Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8133

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3405
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges; Nederlands-Japans Handelsverdrag; meestbegunstigingsclausule

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/3405

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. J. Luscuere),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.Groenendijk).

Procesverloop

Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1989 en de Japanse nationaliteit te hebben. Zij verblijft als vreemdeling in Nederland.


Eiseres heeft op 17 juni 2015 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige op grond van het Nederlands-Japans Handelsverdrag’. De gevraagde verblijfsvergunning is haar bij besluit van 14 augustus 2015 verleend.

Eiseres heeft op 1 juli 2015 een verzoek gedaan tot restitutie van (een deel van) de leges van € 1279,-- die door haar is betaald in het kader van de behandeling van de aanvraag voor bovenbedoelde verblijfsvergunning.

Op het verzoek om restitutie is door verweerder bij besluit van 20 augustus 2015 afwijzend beslist.

Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Op 15 februari 2016 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 22 februari 2016 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft aan haar aanvraag om restitutie het volgende ten grondslag gelegd. Gezien artikel 1 van het Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan van 6 juli 1912 (hierna: het Nederlands-Japans Verdrag), artikel 1 van het Tractaat van vriendschap, vestiging en handel tussen handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Zwitserland (hierna: het Nederlands-Zwitsers Tractaat) en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3230 en 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4701 heeft verweerder voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag ten onrechte een bedrag van € 1279,-- aan leges in rekening gebracht. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar een bedrag aan leges in rekening had moeten worden gebracht van € 53,--, zijnde het tarief dat in deze gevallen geldt voor Zwitsers en EU-burgers.

2 De rechtbank overweegt het navolgende.

2.1

Ingevolge artikel 1 van het Nederlands-Zwitsers Tractaat zullen de wederzijdse onderdanen en burgers van de beide Hoog Contracterende Partijen volkomen met de nationalen worden gelijkgesteld, voor al wat aangaat het verblijf en de vestiging, de uitoefening van de handel, de nijverheid en de beroepen, de betaling van de belastingen, de uitoefening van de godsdiensten, het recht om allerlei roerende en onroerende eigendommen te verkrijgen en daarover te beschikken bij koop, verkoop, schenking, ruil, laatste wilsbeschikking en erfopvolging bij versterf. Zij zullen volkomen worden gelijkgesteld met de onderdanen van de meest bevoorrechte vreemde natie, voor zoveel aangaat hun persoonlijke staat onder alle andere opzichten.

2.2

Ingevolge artikel 1, onder 1°, van het Nederlands-Japans Verdrag zullen de onderdanen van de beide Hoog Contracterende Partijen volle vrijheid hebben met hun gezinnen binnen te komen en zich te vestigen in de gehele uitgestrektheid van elkanders gebieden of bezittingen en, indien zij zich gedragen naar de wetten van het land, zullen zij in alles wat betreft het reizen en het verblijf, de studies en onderzoeken, de uitoefening van hun bedrijven en beroepen en het voeren van hun bedrijfs- of nijverheidsondernemingen in alle opzichten op dezelfde voet geplaatst zijn als de onderdanen of burgers van de meest begunstigde natie (hierna: de meestbegunstigingsclausule).

2.4

In haar uitspraken van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3230 en 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4701 heeft de Afdeling een nadere uitleg gegeven van laatstbedoelde meestbegunstigingsclausule, welke inhoudt dat een Japanse onderdaan in alles wat betreft het verblijf, de uitoefening van zijn bedrijf en beroep en het voeren van zijn bedrijfs- of nijverheidsonderneming in alle opzichten op dezelfde voet moet worden geplaatst als de onderdanen van de meest begunstigde natie.

2.5

Op 21 juni 1999 is tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, een overeenkomst (hierna te noemen: de Overeenkomst) gesloten over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16). Deze Overeenkomst beoogt met betrekking tot onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap en van Zwitserland onder meer het toekennen van het recht op toegang tot het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen en op het verblijf, de toegang tot een economische activiteit in loondienst, de vestiging als zelfstandige, alsmede op voortzetting van het verblijf op dit grondgebied; het vergemakkelijken van de verlening van diensten op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen, met name het liberaliseren van de verlening van diensten van korte duur; het toekennen van het recht op toegang tot en verblijf op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen voor personen die in het ontvangende land geen economische activiteit uitoefenen en tenslotte het toekennen van dezelfde levensomstandigheden, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden als die welke voor de eigen onderdanen gelden.

2.6

In haar uitspraak van de Afdeling van 11 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3079) heeft de Afdeling geoordeeld dat – gezien de Overeenkomst - Zwitserse onderdanen in Nederland als burgers van de Unie worden behandeld, en zij zich derhalve niet langer in een met derdelanders vergelijkbare situatie bevinden en dat een Japanse onderdaan zich voor de toepassing van de meestbegunstigingsclausule niet op de Overeenkomst kan beroepen.

Gelet op dit doel van de Overeenkomst heeft het Nederlands-Zwitsers Tractaat in elk geval sinds de inwerkingtreding van de Overeenkomst op 1 juni 2002 voor Zwitserse onderdanen geen verblijfsrechtelijke betekenis meer, aldus de Afdeling.

Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat - anders dan overwogen in de uitspraak van 19 juni 2013 -, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (Trb. 1985, 79) en artikel 22, eerste lid, van de Overeenkomst geen ruimte bieden om aan het Nederlands-Zwitsers Tractaat op het punt van het verblijfsrecht een de Overeenkomst aanvullende werking toe te kennen, omdat het Tractaat minder gunstig is dan de Overeenkomst. Daarom is het Nederlands-Zwitsers Tractaat voor zover het verblijfsrechtelijke aanspraken zou verlenen niet verenigbaar met de Overeenkomst, zodat ingevolge het tweede lid van artikel 22 de Overeenkomst prevaleert.

Uit het vorenstaande volgt – aldus de Afdeling - dat Japanse onderdanen in het kader van de toepassing van de in het Nederlands-Japans Verdrag neergelegde meestbegunstigingsclausule geen beroep kunnen doen op het Nederlands-Zwitsers Tractaat, - daargelaten of dit een bijzondere, gunstiger regeling over de leges bevat - en dat een Japanse onderdaan zich voor de toepassing van de meestbegunstigingsclausule evenmin op de Overeenkomst kan beroepen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat artikel 17 van het Nederlands-Japans Verdrag gezien het tijdstip van totstandkoming van dit Verdrag alleen op verdragen tussen de verdragsluitende partijen en andere staten van toepassing kan zijn en niet op verdragen met regionale gemeenschappen zoals de Europese Unie, die toen nog niet bestonden. Voorts is het gevolg van de Overeenkomst dat Zwitserse onderdanen in Nederland als burgers van de Unie worden behandeld en zij zich niet langer in een met derdelanders vergelijkbare situatie bevinden. In het verlengde hiervan kan een Japanse onderdaan zich voor de toepassing van de meestbegunstigingsclausule evenmin beroepen op de nationaalrechtelijke bepalingen waarmee is beoogd de Overeenkomst te implementeren.

3 Eiseres heeft de uitspraak van de Afdeling in beroep gemotiveerd bestreden en de rechtbank verzocht ter zake over te gaan tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4.1

De rechtbank constateert dat de Afdeling sinds haar uitspraak van 11 november 2016 geen andersluidende uitspraak heeft gedaan. Voorts ziet de rechtbank in hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitspraak van de Afdeling evident onjuist zou zijn.

4.2

De rechtbank volgt de Afdeling daarom in haar oordeel dat Japanse onderdanen in het kader van de toepassing van de in het Nederlands-Japans Verdrag neergelegde meestbegunstigingsclausule geen beroep kunnen doen op het Nederlands‑Zwitsers Tractaat en zich voor de toepassing van de meestbegunstigingsclausule evenmin op de Overeenkomst kunnen beroepen.

4.3

De rechtbank ziet, in het licht van het vorenstaande, geen aanleiding over te gaan tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals eiseres de rechtbank in overweging heeft gegeven.

4.4

Omdat Italië lid is van de Europese Unie en Italianen zich daarom, evenals Zwitsers, niet in een met derdelanders vergelijkbare situatie bevinden, kan het (subsidiaire) beroep van eiseres op de in het Tractaat van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Italië (Stb. 1864, 106) opgenomen meestbegunstigingsclausule, evenzeer niet slagen.

4.5

Tenslotte heeft eiseres – overigens eerst in beroep - betoogd dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het geheven legesbedrag in redelijke verhouding staat tot de kostprijs van de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank stelt vast dat het legesbedrag voor een aanvraag als zelfstandig ondernemer (in 2015) € 1279,-- bedroeg. Niet is gebleken dat die legeskostprijs nadien is verminderd. Mede gezien het verblijfsdoel - ‘arbeid als zelfstandige’ - heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van de leges in strijd zouden zijn met het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht is overgegaan tot de heffing van een legesbedrag van € 1279,-- van eiseres voor de behandeling van haar aanvraag.

5 Het beroep is derhalve ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl)