Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7930

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
17/11280
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Dublin Oostenrijk

- Beroep op artikel 17, van de Dublinverordening

- Onvoldoende grond voor oordeel dat sprake is van (indirect) refoulement bij overdracht aan Oostenrijk

- Geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht getuigt van een onevenredige hardheid

- Verweerder heeft in de medische situatie van eiser terecht geen aanleiding gezien om de asielaanvraag in behandeling te nemen of om nader medisch onderzoek te doen

- Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/11280

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

gemachtigde mr. W.H.M. Ummels,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. L. van Es.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (AWB 17/11280) en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van overdracht hangende het beroep (AWB 17/11282).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 17/11282, plaatsgevonden op 22 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig H.M. Barzendji, tolk in de Arabische taal. Verweerder is na bericht van verhindering niet verschenen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Bij schrijven van 22 juni 2017 is het onderzoek heropend en heeft de rechtbank verweerder om een reactie gevraagd op eisers ter zitting gedane beroep op de onder punt 9 genoemde uitspraken.

Verweerder heeft bij schrijven van 23 juni 2017 gereageerd. Hierop heeft eiser bij brief van 26 juni 2017 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van Egyptische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 26 april 2017 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat Oostenrijk op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening EU nr. 604/2013 (de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Op 3 mei 2017 en op 15 mei 2017 heeft verweerder Oostenrijk verzocht eiser terug te nemen. De Oostenrijkse autoriteiten hebben op 16 mei 2017 met dit verzoek ingestemd. In wat eiser heeft aangevoerd ziet verweerder geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt en verweerder op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

5. Niet in geschil is dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Ten eerste is in geschil of verweerder op grond van artikel 17, van de Dublinverordening, aanleiding had moeten zien de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen.

6. Eiser heeft gesteld dat bij overdracht aan Oostenrijk sprake is van (indirect) refoulement nu hij in Oostenrijk uitgeprocedeerd is zonder dat door de autoriteiten getoetst is aan de lijn uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 7 november 2013 inzake (Afrikaanse) homoseksuelen (C-199/12 tot en met C-201/12; JV 2014/31). Eiser stelt dat hij door Oostenrijk zal worden uitgezet naar Egypte met alle gevolgen van dien.

7. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De enkele stelling van eiser dat hij in Oostenrijk uitgeprocedeerd is biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van indirect refoulement wanneer eiser aan Oostenrijk wordt overgedragen. De Oostenrijkse autoriteiten hebben door middel van het claimakkoord gegarandeerd dat eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen. Daarbij is Oostenrijk ook gebonden aan de Europese richtlijnen, het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en aan de toetsing die volgt uit het hierboven genoemde arrest van het HvJEU inzake homoseksuelen. Indien eiser van mening is dat Oostenrijk in strijd handelt met deze richtlijnen, het EVRM en de daaruit voortvloeiende waarborgen, dient hij hierover bij de desbetreffende autoriteiten te klagen.

8. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er in zijn geval geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat zijn overdracht aan Oostenrijk getuigt van een onevenredige hardheid. In dit kader heeft heeft eiser een beroep gedaan op zijn medische situatie. Eiser is als gevolg van de behandeling van zijn asielverzoek in Oostenrijk volledig psychisch ontregeld geraakt. Eiser heeft een drugsverslaving en is afhankelijk van methadon. Eiser is een kwetsbaar persoon en is suïcidaal. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar zijn patiëntdossier van de medische dienst in het Detentiecentrum Rotterdam dat de periode beslaat van 28 april 2017 tot en met 19 juni 2017, en naar verslagen van psychologische consulten van eiser met mw. K. Welling, GZ-psycholoog, over de periode van 28 april 2017 tot en met 29 mei 2017.

9. Eiser heeft zich ter zitting in aanvulling op dit standpunt beroepen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 26 april 2017 (AWB 17/1819) die door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 18 mei 2017, met een verkorte motivering, bevestigd is (kenmerk: 201703694/1 en 201703694/2). In dit kader heeft eiser ook verwezen naar het arrest van het HvJEU van 16 februari 2017 (C-578/16) inzake C.K. e.a. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127, C.K. e.a. tegen Slovenië) en het daarin betrokken arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Paposhvili tegen België van 13 december 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810; Paposhvili). Eiser brengt in dit verband naar voren dat verweerder een medisch onderzoek had moeten laten uitvoeren om te bepalen of eisers medische situatie in de weg staat aan overdracht aan Oostenrijk en hoe de overdracht gestalte kan krijgen.

10. Verweerder heeft bij verweerschrift van 22 juni 2017 en bij schrijven van 23 juni 2017 gereageerd op eisers betoog. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van een reëel en accuut gevaar op suïcide bij gedwongen terugkeer naar Oostenrijk. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kunnen de medische voorzieningen in Oostenrijk vergelijkbaar aan die van Nederland worden geacht. Ook in Oostenrijk kan eiser worden behandeld voor zijn psychische klachten en voor zijn verslaving. Eiser heeft zelf aangegeven in Oostenrijk ook al in een methadonprogramma te hebben gezeten. Voorafgaand aan de overdracht informeert verweerder de Oostenrijkse autoriteiten over eisers situatie overeenkomstig artikel 32 van de Dublinverordening. Daarnaast zal eiser voorafgaand aan de vlucht fit-to-fly worden gecheckt zodat wordt voorkomen dat eiser wordt overgedragen op een moment dat dit voor hem medisch of psychisch niet verantwoord wordt geacht. Indien medische voorzieningen omtrent de reis noodzakelijk worden geacht zal daaraan gevolg worden gegeven door verweerder of zal besloten worden dat de overdracht achterwege dient te blijven. Verweerder acht deze voorzorgsmaatregelen afdoende.

11. In het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië heeft het HvJEU bepaald dat artikel 4 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat zelfs indien niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat, een asielzoeker slechts kan worden overgedragen in het kader van de Dublinverordening in omstandigheden waarin het uitgesloten is dat die overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt dat betrokkene wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van dat artikel. De overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening in omstandigheden waarin die overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de betrokkene, een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel zou vormen.

Het is aan de overdragende staat om te beoordelen of de gezondheidstoestand van een vreemdeling zodanig ernstig is dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de overdracht leidt tot een reëel risico voor de vreemdeling om te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is het aan de overdragende staat om de twijfels weg te nemen en te verzekeren dat de benodigde maatregelen voor de uitvoering van de overdracht worden genomen, dan wel dat de overdracht, zo nodig zal worden uitgesteld tot het moment waarop de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet langer aan de weg staat aan de overdracht.

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de medische situatie van eiser terecht geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening of om nader onderzoek te doen. Eiser heeft onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht voor de conclusie dat overdracht in strijd zou zijn met artikel 4 van het Handvest. Immers, ondanks de zorgen die er zijn rondom eisers gezondheidssituatie blijkens de overgelegde stukken, is op grond van die stukken reeds niet aannemelijk geworden dat sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening waarbij de overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser. Uit die stukken blijkt, kort gezegd, dat eiser bekend is met een stoornis in het gebruik van cocaïne en heroïne. Eiser heeft gesteld dat sprake is geweest van twee eerdere pogingen tot zelfdoding met drugs (twee jaar geleden). De suïcidaliteit is met eiser besproken en het risico op suïcide is door de GZ-psycholoog als niet acuut verhoogd beoordeeld. Anders dan in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 26 april 2017, is geen sprake van een recente suïcidepoging. Naar het oordeel van de rechtbank geven de overgelegde gegevens geen blijk van ‘de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvan voor zijn overdracht’ zoals bedoeld in punt 75 van het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië. Verweerder heeft gelet daarop ook geen aanleiding hoeven zien het BMA in te schakelen. Naar het oordeel van de rechtbank neemt verweerder met de onder 10 genoemde maatregelen voldoende zorgvuldigheid in acht om te waarborgen dat de overdracht van eiser aan Oostenrijk goed kan verlopen. De beroepsgrond slaagt niet.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: