Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7940

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
NL17.1642
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- VA

- Afghanistan

- dreigbrieven Taliban

- ongeloofwaardig relaas

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.1642
V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek.


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 maart 2017 (het bestreden besluit).


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Op 11 december 2015 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eisers oudere broer, [oudere broer], is werkzaam voor de presidentiële garde. De vader van eiser heeft in één week twee keer een dreigbrief van de Taliban ontvangen. In de eerste dreigbrief was vermeld dat de broer van eiser moest stoppen met zijn werkzaamheden. De vader van eiser nam deze brief niet serieus en heeft hem verscheurd. In de tweede brief is vermeld dat de broer van eiser moest stoppen met zijn werkzaamheden en dat eiser moest deelnemen aan gevechten dan wel een zelfmoordaanslag zou moeten plegen. Nog diezelfde nacht is eiser met zijn ouders, broertjes en zus vertrokken naar Jalalabad. Vervolgens is eiser uit Afghanistan vertrokken.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers verklaringen over zijn problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn broer acht verweerder niet geloofwaardig.

4. Eiser heeft het standpunt van verweerder voor zover dat ziet op de geloofwaardigheid van het relaas gemotiveerd betwist en samengevat het volgende aangevoerd. Met de overgelegde foto’s en documenten heeft eiser aangetoond dat [oudere broer] zijn broer is. Verder is het onredelijk om van eiser te verwachten dat hij navraag zou doen over het werk van zijn broer. In beroep heeft eiser een verklaring van zijn broer en een foto van eiser en zijn broer overgelegd. Voorts stelt eiser dat het niet vreemd is dat hij onder een andere naam een nieuwe facebook-pagina heeft aangemaakt. Ook is de inhoud van het onderzoek dat verweerder op facebook heeft gedaan niet bij eiser bekend. Vervolgens stelt eiser dat zijn verklaringen over de handelwijze van de Taliban passen in het beeld dat naar voren komt uit het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van november 2016 (ambtsbericht). Tot slot verwijst eiser naar twee bronnen over de veiligheidssituatie in zijn gebied van herkomst, Surkh Rod, waaruit blijkt dat de invloed van de Taliban in dat gebied groot is.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is, onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft inconsistent en tegenstrijdig verklaard omtrent de chronologie van de gebeurtenissen rondom zijn vertrek uit Afghanistan. Zo heeft eiser verklaard dat de twee dreigbrieven binnen één week tijd bij hem thuis zijn bezorgd. In de nacht waarin de tweede dreigbrief is afgegeven, zou het gezin naar Jalalabad zijn vertrokken waar ze nog twee á drie dagen verbleven voor eiser uit Afghanistan vertrok. Later heeft eiser verklaard dat de dreigbrieven twee of drie weken voor zijn vertrek uit Afghanistan zijn bezorgd. Dit komt niet overeen. Bovendien is de verklaring dat de brieven binnen een week zijn ontvangen niet te rijmen met de datering van de dreigbrieven die eiser (in kopie) heeft overgelegd. Op de eerste dreigbrief staat een datum van 4 mei 2015 en op de tweede 26 juni 2015. Verder is bevreemdend dat eiser (kopieën van) twee dreigbrieven heeft overgelegd, terwijl hij heeft verklaard dat de eerste dreigbrief door zijn vader is verscheurd. Ook is bevreemdend dat de tweede dreigbrief dateert van 26 juni 2015 en dat eiser heeft verklaard dat hij direct na de tweede dreigbrief uit Afghanistan is gevlucht, terwijl eveneens uit de verklaringen valt af te leiden dat hij in november 2015 Afghanistan heeft verlaten. Verder kan eiser niet onderbouwen waarom alleen eiser Afghanistan heeft verlaten terwijl hij heeft verklaard dat het gehele gezin gevaar liep.

6. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder geconstateerde inconsistenties en tegenstrijdigheden zien op de kern van eisers relaas (zijn vlucht na ontvangst van twee dreigbrieven binnen een week). Eiser heeft tijdens de asielprocedure noch in beroep een verklaring kunnen geven voor deze inconsistenties en tegenstrijdigheden, ook niet desgevraagd ter zitting. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich reeds daarom niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat eisers verklaringen passen in het beeld dat naar voren komt uit het ambtsbericht, kan de inconsistenties en tegenstrijdigheden in zijn relaas niet wegnemen. Wat door eiser overigens is aangevoerd en overgelegd kan niet tot een ander oordeel leiden.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017.

griffier

rechter

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: