Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:804

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
827013-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdrecht

De verdachte heeft samen met twee medeverdachten goederen voorhanden gehad waarmee door hen beoogd werd een beroving te plegen. De verdachte en twee medeverdachten hadden al bepaald waar en wanneer de overval zou gaan plaatsvinden. Dat het niet zover is gekomen, ligt uitsluitend aan de omstandigheid dat de verdachte in de tram werd aangehouden wegens zwartrijden en in zijn fouillering bivakmutsen en een gasdruk-/alarmpistool werden aangetroffen. De verdachte en zijn mededaders hebben, met het plegen van de voorbereidingshandelingen voor een ernstig strafbaar feit, getoond, dat zij bereid zijn om met het oog op eigen gewin anderen ernstige materiële en immateriële schade toe te brengen. Met het bezit van een verboden wapen draagt de verdachte bovendien bij aan het toenemen van gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/827013-16

Datum uitspraak: 26 januari 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboortedag]

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 20 oktober 2016 en

12 januari 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.A. Visser en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. H. Weisfelt, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 januari 2016 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, en/of

Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld en/of afpersing, beide al dan niet in vereniging, althans alleen, en/of op de openbare weg, opzettelijk twee, althans één, gasdrukwapens/alarmpistolen, althans op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) en/of twee bivakmutsen en/of één stuk nitraatvuurwerk/knalvuurwerk, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 7 januari 2016 te Voorburg, althans in Nederland, terwijl hij toen de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV sub 7, te weten een alarmpistool/gasdrukwapen, voorhanden heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich op 7 januari 2016 te Voorburg en/of Den Haag schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen voorbereiden van een strafbaar feit, te weten diefstal met geweld en/of afpersing, al dan niet in vereniging en op de openbare weg, door het voorhanden hebben van twee gasdrukwapens/ alarmpistolen, twee bivakmutsen en één stuk nitraat-/knalvuurwerk (feit 1) en of de verdachte op of omstreeks 7 januari 2016 te Voorburg, althans in Nederland, een alarmpistool/gasdrukwapen voorhanden heeft gehad (feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 en feit 2 heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie het voorhanden hebben van een stuk nitraatvuurwerk/knalvuurwerk ter voorbereiding van een strafbaar feit niet bewezen en heeft hij de rechtbank verzocht verdachte hiervan partieel vrij te spreken.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangegeven dat de verdachte ter zitting heeft bekend dat hij samen met anderen van plan was een straatroof te plegen en dat hij samen met één van de medeverdachten een alarmpistool heeft gekocht.

De bivakmutsen kregen ze erbij. Het medeplegen van voorbereiding van een strafbaar feit kan, aldus de officier van justitie, dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, evenals het voorhanden hebben van het alarmpistool. Iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, mag dit volgens de wet niet voorhanden hebben en aldus is er sprake van een strafbaar feit.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat het evident is dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat er geen sprake is van een strafbare voorbereiding, als de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij het alarmpistool voor Oud en Nieuw had gekocht en daarbij een bivakmuts kreeg, gelooft.

Dat je vervolgens gedachten hebt of plannen maakt voor een straatroof, wil nog niet zeggen dat er sprake is van strafbare voorbereiding, aangezien het alarmpistool aanvankelijk niet met dat doel werd aangeschaft. Vrijspraak van feit 1 dient in dat geval te volgen, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Ten aanzien van feit 1

Op 7 januari 2016 te Den Haag zijn de verdachte en [medeverdachte 1] door controleurs in dienst van HTM Personenvervoer N.V. aangehouden in de tram voor het reizen zonder een geldig vervoersbewijs. In de fouillering van de verdachte werden een op een echt gelijkend klein vuurwapen2, twee bivakmutsen en een stuk vuurwerk aangetroffen.3

De verdachte en [medeverdachte 1] waren op weg naar hun afspraak met [medeverdachte 2] (hierna: Hicham).45

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 7 januari 2016 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van plan was een straatroof te plegen bij de tunnel van het Kleine Loo te Voorburg. Als hij niet was aangehouden, waren [medeverdachte 1] en hij naar [medeverdachte 2] , en vervolgens met z’n drieën naar de tunnel gegaan.

