Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8083

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 27391
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Duurzaam verblijf Unieburger

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/27391

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. C.A. Lucardie),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Wieman).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ afgewezen.

Bij besluit van 2 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 en de Poolse nationaliteit te

hebben. Eiseres is sinds 25 januari 2011 in Nederland. Zij heeft in 2014 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier ‘verblijf bij partner’. Deze aanvraag is ingetrokken. Eiseres heeft op 17 mei 2016 de onderhavige aanvraag ingediend tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’.

2. Eiseres heeft bij de aanvraag een kopie van haar paspoort en kopieën van stukken van

zorgverzekering(en) ingediend. Eiseres heeft bij bezwaar de volgende stukken overgelegd:

een toekenningsbeschikking Wajong aangaande [persoon] (hierna: [persoon] ) van 9 september 2006 (waaruit blijkt dat [persoon] een Wajong-uitkering ontvangt die is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%); een betaalspecificatie Wajong aan [persoon] van 12 januari 2014 met uitkeringsbedrag € 1.114,25 bruto, en een brief van het UWV aan [persoon] van 1 september 2016, waarin wordt geoordeeld dat hij geen arbeidsvermogen heeft. Voorts heeft eiseres een brief overgelegd van de ouders van [persoon] van 2 oktober 2016 waarin zij verklaren dat zij eiseres en [persoon] financieel ondersteunen sinds 2011.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, samengevat, ten grondslag gelegd. Verweerder geeft aan dat de stukken die eiseres heeft overgelegd in het kader van de aanvraag niet voldoende zijn om te concluderen dat het verblijf vijf jaar onafgebroken of rechtmatig is geweest. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij over enige middelen van bestaan heeft beschikt, dan wel enig inkomen uit arbeid heeft verkregen. Er wordt derhalve niet voldaan aan de eisen van het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Ook indien het inkomen van de partner van eiseres in aanmerking zou worden genomen, wordt niet voldaan aan deze eisen nu een Wajong-uitkering inkomen uit publieke middelen is dat buiten beschouwing dient te blijven bij de onderhavige toetsing (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3627). Voorts heeft eiseres niet aangetoond te kunnen beschikken over de toelage van de ouders van [persoon] en dit betreft daarnaast een laag bedrag. Verweerder concludeert dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij duurzaam verblijfsrecht heeft in de zin van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 (Richtlijn 2004/38/EG). In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd en zich aanvullend op het (meer primaire) standpunt gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij een (duurzame) relatie onderhoudt met referent.

4. Eiseres heeft in beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte afgezien van het horen van eiseres in de bezwaarprocedure. Voorts is ten onrechte in het bestreden besluit overwogen dat eiseres niet zou hebben aangetoond gedurende de gehele referteperiode over voldoende (eigen) middelen te hebben beschikt. In de bezwaarprocedure is uitgebreid toegelicht en onderbouwd dat eiseres in de referteperiode over voldoende middelen beschikte. Eiseres is gedurende een ononderbroken periode van 5 jaar legaal in Nederland verbleven en zij komt op grond van artikel 16 van Richtlijn 2004/38/EG in aanmerking voor een duurzaam verblijfsrecht. In het bestreden besluit wordt ten onrechte voorbijgegaan aan de arbeidsongeschiktheid van eiseres en haar partner [persoon] . Het bestreden besluit is op dit punt niet genoegzaam gemotiveerd. Voorts is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid nu daaruit niet blijkt dat verweerder de stukken overgelegd bij brief van 11 oktober 2016 in de beoordeling heeft betrokken. Verder voert eiseres aan dat in het kader van het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier wegens gezinshereniging (artikel 3.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) gelezen in samenhang met paragraaf B7/2.1.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000) geldt, dat iemand die blijvend en volledig arbeidsongeschikt is en een Wajong-uitkering ontvangt, wordt vrijgesteld van het middelenvereiste. Deze nationale vrijstellingsbepaling dient ook te gelden voor eiseres en referent die als Unieburger(s) meer recht kan doen gelden op verblijf in Nederland dan een derdelander. Indien een verschillend beleid met betrekking tot het inkomstenvereiste bij gezinshereniging van een Nederlander met een Unieburger en een Nederlander met een derdelander wordt gehanteerd, is sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit, aldus eiseres. Ten onrechte wordt voorts in het bestreden besluit aan eiseres tegengeworpen dat zij niet zou hebben aangetoond dat zij een (duurzame) relatie zou onderhouden met [persoon] . Omdat verweerder dit argument in het bestreden besluit voor het eerst heeft opgevoerd en eiseres daarop in de bezwaarfase niet heeft kunnen reageren, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en niet genoegzaam gemotiveerd. Eiseres heeft reeds vele jaren een relatie met [persoon] en woont ongeveer 7,5 jaar met hem samen. Eerst ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat verweerder voor april 2015 bij aanvragen duurzaam verblijf in de zin van artikel 16 van de Verblijfsrichtlijn slechts toetste of er daadwerkelijk sprake was van verblijf in Nederland gedurende een periode van 5 jaar en pas na die tijd is verweerder gaan controleren of gedurende die periode aan het middelenvereiste werd voldaan. Eiseres betoogt dat, gelet op artikel 37 van de Verblijfsrichtlijn, verweerder ten onrechte het ongunstigere uitvoeringsregime van na april 2015 op eiseres heeft toegepast.

