zowel inhoudelijke kennis en vaardigheden als de gebrekkige automatiseringskennis.’

Eiseres heeft tegen beide beoordelingen geen bezwaarschrift ingediend, zodat deze in rechte vast staan.

Vanaf dat moment zijn er geen beoordelingen meer opgemaakt.

In 2013 heeft een functionerings-overdrachtsgesprek plaatsgevonden. Volgens het daarvan opgemaakte verslag zijn daarbij onder meer de problemen aan de orde gekomen met automatisering en computerwerkzaamheden. De door eiseres gestarte cursus Europees Computer Rijbewijs heeft zij voortijdig stopgezet vanwege vermoeidheidsproblemen. Ook met de geboden begeleiding van een loopbaancoach is eiseres gestopt. Volgens het verslag is door de leidinggevende aangegeven dat ‘als blijkt dat de volgende beoordelingen toch weer op een B uitkomen, de organisatie een beslissing moet nemen, wat op een gegeven moment kan leiden tot aanvragen van ontslag wegens niet goed functioneren’. Aan eiseres wordt door de leidinggevende aangeboden een loopbaantraject te volgen.

Eiseres geeft daarop aan dat zij wel op het aanbod wil ingaan, maar pas als zij weer ‘voor 100% functioneert en gezond is’.

Eind 2013 valt eiseres uit door ziekte. Op 10 juni 2014 is zij na - een periode van reintegratie - volledig hersteld gemeld.

Op 11 april 2015 valt eiseres uit wegens ziekte naar aanleiding van een auto-ongeluk.

Op 26 oktober 2015 is zij volledig hersteld gemeld.

Op 26 oktober 2015 worden werkafspraken gemaakt. Hierin staat onder meer dat eiseres met verbetervoorstellen komt om de rapportage ‘openstaande weekstaten’ te verbeteren en om het proces rond het indienen van urenstaten te verbeteren, dat zij haar computerkennis dient te verbeteren en dat zij uiterlijk 1 juli 2016 de cursus Europees Computer Rijbewijs met goed gevolg zal hebben afgerond.

Op 3 december 2015 worden werkafspraken gemaakt. Er zijn op dat moment niet genoeg geschikte werkzaamheden voor eiseres. De leidinggevende wil graag dat eiseres de cursus Europees Computer Rijbewijs weer oppakt. Eiseres geeft aan in verband met pijnklachten hiermee nog niet in januari te willen beginnen. Afgesproken wordt dat eiseres en haar leidinggevende een ‘dagstart’ zullen aanhouden.

Op 19 januari 2016 is eiseres uitgevallen wegens ziekte.

Op 25 maart 2016 heeft verweerder een voornemen tot ontslag uitgebracht.

Voor zover eiseres heeft betoogd dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of in haar geval sprake is van een eventuele medische oorzaak van de gestelde onbekwaamheid/ongeschiktheid van eiseres overweegt de rechtbank dat eiseres geen aanknopingspunten heeft geboden dat er aanwijzingen bestaan dat haar ongeschiktheid voor de functie verband houdt met ziekte zodat er eerst nader onderzoek zou moeten plaatsvinden naar die eventuele medische oorzaak. Daartoe acht de rechtbank van belang dat het ziekteverzuim van eiseres sinds 2011 zeer uiteenlopende oorzaken heeft gehad. Ook heeft eiseres geen enkel (medisch) rapport of advies overgelegd waarin een oordeel, of zelfs maar een vermoeden, wordt uitgesproken dat aan de onbekwaamheid/ongeschiktheid van eiseres voor haar functie een medische oorzaak ten grondslag ligt.

De rechtbank leidt uit de stukken af dat de in de beoordelingen van 2011 en 2012 genoemde punten waarop zij toen reeds onvoldoende functioneerde, sindsdien in feite onafgebroken zijn blijven bestaan. De kennis en vaardigheden van eiseres, met name op automatiserings- en computergebied, werden daarin onder de maat geacht en daarin is nauwelijks verbetering opgetreden.

Dat eiseres ook in de periode na de laatste beoordeling veelvuldig afwezig is geweest door ziekte, doet er niet aan af dat heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk heeft gemaakt iedere keer nadat zij weer (volledig) beter was gemeld was niet voldeed aan de functioneringseisen en dat zij hier door verweerder ook gewezen is. Zo is onder meer gebleken dat zij er nooit in is geslaagd het diploma Europees Computer Rijbewijs te behalen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat verweerder haar geen kansen tot verbetering heeft geboden.

6 Het beroep is ongegrond.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.