Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7913

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
NL17.2676
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Mondelinge uitspraak

- Dublin Frankrijk

- Verweerder heeft geen aanleiding hoven zien de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken o.g.v. artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.2676

V-nummer: [nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

gemachtigde: mr. L. van Es.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.2677, plaatsgevonden op 22 juni 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Eiser is van Algerijnse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 12 april 2017 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 20 april 2017 heeft verweerder een terugnameverzoek ingediend bij Frankrijk op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft met de claim ingestemd op 3 mei 2017. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag.

2. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers aanvraag voor een asielvergunning voor bepaalde tijd omdat eiser eerder in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend.

3. Eiser heeft aangevoerd dat overdracht aan Frankrijk in dit geval van een onevenredige hardheid getuigt. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake is van medische beperkingen gelegen in psychische problemen. Er is sprake van depressie en suïcidale uitlatingen door trauma’s die hij heeft opgelopen in Frankrijk. Deze beperkingen verzetten zich tegen overdracht aan Frankrijk, aldus eiser.

4. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat gesteld noch gebleken is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft zijn gestelde medische beperkingen niet nader onderbouwd. Wanneer er wel sprake is van medische beperkingen geldt dat verweerder bij overdracht aan Frankrijk, overeenkomstig artikel 32 van de Dublinverordening, informatie zal verstrekken over eiser, waaronder de gestelde medische klachten en suïcideproblematiek. Als uitgangspunt geldt dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan zogeheten Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in dit geval niet opgaat. Eiser is hierin niet geslaagd, alleen al omdat hij geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van die stelling. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.