Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8117

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
NL17.3722
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Turkse journalist

- Gülen-aanhanger

- Bosnië-Herzegovina veilig derde land

- onvoldoende onderzoek door verweerder

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3722


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Post).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 juni 2017 (het bestreden besluit).


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Ciker-Özgül.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Turkse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 11 oktober 2016 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

  2. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft van 25 september 2005 tot 30 september 2016 in Bosnië-Herzegovina verbleven, eerst om te studeren en daarna heeft hij daar gewerkt. Eiser heeft daar een verblijfsvergunning gekregen voor de duur van een jaar, die vervolgens steeds voor de duur van een jaar werd verlengd. Eiser is Gülen-aanhanger. In Bosnië-Herzegovina heeft eiser gewerkt voor [bedrijfsnaam], een reisagentschap van Gülen-aanhangers, en als journalist. Sinds de couppoging van 15 juli 2016 is het voor hem te gevaarlijk geworden om terug te keren naar Turkije. Ook kan hij niet terugkeren naar Bosnië-Herzegovina, omdat de Bosnische regering sterke banden heeft met de regering van Erdogan. Eisers laatste verblijfsvergunning in Bosnië-Herzegovina was geldig tot 29 juli 2017. Vanwege gewijzigde wetgeving, zal eiser zich voor een verlenging van deze vergunning moeten wenden tot de Turkse ambassade voor een antecedentenverklaring.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 , omdat Bosnië-Herzegovina voor eiser als veilig derde land wordt beschouwd. Verweerder heeft daartoe onder meer verwezen naar de aanmerking van Bosnië-Herzegovina als veilig land van herkomst bij brief van 3 november 2015 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 19637, nr. 2076) en zich op het standpunt gesteld dat gelet daarop tevens in zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat vreemdelingen afkomstig uit Bosnië-Herzegovina aldaar niet te vrezen hebben voor problemen welke verlening van internationale bescherming rechtvaardigen. Het is aan eiser om het tegendeel aannemelijk te maken en daarin is hij volgens verweerder niet geslaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn verblijfsvergunning niet meer verlengd zal kunnen worden. Gelet op het feit dat eiser ruim 11 jaar in Bosnië-Herzegovina heeft verbleven, wordt verder aangenomen dat sprake is van een zodanige band met dat land dat het voor eiser redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang zal krijgen tot Bosnië-Herzegovina.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6. Ter zitting is het volgende tussen partijen vast komen te staan. Eiser is Gülen-aanhanger en vanwege zijn werkzaamheden als journalist ook als zodanig bekend bij zowel de Bosnische als de Turkse autoriteiten. Om de geldigheid van zijn huidige verblijfsvergunning in Bosnië-Herzegovina, die op 29 juli 2017 verloopt, te kunnen verlengen, dient eiser een antecedentenverklaring aan te vragen bij de Turkse ambassade in Bosnië-Herzegovina. Gelet op wat algemeen bekend is over de positie van Gülen-aanhangers in Turkije sinds de couppoging, kan niet van eiser verlangd worden dat hij zich wendt tot de Turkse autoriteiten. Eiser zal dus aangewezen zijn op het indienen van een asielaanvraag in Bosnië-Herzegovina. Verder is niet langer in geschil dat eiser toegang zal krijgen tot Bosnië-Herzegovina, omdat hij geen visum nodig heeft om het land in te kunnen reizen.

7. Gelet op artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 dient verweerder op grond van alle relevante feiten en omstandigheden te onderzoeken of in het geval van eiser sprake is van een veilig derde land. In het geval van eiser is met name van belang of Bosnië-Herzegovina het beginsel van non-refoulement naleeft met betrekking tot Gülen-aanhangers. De openbare bronnen die verweerder heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn standpunt dat Bosnië-Herzegovina in het geval van eiser als veilig derde land kan worden aangemerkt, dateren van vóór de couppoging in Turkije en hebben geen betrekking op de positie van Gülen-aanhangers in Bosnië-Herzegovina en de banden tussen de Bosnische en Turkse autoriteiten. De rechtbank is reeds daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of Bosnië-Herzegovina voor eiser als veilig derde land kan worden aangemerkt. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat Bosnië-Herzegovina hem, in strijd met het beginsel van non-refoulement, zal terugsturen naar Turkije.

8. Verweerders verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 21 februari 2017 (AWB 17/1803 en 17/1801) en de bevestiging van die uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 maart 2017 (201701806/1/V3) kan niet tot een ander oordeel leiden. De genoemde uitspraken zien weliswaar op Gülen-aanhangers uit Turkije, maar voor hen werd Macedonië aangemerkt als veilig derde land, niet Bosnië-Herzegovina. Bovendien heeft de Afdeling, anders dan in het geval van Macedonië, nog geen oordeel gegeven over de aanmerking van Bosnië-Herzegovina als veilig land van herkomst of veilig derde land.

9. De aanvraag is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder nader onderzoek dient te verrichten. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Recht van de Europese Unie

Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn)

Artikel 38 – Het begrip “veilig derde land”

1. De lidstaten mogen het begrip „veilig derde land” alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

a. a) het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging;
b) er bestaat geen risico op ernstige schade in de zin van Richtlijn 2011/95/EU;
c) het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève wordt nageleefd;

d) het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
e) de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève.

2. De toepassing van het begrip „veilig derde land” is onderworpen aan voorschriften in het nationale recht, waaronder:

a. a) voorschriften waarbij een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan;
b) voorschriften betreffende de methode met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het begrip „veilig derde land” op een bepaald land of een bepaalde verzoeker kan worden toegepast. Een dergelijke methode dient onder meer te bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een bepaalde verzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig;
c) voorschriften overeenkomstig de internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land voor een bepaalde verzoeker veilig is; deze voorschriften moeten ten minste de verzoeker in staat stellen de toepassing van het begrip „veilig derde land” aan te vechten op grond van het feit dat het derde land in zijn specifieke omstandigheden niet veilig is. De verzoeker moet ook in de gelegenheid worden gesteld om het bestaan van de onder a) bedoelde band tussen hem en het derde land aan te vechten.

3. Bij de uitvoering van een uitsluitend op dit artikel gebaseerde beslissing dienen de lidstaten:

a. a) de verzoeker hiervan op de hoogte te brengen, en
b) hem een document te verschaffen waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht.

4. Wanneer het derde land de verzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat, zorgen de lidstaten ervoor dat toegang wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II.

5. De lidstaten stellen de Commissie op gezette tijden in kennis van de landen waarop dit begrip wordt toegepast overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.

Nationale Regelgeving

Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

Artikel 30a

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

[…]

c. een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd;

[…].

Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

Artikel 3.106a

1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en

b. er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet, en

c. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

d. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

e. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

3. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV)

Artikel 3.37e

1. De beoordeling of een derde land een veilig derde land is, als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

2. De Minister onderzoekt de situatie in derde landen die zijn aangemerkt als veilige derde landen regelmatig opnieuw.

3. Bij de beoordeling of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Wet, niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet, worden betrokken de verklaringen van de vreemdeling inhoudende dat:

a. hij in het derde land zal worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade;

b. de band tussen hem en het derde land niet zodanig is dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

4. Eerder verblijf, als bedoeld in artikel 3.106a, derde lid, van het Besluit wordt in ieder geval aangenomen indien uit objectieve feiten of omstandigheden blijkt dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen.

5. Bij de uitvoering van een uitsluitend op artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet gebaseerde beslissing, wordt aan de vreemdeling een document verschaft waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis gesteld worden dat de asielaanvraag niet inhoudelijk is onderzocht.

Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)

Paragraaf C2/6.3

[…]

Bij de vraag of een veilig derde land voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND weegt mee of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. De IND kan de presumptie van veilig derde land niet handhaven wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende derde land in zijn specifieke geval niet als veilig land kan worden beschouwd. In dat geval beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

De IND en de vreemdeling hebben een gedeelde bewijslast op de vraag of een derde land als veilig kan worden aangemerkt, namelijk:

• de vreemdeling moet onderbouwen dat het derde land waarmee de vreemdeling een band heeft voor hem niet als veilig kan worden aangemerkt; en

• de IND onderzoekt of het derde land waarmee de vreemdeling een band heeft voor hem niet als veilig kan worden aangemerkt.

De IND onderzoekt of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land dat het van de vreemdeling redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij naar dat land gaat.

De IND neemt in de volgende gevallen in ieder geval aan dat de vreemdeling een band heeft met een derde land:

• de echtgenoot of partner van de vreemdeling heeft de nationaliteit van dat land;

• in dat land is eerstelijns of directe familie woonachtig van de vreemdeling, waarmee nog contact is; of

• de vreemdeling heeft eerder in dat land verbleven.

[…]

De IND verklaart een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alleen niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, Vw indien er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land.