De verdachte heeft verklaard dat hij in december 2016 met [medeverdachte 1] met de trein naar Schiedam is gegaan en dat zij op Schiedam C.S. allebei een alarmpistool hebben gekocht voor € 90,- per stuk. De bivakmutsen kregen ze erbij. De alarmpistolen hadden ze gekocht om met Oud en Nieuw te gebruiken, maar dit werd - aldus de verdachte - anders toen er al vóór Oud en Nieuw plannen voor een beroving werden gemaakt. De alarmpistolen zouden bij de beroving worden gebruikt. Verder was er nog geen rolverdeling afgesproken.

De verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat het vuurwerk nog in zijn jaszak zat en dat hij dat niet bij de beroving wilde gebruiken.6

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met zijn medeverdachten een wapen voorhanden heeft gehad dat, samen met de aangetroffen bivakmutsen, bestemd was tot het begaan van een diefstal met geweld of een afpersing, feiten waarop een gevangenisstraf van meer dan acht jaren is gesteld.

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte het nitraat-/knalvuurwerk bij zich had ter voorbereiding van voornoemd feit. Aldus is het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het voorhanden hebben van nitraat-/ knalvuurwerk.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat er geen sprake is geweest van een strafbare voorbereiding, omdat de verdachte het alarmpistool zou hebben gekocht om tijdens Oud en Nieuw te gebruiken, nu de verdachte heeft bekend het wapen op 7 januari 2016 voorhanden te hebben gehad ter voorbereiding van een misdrijf. Of het oogmerk van de verdachte bij de aankoop van het wapen het gebruik tijdens Oud en Nieuw was, is daarbij niet relevant.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting7;

- het proces-verbaal van bevindingen8;

- het onderzoek van het wapen9.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 07 januari 2016 te Den Haag, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld en/of afpersing, beide al dan niet in vereniging en/of op de openbare weg, opzettelijk twee gasdrukwapens/alarmpistolen en twee bivakmutsen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 7 januari 2016 in Nederland, terwijl hij toen de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV sub 7, te weten een alarmpistool/gasdrukwapen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 39 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en tot een werkstraf van 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde het volgen van onderwijs. De jeugdreclassering

dient hierop toe te zien.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank wel tot bewezenverklaring van feit 1 komt, bepleit dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd gelijk aan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft hierbij onder meer aangevoerd dat de verdachte gedurende bijna 1 jaar een avondklok heeft gehad en hij zich hier goed aan heeft gehouden. Daarnaast is door de deskundigen van de Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Jeugdbescherming west aangegeven dat er geen noodzaak meer is tot begeleiding en heeft de verdachte zijn school goed opgepakt. Ook heeft hij geen politiecontacten meer gehad.

Indien de rechtbank niet tot bewezenverklaring van feit 1 komt, is de vuurwapenaantekening die de verdachte op zijn documentatie krijgt voor het voorhanden hebben van een wapen, wel voldoende straf, aldus de raadsman.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft samen met twee medeverdachten goederen voorhanden gehad waarmee door hen beoogd werd een beroving te plegen. De verdachte en twee medeverdachten hadden al bepaald waar en wanneer de overval zou gaan plaatsvinden. Dat het niet zover is gekomen, ligt uitsluitend aan de omstandigheid dat de verdachte in de tram werd aangehouden wegens zwartrijden en in zijn fouillering bivakmutsen en een gasdruk-/

alarmpistool werden aangetroffen. De verdachte en zijn mededaders hebben, met het plegen van de voorbereidingshandelingen voor een ernstig strafbaar feit, getoond, dat zij bereid zijn om met het oog op eigen gewin anderen ernstige materiële en immateriële schade toe te brengen. Met het bezit van een verboden wapen draagt de verdachte bovendien bij aan het toenemen van gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De persoon van de verdachte

De verdachte is nog niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op diverse voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming betreffende de persoon van de verdachte, waaronder het meest recente rapport d.d. 10 oktober 2016.

Blijkens dit rapport waren er zorgen op een aantal leefgebieden, zoals school, beïnvloedbaarheid, attitude, impulsiviteit en relaties. Met hulp en begeleiding door de Jeugdreclassering en met de aanpak van de Waag (MST) heeft de verdachte laten zien leerbaar te zijn en zijn eigen gedrag te kunnen verbeteren. Dit geldt ook voor de medewerking en inzet van zijn moeder. Op dit moment is de verdachte geplaatst op regulier onderwijs en functioneert hij hier naar behoren. Dit alles heeft de kans op herhaling doen verlagen. Er zijn ook geen nieuwe politieregistraties. Om de positieve verandering voor langere tijd te waarborgen wordt de verlenging van begeleiding van de Jeugdreclassering voor de periode van een jaar geadviseerd. Dit kan middels een voorwaardelijke werkstraf gerealiseerd worden. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de verdachte een jeugddetentiestraf op te leggen gelijk aan de gevangenhouding met daarnaast een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende zijn proeftijd onderwijs volgt en zich op bepaalde tijdstippen zal melden bij de Jeugdreclassering.

Ter terechtzitting hebben de deskundigen van de Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Jeugdbescherming west hun standpunt in zoverre gewijzigd dat zij menen dat verdere begeleiding door de jeugdreclassering niet langer noodzakelijk is, nu alle doelen zijn behaald. Ook het monitoren dat de verdachte naar school zal blijven gaan, is - aldus Stichting Jeugdbescherming west - niet nodig, nu de verdachte zijn school goed heeft opgepakt en er zelf, samen met moeder en zo nodig de leerplichtambtenaar, voor kan zorgen dat dit zo blijft.

De op te leggen straf

Uit het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat de verdachte een actieve rol heeft gehad bij de voorbereiding van de beroving.

Hoewel de eis op zich passend is, kiest de rechtbank voor een andere strafmodaliteit.

Gelet op de leeftijd van de verdachte alsook de omstandigheid dat hij, zonder eerdere veroordeling, langere tijd in voorarrest heeft gezeten, alsmede de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd, zal de rechtbank de verdachte geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf opleggen, zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal een deels voorwaardelijke werkstraf opleggen.

Het onvoorwaardelijke deel van deze werkstraf heeft de verdachte, omgerekend naar jeugddetentie, al in voorarrest doorgebracht.

Nu ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zijn leven goed op orde heeft, hij intrinsiek gemotiveerd lijkt om naar school te gaan en alle gestelde doelen volgens de jeugdreclassering zijn behaald, ziet de rechtbank geen aanleiding om bijzondere voorwaarden op te leggen.

7 De inbeslaggenomen goederen

Op de lijst van ingeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) staan:

1. STK Muts Kl:zwart; bivakmuts;

2. 1.00 STK Alarmpistool Kl:zwart; RECORD CAL;

3. 1.00 STK Vuurwerk;

4. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:wit; SAMSUNG S3; geen frontje, losse simkaart

tussen hoesje achter.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1, 2 en 4 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard en dat het onder 3 genummerde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag betoogd dat de telefoon aan de verdachte dient te worden teruggegeven en ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen geen verweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2 en 4 vermelde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien zij aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 3 vermelde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar aangezien het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36b, 36d, 46, 47, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;

26 en 54 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding

onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1.

medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen

en/of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen;

2.

handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 118 UREN;

bepaalt dat een gedeelte van deze werkstraf, groot 40 UREN subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde

zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf, zijnde 78 UREN, niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 39 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2 en 4 genummerde voorwerpen, te weten:

1. STK Muts Kl:zwart; bivakmuts;

2. 1.00 STK Alarmpistool Kl:zwart; RECORD CAL;

4. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:wit; SAMSUNG S3; geen frontje, losse simkaart

tussen hoesje achter;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp, te weten:

3. 1.00 STK Vuurwerk.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.B. Wijnholt, kinderrechter,

en mr. A.P. Sno, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaalvan politie Eenheid De Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2016007070, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 392.

2 Proces-verbaal van bevindingen door het Team Forensische Opsporing, Wapens, munitie en Explosieven, pagina 208/209.

3 Proces verbaal van aanhouding van verdachte [verdachte] , pagina 18/20.

4 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , pagina 84.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 142/153.

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2017.

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2017.

8 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, pagina 157/158.

9 Proces-verbaal van bevindingen door het Team Forensische Opsporing, Wapens, munitie en Explosieven, pagina 208/209.