Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8107

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 10107
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:796, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67n
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2534 met annotatie van Theo Hoogwout
Belastingadvies 2017/24.8
V-N Vandaag 2017/2386
Viditax (FutD), 13-10-2017
ERF-Updates.nl 2017-0227
NTFR 2018/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/10107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. D.A. Evertsz),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag in het recht van schenking opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 november 2016 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017.

Namens eiser is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B], [persoon C] en [persoon D].

Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het beroep van [persoon A] met het zaaknummer SGR 16/10083. Al hetgeen in die zaak is aangevoerd en overgelegd wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de onderhavige zaak van eiser.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser beschikte over een tegoed op een rekening bij een buitenlandse bank dat bij de fiscus niet bekend was. Per brief aan verweerder van 20 november 2013 heeft eiser kenbaar gemaakt gebruik te willen maken van de inkeerregeling van artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) om aldus over in het buitenland aangehouden vermogen inkomstenbelasting te voldoen.

2. Bij brief van 25 maart 2014 vraagt verweerder onder meer naar de herkomst van het tegoed op de buitenlandse bankrekening. In reactie daarop deelt eiser mee dat de bankrekening in 1991 is geopend maar hij niet weet welk bedrag toen op de rekening is gestort. Wel is hem bekend dat het toen gestorte geld afkomstig was uit de verkoop van onroerende zaken in Nederland door zijn ouders. Vervolgens hebben partijen gecorrespondeerd over de hoogte van het buitenlandse tegoed.

3. De in 2 aangehaalde briefwisselingen hebben uiteindelijk geleid tot een vaststellingsovereenkomst die op 19 juli 2014 door eiser is ondertekend (de vso) en die, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“U heeft op 21 november verklaard gerechtigd te zijn (geweest) tot niet eerder aangegeven buitenlandse vermogensbestanddelen. Ingevolge (…) de inkeerregeling (…) van artikel 67n van de [Awr] (…) is, na onderling overleg, besloten in het kader van een compromis een vaststellingsovereenkomst te sluiten als bedoeld in artikel 7:900, lid 1 Burgerlijk Wetboek tussen [partijen].

Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst is de van [eiser] na te vorderen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2001 tot en met 2012, alsmede de heffingsrente/belastingrente. (…)

Uitgangspunt van deze vaststellingsovereenkomst is het feit, dat [eiser] onjuiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft gedaan over de jaren 2001 tot en met 2012. (…).

Uit praktische overwegingen zijn partijen overeengekomen om het totaal van de hiervoor genoemde bedragen, zijnde (…), als enkelvoudige inkomstenbelasting te heffen in één navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010 ten name van [eiser].

(…)

Deze vaststellingsovereenkomst is gesloten onder de volgende voorwaarden

- (…);

- De fiscale gevolgen (enkelvoudige belasting, heffingsrente en heffingsrente) van deze vaststellingsovereenkomst worden volledig verwerkt in één op te leggen navorderingsaanslag Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 ten name van [eiser].”

4. Per brief van 26 maart 2015 deelt verweerder eiser mee dat hem is gebleken dat de ouders van eiser in 1991 aan hem een schenking hebben gedaan en dat hij daarom voornemens is aan eiser een aanslag schenkbelasting op te leggen. Verweerder deelt verder mee dat hij aan de hand van de beschikbare gegevens de verkrijging ambtshalve heeft berekend op ƒ 535.307 (€ 242.912) en de daarover verschuldigde belasting op ƒ 81.729 (€ 37.087). Conform die mededeling is de onderhavige aanslag opgelegd.

Geschil
5. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd.

6. Eiser neemt het standpunt in dat verweerder geen bevoegdheid heeft om de aanslag op te leggen. Eiser voert daartoe aan dat artikel 66 van de Successiewet 1956 (SW) geen toepassing vindt omdat zowel de schenker als de begunstigde nog in leven zijn en tevens dat het opleggen van de aanslag in strijd is met de vso, met het gelijkheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel, en met artikel 1 van het eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

7. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag terecht is opgelegd. Voor de gronden waarop verweerder zijn standpunt doet steunen wordt verwezen naar de stukken.

9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

10. De rechtbank overweegt dat ingeval van een schenking geen aangifte is gedaan, op grond van artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de SW, de termijnen die zijn genoemd in de artikelen 11, derde lid en 16, derde en vierde lid, van de Awr voor het recht van schenking ingaan na de dag van de inschrijving van de akte van overlijden van de schenker of van de begiftigde in de registers van de burgerlijke stand hier te lande of na de dag waarop akten of stukken, waaruit het overlijden van de schenker of van de begiftigde blijkt, ter kennis van de inspecteur zijn gekomen. Dit is anders ingeval zowel de schenker als de begiftigde een rechtspersoon is; alsdan vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een aanslag of navorderingsaanslag twintig jaren na de schenking.

11. Vast staat dat de schenking in 1991 is gedaan, dat daarvan geen aangifte is gedaan en de schenkers (de ouders van eiser) en de begiftigde (eiser) nog in leven zijn. Eiser heeft aangevoerd dat uit de tekst van de in 10 aangehaalde bepaling volgt dat die pas toepassing kan vinden nadat de schenker en de begiftigde zijn overleden. Anders dan eiser kennelijk meent zien de termijnen die zijn genoemd in de artikelen 11 en 16 van de Awr op de dag waarop de bevoegdheid tot het opleggen van een (navorderings)aanslag vervalt. Een aanslag of een navorderingsaanslag, ook een aanslag in het recht van schenking, kan in alle gevallen terstond na het ontstaan van de materiële belastingschuld worden opgelegd. Nu de aanslag in het recht van schenking is opgelegd tijdens het leven van de schenkers en van de begiftigde (eiser), kan niet worden geoordeeld dat de aanslag niet binnen de daarvoor gestelde termijn is opgelegd (vergelijk Hof Amsterdam 19 september 1997, V-N 1998/7.10).

12. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat de aanslag in strijd is met de vso omdat daarin geen voorbehoud is opgenomen en hij aan het ondertekenen daarvan het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de vaststellingsovereenkomst het sluitstuk van het inkeerproces zou zijn. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de tekst van de vso blijkt dat deze enkel ziet op na te vorderen inkomstenbelasting in verband met het aanhouden van buitenlandse tegoeden. In de vso is niets opgenomen over andere belastingmiddelen en is niets vermeld over een schenking. Een (navorderings)aanslag in het recht van schenking is dan ook niet één van de in de vso genoemde fiscale gevolgen die volledig zouden worden verwerkt met de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Nadat was gebleken dat het banktegoed was ontstaan door een aan eiser gedane schenking, stond het verweerder daarom vrij ter zake daarvan een aanslag in het recht van schenking op te leggen.

13. Eiser heeft voorts het standpunt ingenomen dat het opleggen van de aanslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat voor natuurlijke personen sprake is van een onbeperkte verjaringstermijn en voor rechtspersonen een beperkte verjaringstermijn geldt van 20 jaar. Ook dit betoog van eiser faalt. Natuurlijke personen en rechtspersonen zijn geen gelijke gevallen en voor de belastingheffing kan er daarom tussen beiden een onderscheid worden gemaakt. Aan de wetgever komt een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of de ongelijke behandeling in een goede verhouding staat tot de ongelijkheid van de gevallen. In dit geval bestaat de ongelijkheid tussen natuurlijke personen en rechtspersonen erin dat een natuurlijk persoon eenmaal zal overlijden, terwijl het bestaan van een rechtspersoon in beginsel onbeperkt kan zijn. Uit de wordingsgeschiedenis van artikel 66 van de SW, eerste lid, aanhef en onder 2°, blijkt dat bewust voor deze regeling is gekozen omdat bij een overlijden door inbreng of inkorting kan blijken dat eerder een schenking is gedaan. Omdat deze omstandigheden zich bij een rechtspersoon niet kunnen voordoen, kon de wetgever de verjaringstermijn op andere wijze bepalen. Omdat de verjaringstermijn voor natuurlijke personen in elk geval eindigt na ommekomst van drie, vijf of twaalf jaar na het overlijden van de schenker en de begiftigde, en voor rechtspersonen is gekozen voor een eveneens relatief lange verjaringstermijn van twintig jaren na het doen van de schenking, is de wetgever naar het oordeel van de rechtbank gebleven binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid.

14. Ter motivering van zijn beroep op het rechtszekerheidsbeginsel heeft eiser aangevoerd dat in het civiele recht een algemene verjaringstermijn geldt van twintig jaren en ook in het strafrecht verjaringstermijnen gelden. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat in het burgerlijk recht een verjaringstermijn op grond van artikel 321, eerste lid, onder f, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, kan worden verlengd als een schuldenaar opzettelijk het bestaan van de schuld of de opeisbaarheid daarvan verborgen houdt en artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de SW daar in wezen bij aansluit met de regeling zoals die geldt voor gevallen waarin geen aangifte is gedaan. De rechtbank stelt voorop dat er geen regel van geschreven of ongeschreven recht bestaat die voorschrijft dat de belastingwetgeving in alle opzichten moet aansluiten bij de regels van het burgerlijk recht. Eiser stelt terecht dat het rechtszekerheidsbeginsel binnen de rechtsorde van essentieel belang is, maar dat neemt niet weg dat het waarborgen daarvan in het fiscale recht anders kan worden vormgegeven dan in het burgerlijk recht. Wordt ondanks een schenking geen aangifte gedaan, dan is er grond voor het aanhouden van een verjaringstermijn die langer is dan de gebruikelijke verjaringstermijn die geldt voor geval er wel aangifte is gedaan. Mede in aanmerking nemend dat van de onderhavige schenking geen aangifte is gedaan, is de rechtbank van oordeel dat het niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel om vierentwintig jaar na de schenking een aanslag in het recht van schenking op te leggen.

15. Ter motivering van zijn standpunt dat de aanslag in strijd is met artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM heeft eiser, met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, nr. 15/00340, ECLI:NL:HR:2016:121, aangevoerd dat voor de aanslag een wettelijke basis ontbreekt, dat van voorzienbaarheid geen sprake is gegeven de onbeperkte navorderingstermijn. Tevens voert eiseres aan dat de vormgeving en uitwerking van artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de SW verder gaat dan noodzakelijk is om het daarmee beoogde doel te verwezenlijken. Naar het oordeel van de rechtbank faalt ook dit standpunt van eiser. Hetgeen eiser heeft aangevoerd aangaande de wettelijke basis stuit af op hetgeen is overwogen onder 11 en 13. Van onvoorziene wetgeving is geen sprake aangezien de bepaling van artikel 66 eerste lid, aanhef en onder 2°, reeds vele jaren vrijwel ongewijzigd in de SW is opgenomen. Ook faalt de stelling van eiser dat deze bepaling verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van het daarmee beoogde doel. Met de bepaling wordt beoogd het veiligstellen van de heffing van het recht van schenking ter zake van schenkingen die voor de fiscus verborgen zijn gehouden. De gebruikelijke verjaringstermijn of, zoals eiser bepleit, een vaste verjaringstermijn van twintig jaar na het doen van de schenking, zou daarvoor niet toereikend zijn, omdat de omstandigheden waaronder dergelijke schenkingen bekend worden, zich ook pas (lang) daarna kunnen voordoen.

16. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.