Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7937

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
NL17.2964
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Dublin Slowakije

- Interstatelijk vertrouwen

- Onevenredige hardheid

- Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.2964


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

gemachtigde: mr. N. Vollebergh,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL17.2964) en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van overdracht hangende het beroep (NL17.2965).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.2965, plaatsgevonden op 29 juni 2017. Partijen hebben zich vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 1 mei 2017 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat eiser eerder een asielverzoek in Slowakije heeft ingediend en Slowakije op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening EU nr. 604/2013 (de Dublinverordening) daarom verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Op 9 mei 2017 heeft verweerder Slowakije verzocht eiser terug te nemen. De Slowaakse autoriteiten hebben op 12 mei 2017 met dit verzoek ingestemd. In wat eiser heeft aangevoerd ziet verweerder geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt en verweerder op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

5. Niet in geschil is dat Slowakije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser omdat eiser eerder in Slowakije een asielaanvraag heeft ingediend. In geschil is of verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aanleiding had moeten zien de aanvraag van eiser in behandeling te nemen.

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de asielprocedure in Slowakije op essentiële onderdelen niet aan de minimumnormen voldoet. Hij stelt zich op het standpunt dat hij door de Slowaakse autoriteiten ten onrechte niet is gehoord over zijn asielmotieven. Hem is geen enkele vorm van rechtsbijstand geboden en hij zat in een gesloten kamp. Eiser is mondeling te verstaan gegeven dat hij Slowakije moest verlaten. Eiser is homoseksueel. Overdracht aan Slowakije brengt een reëel risico op refoulement met zich mee gelet op het gevaar voor vervolging en risico’s van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit openbare bronnen blijkt dat homoseksuelen in Marokko wel degelijk gevaar lopen. Subsidiair meent eiser dat overdracht aan Slowakije getuigt van een onevenredige hardheid. Slowakije is een zeer homofoob en xenofoob land en staat onwelwillend tegenover vluchtelingen. Eiser is immigrant, moslim en homoseksueel. Deze combinatie van factoren maakt dat eisers leven in Slowakije onhoudbaar zal zijn. Van eiser mag niet worden verwacht dat hij zijn geaardheid verborgen houdt. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), in de zaak Y. en Z., kenmerk C-71/11 & C-99/11 van 5 september 2012.

7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

8. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Slowakije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat Slowakije zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 of 13 van het EVRM. De enkele stelling van eiser dat hij in Slowakije de aanzegging heeft gekregen het land te verlaten nog voordat hij zijn asielrelaas naar voren had gebracht biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van refoulement wanneer eiser aan Slowakije wordt overgedragen. Eiser heeft blijkens zijn eigen verklaringen slechts 3 weken in Slowakije verbleven voor hij naar Oostenrijk vertrok en heeft zijn verklaringen niet met stukken onderbouwd. De Slowaakse autoriteiten hebben door middel van het claimakkoord op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening bevestigd dat eisers verzoek om internationale bescherming nog altijd in behandeling is. Dat eiser vertrokken is zonder het vervolg van zijn procedure in Slowakije af te wachten komt voor zijn risico en verantwoording. Daarbij is Slowakije bij de behandeling van zijn asielverzoek ook gebonden aan de Europese richtlijnen, het EVRM en aan de toetsing die volgt uit het hierboven genoemde arrest van het HvJEU inzake homoseksuelen waar eiser een beroep op heeft gedaan. Indien eiser van mening is dat Slowakije in strijd handelt met deze richtlijnen, het EVRM en de daaruit voortvloeiende waarborgen, dient hij hierover bij de desbetreffende autoriteiten te klagen.

10. Verweerder heeft in de combinatie van de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Voor zover eiser in dit kader verwijst naar de eerder ondervonden problemen in de opvang dan wel te verwachten problemen met de bevolking van Slowakije gelet op zijn geaardheid en zijn achtergrond kan hij zich bij voorkomende problemen wenden tot de (hogere) autoriteiten in Slowakije. Niet gebleken is dat dit voor eiser niet mogelijk is.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.