Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 30283
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijff familie of gezindslid. Middelenvereiste. Arbeidsongeschikt. Participatiewet. Verblijfsgat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Boon).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor het wijzigen van het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning afgewezen, vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste. De aanvraag is ingediend voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’. Voorts heeft verweerder bij dit besluit een terugkeerbesluit uitgevaardigd waaruit volgt dat eiseres binnen vier weken de Europese Unie dient te verlaten. Eiseres heeft tegen dit besluit op 4 juli 2016 bezwaar ingediend.

Bij besluit van 29 november 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat aan eiseres een verblijfsvergunning regulier wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’ met ingang van 4 november 2016, geldig tot 4 november 2021.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 18 mei 2017 (het bestreden besluit) is het besluit van 29 november 2016 door verweerder ingetrokken, is het bezwaar van eiseres van 4 juli 2016 (wederom) gegrond verklaard en is een nieuw besluit genomen waarbij aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’ met ingang van 24 oktober 2016, geldig tot 24 oktober 2021 wordt verleend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het beroep, gericht tegen het besluit van 29 november 2016, wordt op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit.

2. Met ingang van 1 september 2014 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor het doel ‘studie aan hoger onderwijs’, geldig tot 1 december 2016. Bij besluit van 26 februari 2016 is deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 1 september 2014 ingetrokken en is aan eiseres de verplichting opgelegd de Europese Unie binnen 4 weken te verlaten. Hiertegen heeft eiseres geen rechtsmiddel aangewend. Op 23 februari 2016 heeft eiseres de onderhavige aanvraag gedaan, waarna de besluitvorming heeft plaatsgevonden zoals omschreven in het procesverloop.

3. Eiseres stelt in beroep primair dat de datum van aanvraag, te weten 23 februari 2016, als ingangsdatum van de verblijfsvergunning had moeten gelden. Eiseres heeft belang bij het vaststellen van een eerdere ingangsdatum in verband met de mogelijke gevolgen voor de Participatiewet-uitkering van de echtgenoot van eiseres, [persoon] (hierna: referent). Als gevolg van de besluitvorming van verweerder is sprake is van een verblijfsgat tussen 20 november 2014 en 24 oktober 2016. Uit de door eiseres en referent overgelegde geschreven toelichtingen en bewijsstukken had verweerder al ten tijde van de aanvraag kunnen concluderen dat referent niet kon werken en als blijvend en duurzaam arbeidsongeschikt diende te worden beschouwd, althans dat sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met iemand die in het kader van de ontvangen bijstandsuitkering gedurende vijf jaar is vrijgesteld van alle arbeidsverplichtingen en dat deze vrijstelling nog tenminste een jaar voortduurt. Subsidiair stelt eiseres dat de ingangsdatum in ieder geval op een eerder moment dan 24 oktober 2016 had moeten liggen, namelijk op 4 juli 2016, de datum dat de gronden van bezwaar zijn ingediend, of enige datum gelegen tussen 25 februari 2016 en 24 oktober 2016. Dat verweerder pas tijdens de hoorzitting overtuigd is geraakt van het feit dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, betekent niet dat dit niet veel eerder al was gebleken. De situatie van referent en het feit dat hij al vanaf 2007 blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, was al ten tijde van de aanvraag voldoende duidelijk naar voren gebracht. Hetgeen bij de aanvraag en in bezwaar is aangevoerd rechtvaardigt op zijn minst een afwijking van het beleid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) terzake vrijstelling van het middelenvereiste . Eiseres wijst op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840) waaruit blijkt dat de afweging of er aanleiding is af te wijken van het beleid ook moet worden gemaakt indien sprake is van feiten en omstandigheden die worden geacht te zijn verdisconteerd in het beleid . Uit het bestreden besluit blijkt niet welke feiten en omstandigheden of welke toelichting bepalend is geweest voor de conclusie dat eiseres pas vanaf 24 oktober 2016 in aanmerking komt voor verblijf bij referent. Eiseres stelt dat het besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

4. Verweerder heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb is een vereiste van de aanvraag dat de aanvrager alle gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 3.102 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaalt dat de vreemdeling bij de aanvraag de gegevens en bescheiden, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), overlegt.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

Ingevolge artikel 3.13 van het Vb 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming verleend indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 van het Vb genoemde voorwaarden.

Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a. In het tweede lid is onder meer bepaald dat in afwijking van het eerste lid de verblijfsvergunning eveneens wordt verleend, indien de hoofdpersoon naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.

In paragraaf B7/2.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afwijst omdat de referent niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, als de referent voldoet aan één van de volgende voorwaarden:

(…);

de referent is naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt; of

dde referent is blijvend niet in staat aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen.

De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de Vb 2000 aan als de referent geen uitkering op grond van de WIA, WAO, WAZ, Wet Wajong of Wajong ontvangt en als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

  • -

    de referent is ten minste twee jaar volledig arbeidsongeschikt;

  • -

    (gedeeltelijk) herstel van de referent is voor ten minste nog een jaar redelijkerwijs

uitgesloten; en niet al op voorhand, gelet op de reden(en) van de arbeidsongeschiktheid, is geheel of gedeeltelijk herstel van de referent na dit jaar te verwachten.

Met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000 wijst de IND de verblijfsvergunning niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 als de referent blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. De IND neemt in ieder geval aan dat de blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling conform artikel 9 van de Participatiewet te voldoen als de referent voldoet aan de twee volgende voorwaarden:

de referent is vijf jaar door het college van Burgemeester en Wethouders op grond van artikel 9, tweede lid, Participatiewet volledig ontheven van de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, Participatiewet (plicht tot arbeidsinschakeling); en gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling van de referent is niet binnen één jaar te voorzien.

Artikel 4:84 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Partijen zijn verdeeld over de vraag welke datum als ingangsdatum van de op 18 mei 2017 aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet gelden. Verweerder heeft als ingangsdatum 24 oktober 2016 gehanteerd. Eiseres stelt dat een eerdere datum als ingangsdatum zou moeten gelden.

6.2

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres met de overgelegde stukken heeft aangetoond dat referent op 24 oktober 2016 ten minste twee jaar volledig arbeidsongeschikt is, terwijl niet is gebleken dat geheel of gedeeltelijk herstel van referent na een jaar is te verwachten. Verweerder heeft daarbij grote waarde mogen hechten aan de rapportages van het UWV, omdat dat de instantie is die de arbeidsongeschiktheid beoordeelt. Uit de rapportage van het UWV van 24 oktober 2014 blijkt, voor zover van belang, dat referent stelt sinds 2001 te kampen met psychische klachten, dat 23 november 2005 als eerste ziektedag wordt aangehouden en dat de verwachting is dat de prognose van de participatiemogelijkheden op termijn zullen toenemen. In de rapportage van het UWV van 4 januari 2016 wordt, voor zover van belang, vermeld dat er sprake is van een ernstig psychische stoornis die referent volledig arbeidsongeschikt maakt, dat gezien de omstandigheid dat behandeling nog moet worden opgestart de situatie niet duurzaam wordt geacht te zijn en dat de prognose van de participatiemogelijkheden dankzij adequate therapie zullen toenemen. Voorts blijkt uit het behandelplan van de GGZ Delfland van
29 september 2016 niet dat er een verbetering heeft plaatsgevonden in de medische klachten van referent en dat er een behandeling zal worden opgestart. Gelet op deze stukken is verweerder terecht tot de conclusie gekomen dat eerst op 24 oktober 2016 aangetoond is dat referent blijvend en volledig arbeidsongeschikt wordt geacht gedurende de afgelopen twee jaar. Referent kan daarom per 24 oktober 2016 als volledig en blijvend arbeidsongeschikt worden aangemerkt en is per die datum vrijgesteld van het middelenvereiste. Verweerder heeft dus op goede gronden aangenomen dat eerst op 24 oktober 2016 is aangetoond dat aan alle voorwaarden wordt voldaan van de gevraagde verblijfsvergunning en dat deze datum als ingangsdatum dient te gelden.

6.3

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat referent op het moment van het indienen van de onderhavige aanvraag voldeed aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van het middelenvereiste. Daarvoor is, gelet op hetgeen is bepaald in paragraaf B7/2.1.1 van de Vc, vereist dat op het moment van het verstrekken van de verblijfsvergunning al sprake was van twee jaar volledige arbeidsongeschiktheid. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dit niet. De medische stukken die zijn overgelegd dateren allemaal van na die periode, en zien ook niet specifiek op de periode vóór 24 oktober 2014. In die stukken vindt de rechtbank ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat referent wellicht niet formeel arbeidsongeschikt was geacht, maar dat in feite wel was. Uit die stukken is evenmin af te leiden dat herstel voor ten minste een jaar redelijkerwijs is uitgesloten. Er is dan ook voldoende grond voor het oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning kon verlenen met terugwerkende kracht tot 24 oktober 2016. De beroepsgrond slaagt niet.

6.4

Eiseres heeft tot slot een beroep gedaan op artikel 4:84 van de Awb en in dat kader aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van het beleid inzake vrijstelling van het middelenvereiste. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verduidelijkt dat zij afwijking beoogt van beide in paragraaf B7/2.1.1 van de Vc 2000 genoemde vrijstellingsmogelijkheden. Als bijzondere omstandigheden heeft eiseres aangevoerd: dat de gemeente Delft referent gedeeltelijk heeft vrijgesteld van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling; dat op grond van de overgelegde stukken duidelijk was dat referent ten tijde van de aanvraag al blijvende arbeidsongeschiktheid was en dat gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling van referent niet binnen één jaar was te voorzien; dat referent vanwege zijn verblijf in Vietnam van begin 2012 tot medio 2014 niet kan aantonen dat hij al vijf jaar is ontheven van de verplichting als bedoeld in de Participatiewet en in die periode geen beroep heeft gedaan op de openbare kas.

6.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van artikel 4:84 van de Awb. Met betrekking tot de mogelijkheid tot vrijstelling van het middelenvereiste vanwege het ten minste twee jaar volledig arbeidsongeschikt zijn, verwijst de rechtbank naar hetgeen onder 6.2 en 6.3 is overwogen. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die afwijking van het toepassen van de tweejaarstermijn rechtvaardigen. Met betrekking tot de mogelijkheid tot vrijstelling van het middelenvereiste vanwege het vijf jaar volledig ontheven zijn van de verplichtingen op grond van de Participatiewet, overweegt de rechtbank dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het de keuze van referent is geweest om naar Vietnam te gaan, waardoor hij niet kon voldoen aan het vereiste van ontheffing van de verplichting tot arbeidsinschakeling gedurende vijf jaar. Voorts volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat onvoldoende is gebleken van gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De omstandigheid dat eiseres als gevolg van de onderhavige besluitvorming acht maanden later in aanmerking kan komen voor voortgezet verblijf, acht de rechtbank niet dusdanig onevenredig dat verweerder had dienen af te wijken van het beleid. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres hoe dan ook een zogenaamd verblijfsgat zal hebben nu zij niet is opgekomen tegen de intrekking van de verblijfsvergunning. De mogelijke intrekking van de bijstandsuitkering en het risico op terugvordering van uitgekeerde bedragen zijn bovendien onzekere in de toekomst gelegen gebeurtenissen die niet maken dat ten tijde van de besluitvorming sprake was van onevenredige gevolgen zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

8. In de omstandigheid dat verweerder het besluit van 29 november 2016 in de beroepsfase heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

9. De rechtbank wijst er ten slotte op dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 168,- aan haar dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 mei 2017 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht tot een bedrag van € 168,- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.