5. Verweerder heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd.

6. In artikel 1, aanhef en onder e sub 1, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt

- voor zover hier van belang - verstaan onder gemeenschapsonderdaan: onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en te verblijven.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte.

Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 verschaft de Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, onder 1°, 3° en 5°, een document, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, indien de vreemdeling het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in artikel 16 van Richtlijn 2004/38/EG.

In artikel 16, eerste lid, onder c, van Richtlijn 2004/38/EG is bepaald - voor zover van belang - dat iedere burger van de Unie, die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, aldaar een duurzaam verblijfsrecht heeft.

Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 is paragraaf 2 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Op grond van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling als bedoeld in

artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland indien hij:

a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te

zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over

een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.

c. (…)

d. een familielid is als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, van de vreemdeling als bedoeld onder a of b.

Ingevolge het derde lid beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat in artikel 3.74 voor de desbetreffende categorie is vastgesteld voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.

Ingevolge artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan in ieder geval voldoende, indien het bruto inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen ten minste gelijk is aan het minimumloon, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, onder a, en 14, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

7. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7.1

Niet in geschil is dat eiseres de Poolse nationaliteit bezit en dat zij sinds de toetreding van de Republiek Polen tot de EU op 1 mei 2004 een gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

7.2

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder op goede gronden heeft kunnen concluderen dat eiseres niet gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven omdat zij niet heeft aangetoond te voldoen aan het middelenvereiste.

7.3

De rechtbank overweegt allereerst dat het standpunt van eiseres dat gelet op artikel 37 van de Verblijfsrichtlijn de uitvoeringspraktijk van voor april 2015 gunstiger was (want geen toepassing van een middelenvereiste) en dat ten onrechte het ongunstigere uitvoeringsregime op eiseres is toegepast, niet zal worden meegenomen in de beoordeling. Dit standpunt is eerst ter zitting naar voren gebracht en gesteld noch gebleken is dat dit niet eerder had gekund. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting tegen het inbrengen van dit nieuwe standpunt verzet en gesteld niet goed op dit standpunt te kunnen reageren nu hij zich daarop niet heeft kunnen voorbereiden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de goede procesorde zich verzet tegen beoordeling van het standpunt van eiseres.

7.4

De rechtbank overweegt voorts dat niet in geschil is dat eiseres in de referteperiode geen werknemer, zelfstandige of werkzoekende is geweest als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. De stelling van eiseres dat zij arbeidsongeschikt is, passeert de rechtbank vanwege het ontbreken van onderbouwing daarvan. Verweerder heeft, gelet op het bepaalde artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000, voorts terecht gekeken naar inkomsten van referent. Verweerder heeft zich – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2014 en gelet op het bepaalde in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 – terecht op het standpunt gesteld dat de Wajong-uitkering van referent niet kan worden betrokken bij de onderhavige toetsing nu daarvoor geen premies zijn afgedragen.

7.5

Eiseres heeft ondanks het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat toch wordt voldaan aan het middelenvereiste. Dat uit een schriftelijke verklaring van de ouders van referent blijkt dat zij eiseres sinds 2011 financieel ondersteunen, is daartoe onvoldoende nu het hierbij gaat om relatief lage bedragen (€ 75,- per maand voor eiseres en referent samen en € 50,- per maand ter zake zorgkosten voor eiseres).

7.6

Met betrekking tot het standpunt van eiseres dat sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit, overweegt de rechtbank het volgende.

7.6.1

Uit artikel 3.22, tweede lid, van het Vb 2000 volgt dat de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 (een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid) wordt verleend indien de hoofdpersoon naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. Uit paragraaf B7/2.1.1 van de Vc 2000 blijkt voorts dat verweerder blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van het Vb 2000 aanneemt als referent een uitkering op grond van de (…) Wajong ontvangt, uit de toekenningsbeschikking blijkt dat hij volledig arbeidsongeschikt is en uit de meest recente uitkeringsspecificatie blijkt dat de referent op het moment van het indienen of beoordelen van de aanvraag nog steeds voor 80-100% arbeidsongeschikt is.

7.6.2

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit geen sprake is. De aanvraag duurzaam verblijf als burger van de Unie waarbij wordt getoetst aan artikel 8.12 jo. 8.17 Vb 2000 zijnde een implementatie van de artikelen 7 en 16 van Richtlijn 2014/38/EG, is een andere regeling dan een aanvraag naar nationaal recht op grond van artikel 3.22 van het Vb 2000. Zoals hierboven is geoordeeld, voldoet eiseres niet aan de vereisten voor afgifte van een document ‘duurzaam verblijf als burger van de Unie’. Het staat eiseres echter vrij (nogmaals) een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.13 van het Vb 2000 in te dienen en een beroep te doen op de vrijstellingsgrond zoals hiervoor omschreven.

7.7

Evenwel is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een (duurzame) relatie met referent onderhoudt, geen stand kan houden nu in het bestreden besluit niet is gemotiveerd dat sprake is van individuele indicatoren die in onderlinge samenhang bezien een onderzoek naar misbruik van de richtlijn 2004/38/EG rechtvaardigen. Dit kan evenwel niet tot een gegrond beroep leiden, nu als afwijzingsgrond het niet voldoen aan het middelenvereiste is gehanteerd en deze grond in beroep in stand blijft.

7.8

Samengevat is de rechtbank van oordeel dat nu niet is aangetoond dat eiseres over voldoende middelen van bestaan beschikt, zij daarom niet gedurende vijf jaar rechtmatig en onafgebroken verblijf heeft gehad. Evenmin is op andere wijze gebleken dat eiseres gedurende vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ingevolge de toepasselijke regelgeving niet in aanmerking komt voor afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000.

7.9

De rechtbank volgt eiseres in haar stelling dat nu een aantal door haar ingediende stukken bij brief van 11 oktober 2016 niet in het bestreden besluit zijn meegenomen zoals ook ter zitting door verweerder is erkend, het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in stand te laten. De bedoelde stukken leiden niet tot een ander oordeel dan hiervoor verwoord.

7.10

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de hoorplicht in de bezwaarprocedure is geschonden. In dit verband overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Nu uit het bezwaarschrift niet blijkt dat eiseres voldoet aan de voorwaarde van vijf jaar rechtmatig verblijf, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen afzien van het horen van eiseres in de bezwaarfase. Voorts oordeelt de rechtbank dat de bij brief van 11 oktober 2014 overgelegde stukken, welke door verweerder niet zijn meegenomen in de besluitvorming, niet tot gerede twijfel zouden hebben geleid.

8. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de aanvraag op goede gronden afgewezen.

9. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 7.9 is overwogen, zal het beroep gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit worden vernietigd en ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

10 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 990,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 168,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.