Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7910

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 11176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gehele periode van vreemdelingenbewaring, ook de bewaring onder 59a (Dublin) en 59b (asielaanvraag) dient te worden meegenomen in de belangenafweging van zes maanden in tegenstelling tot verweerders beleid.

Daarbij geldt als uitgangspunt dat naarmate de bewaring/detentie voortduurt, het belang van de desbetreffende vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld groter wordt en na zes maanden bewaring in het algemeen zwaarder weegt dan het belang om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden. In dit licht is de rechtbank van oordeel dat het beleid van verweerder om de perioden waarin de maatregel dient voor overdacht aan een andere lidstaat dan wel voor het beoordelen van een asielrelaas niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het door verweerder gehanteerde beleid in artikel A5, 6.8 van de Vc 2000 – voor zover de perioden van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw 2000 buiten beschouwing worden gelaten voor de berekening van de duur van zes maanden – dient buiten toepassing te worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

Zittingsplaats te Amsterdam

zaaknummer: AWB 17/11176 VRONTN

[persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 juni 2017 in de zaak tussen

[de man],

geboren op [geboortedatum] 1999, van (gestelde) Marokkaanse nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. C.I. Tienstra-van der Boom).

Procesverloop

Op 26 november 2016 is eiser is eiser op grond van artikel 59a, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld, aangezien er een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht in het kader van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (Dublinverordening). Er is evenwel geen claimakkoord ontvangen van de aangezochte lidstaat, Denemarken. Op 12 januari 2017 is de categorie van de inbewaringstelling gewijzigd, omdat verweerder had begrepen dat eiser de wens te kennen te kennen had gegeven een asielaanvraag in te dienen. Op 13 januari 2017 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond verklaard, laatstelijk bij uitspraak van 15 mei 2017.

Bij beroepschrift van 31 mei 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd en toekenning van schadevergoeding.


De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 15 juni 2017. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

Overwegingen


1. Het onderhavige beroep is een vervolgberoep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoordelen of de voortgezette toepassing daarvan sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure gerechtvaardigd is te achten.

2.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt vanwege het feit dat eiser, gerekend vanaf 26 november 2016 op 25 mei 2017 langer dan zes maanden in vreemdelingenbewaring verblijft. Eiser beroept zich daarbij op bestendige jurisprudentie dat bij de beoordeling van de inbewaringstelling ook de onmiddellijk daaraan voorafgaande perioden van aansluitende vreemdelingrechtelijke (- en strafrechtelijke) detentie dienen te worden betrokken. Verweerder had dan ook vóór 25 mei 2017 een verzwaarde belangenafweging moeten maken. Omdat verweerder dat niet heeft gedaan is de maatregel vanaf dat moment onrechtmatig.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar zijn beleid neergelegd in artikel A5, 6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), dat de periode van 26 november 2016 tot 13 januari 2017 niet behoeft te worden meegerekend voor de duur van de bewaring. Dit omdat deze periode niet zag op uitzetting naar het land van herkomst. Immers de periode van 26 november 2016 tot 12 januari 2017 zag op een overdracht naar een land binnen de Europese Unie in het kader van de Dublinverordening. De periode van 12 januari 2017 tot 13 januari 2017 zag op een bewaring in verband met een asielaanvraag van eiser. Er hoefde dan ook nog geen verzwaarde belangenafweging te worden gemaakt omdat de periode van deze maatregel is begonnen te lopen op 13 januari 2017. Eerst per 13 juli 2017 zal een dergelijk verzwaarde belangenafweging nodig zijn. Thans kan worden volstaan met een kenbare belangenafweging, zoals die is gemaakt op 22 mei 2017 onder kopje 11 “belangenafweging bij het voortduren van de maatregel” op pagina 4 van de voortgangsrapportage van 2 juni 2017, aldus verweerder.

2.3

De rechtbank overweegt het volgende. Niet is in geschil dat verweerder thans geen verlengingsbesluit hoefde te nemen. Dit volgt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij is geoordeeld dat een krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 opgelegde maatregel van bewaring niet kan worden aangemerkt als een voortzetting van een eerder krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 opgelegde maatregel en omgekeerd. De maatregel van 13 januari 2017 is derhalve een nieuwe maatregel ten opzichte van de maatregelen van zowel 26 november 2016 als 12 januari 2017. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de discussie of een ‘verzwaarde’ of ‘kenbare’ belangenafweging moet plaatsvinden een louter taalkundige is. Een belangenafweging dient immers altijd kenbaar te zijn. Anders is deze voor de rechtbank niet toetsbaar. Het gaat er dus om of verweerder vóór 25 mei 2017 een verzwaarde belangenafweging moest nemen in verband met de totale duur van de opvolgende maatregelen. De rechtbank beantwoordt deze vraag positief. De reden daarvoor is dat de gehele periode van vreemdelingenbewaring vanaf 26 november 2016 moet worden gezien als vrijheidsbeneming van iemand, die niet door de strafrechter is veroordeeld. Het gaat om een uiterst middel indien er een risico op onderduiken tijdens de verwijderingsprocedure bestaat. Dit brengt met zich mee dat de duur van deze vorm van vrijheidsbeneming met rechtswaarborgen én strikte grenzen dient te zijn omgeven. Daarbij geldt als uitgangspunt dat naarmate de bewaring/detentie voortduurt, het belang van de desbetreffende vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld groter wordt en na zes maanden bewaring in het algemeen zwaarder weegt dan het belang om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden. In dit licht is de rechtbank van oordeel dat het beleid van verweerder om de perioden waarin de maatregel dient voor overdacht aan een andere lidstaat dan wel voor het beoordelen van een asielrelaas niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Daarmee ontstaat het risico dat de maatregelen langer duren dan de voortgang van het onderzoek rechtvaardigt. Het door verweerder gehanteerde beleid in artikel A5, 6.8 van de Vc 2000 – voor zover de perioden van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw 2000 buiten beschouwing worden gelaten voor de berekening van de duur van zes maanden – dient buiten toepassing te worden gelaten. Het beroep is gegrond.

3. Nu daarnaast hetgeen verweerder heeft vermeld onder “belangenafweging bij het voortduren van de maatregel” in de voortgangsrapportage van 2 juni 2017 naar het oordeel van de rechtbank niet als een afdoende verzwaarde belangenafweging kan worden aangemerkt (hier wordt eigenlijk slechts het procesverloop geschetst) volgt dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 25 mei 2017 in strijd is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring.

4. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 en wel tot een bedrag van € 80,-- per dag dat eiser in een huis van bewaring aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 2.080,-.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat verweerder de bewaring onmiddellijk opheft;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.080,-- (zegge: tweeduizend en tachtig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-- (zegge: negenhonderd en negentig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 20 juni 2017 door mr. M.J. van den Bergh, rechter, in aanwezigheid van H.C. Hagen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: HH

D: C

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open