Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7900

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
C/09/526413 / KG ZA 17/157
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Uitlevering. De voorzieningenrechter heeft de Staat verboden over te gaan tot uitlevering van eiser aan Moldavië, omdat er vanwege de detentieomstandigheden in Moldavië een reëel gevaar is voor eiser voor een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling na uitlevering. Moldavië heeft onvoldoende garanties gegeven dat eiser na uitlevering zal worden beschermd tegen schending van artikel 3 EVRM.

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet
Uitleveringswet 8
Uitleveringswet 10
Uitleveringswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2017/260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/526413 / KG ZA 17/157

Vonnis in kort geding van 9 juni 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende, althans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. C. Reijntjens-Wendenburg te Maastricht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Staat der Nederlanden,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

1 De procedure

1.1.

Naar aanleiding van de aanvraag van een datum voor dit kort geding van eiser is datum voor de behandeling van de zaak bepaald op 15 maart 2017, ten overstaan van mr. M.E. Groeneveld-Stubbe. Eiser heeft gedaagde bij exploot van 10 februari 2017 doen dagvaarden. Bij brief van 3 maart 2017 heeft gedaagde gevraagd om uitstel van de mondelinge behandeling, omdat hij naar aanleiding van de dagvaarding de Moldavische autoriteiten nog een aantal vragen had gesteld en de Moldavische autoriteiten die vragen begin april 2017 zouden beantwoorden. Bij brief van 6 maart 2017 heeft eiser zich tegen de verzochte aanhouding verzet. Gedaagde heeft vervolgens bij brief van 7 maart 2017 nog gereageerd. De voorzieningenrechter heeft daarna bepaald dat de mondelinge behandeling op 15 maart 2017 geen doorgang zal vinden.

1.2.

Eiser heeft op 9 maart 2017 een verzoek tot wraking van mr. Groeneveld-Stubbe ingediend, waarna de behandeling van de zaak is geschorst totdat de wrakingskamer uitspraak had gedaan. De wrakingskamer heeft bij beslissing 3 april 2017 het wrakingsverzoek afgewezen. De datum voor verdere behandeling van dit kort geding is daarna bepaald op 22 mei 2017, om roostertechnische redenen ten overstaan van een andere voorzieningenrechter.

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt verder uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte houdende een wijziging, respectievelijk vermeerdering van eis, met productie;

- de door gedaagde overgelegde producties;

- de op 22 mei 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.4.

Eiser heeft ter zitting nog vier nadere producties, genummerd 8 tot en met 12 overgelegd. De voorzieningenrechter laat productie 8 en 9 buiten beschouwing, nu deze stukken niet tijdig – conform artikel 6.2 Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie – zijn overgelegd en gedaagde bezwaar heeft gemaakt tegen deze stukken. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de stukken niet eenvoudig van aard zijn (zowel gezien de omvang, als omdat de stukken in de Duitse en in een andere, de voorzieningenrechter onbekende, taal zijn gesteld) en gedaagde daarom door het late moment van overlegging in zijn mogelijkheid om op deze stukken te reageren wordt belemmerd. Gedaagde heeft uitdrukkelijk geen bezwaar tegen productie 10 en 11, zodat de voorzieningenrechter deze wel in aanmerking neemt.

1.5.

Ook gedaagde heeft ter zitting een nadere productie overgelegd. Eiser had deze productie reeds eerder ontvangen en heeft zich niet verzet tegen overlegging van deze productie. Op deze nadere productie slaat de voorzieningenrechter daarom acht.

1.6.

Ter zitting is vonnis bepaald op 7 juni 2017. Vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiser heeft (uitsluitend) de Moldavische nationaliteit.

2.2.

Bij nota met bijlagen van 7 augustus 2013 hebben de Moldavische autoriteiten om de uitlevering van eiser gevraagd, met het oog op vervolging van eiser ter zake van mensenhandel. Bij uitspraak van deze rechtbank (team strafrecht, de uitleveringskamer, hierna aangeduid als de uitleveringskamer) van 13 december 2013 is de uitlevering toelaatbaar verklaard en bij advies van dezelfde datum heeft de uitleveringskamer de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) geadviseerd gevolg te geven aan het verzoek tot uitlevering van 7 augustus 2013. Het tegen de uitspraak ingestelde cassatieberoep van eiser is bij arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2014, met toepassing van artikel 81, eerste lid, RO, verworpen.

2.3.

Bij brief van 19 september 2014 hebben de Moldavische autoriteiten een tweede uitleveringsverzoek gedaan, wederom met het oog op vervolging van eiser ter zake van mensenhandel (in relatie tot andere personen) en in verband met verdenking van inmenging in de rechtspleging en strafvervolging. De uitleveringskamer heeft deze uitlevering bij uitspraak van 20 mei 2015 ontoelaatbaar verklaard, omdat de stukken niet voldoen aan de vereisten omschreven in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) en artikel 18 van de Uitlevingswet (UW). Nadat de Moldavische autoriteiten de ontbrekende stukken alsnog hebben verstrekt, heeft de uitleveringskamer bij uitspraak van 20 januari 2016 de uitlevering toelaatbaar verklaard ten aanzien van de vervolging voor mensenhandel en ontoelaatbaar ten aanzien van de verdenking van inmenging in de rechtspleging en strafvervolging. Het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep van eiser is bij arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2016, met toepassing van artikel 81, eerste lid, RO, verworpen.

2.4.

De uitleveringskamer heeft bij advies van 20 januari 2016 als volgt aan de minister geadviseerd:

“(…)

3 Dreigende schending artikel 3 EVRM.

De rechtbank heeft met zorg kennis genomen van het Country Report on Human Rights Practices for 2014 van het United States Department of State met betrekking tot Moldavië. Ondanks dat zulks verboden is lijken folterpraktijken en onmenselijke en onterende behandeling een serieus probleem te zijn. Hoewel het aantal gevallen van foltering op politiebureaus lijkt te dalen, met name door daar genomen preventieve maatregelen zoals cameratoezicht, lijkt er een stijging te zijn in het aantal gevallen van misdragingen door politieagenten buiten politiebureaus. Ook in gevangenissen komen mishandelingen en onmenselijke en onterende behandelingen voor. De detentieomstandigheden zijn ronduit slecht: overbevolking, slechte hygiënische omstandigheden, onvoldoende voedselvoorziening voor degenen die zich in voorlopige hechtenis bevinden, onvoldoende gezondheidszorg. Met name gevangenis nr. 13 in Chisinau scoort slecht (“detention conditions [...] did not meet national or international detention standards”) en het is juist de rechtbank te Chisinau die het bevel voorlopige hechtenis tegen de opgeëiste persoon heeft afgegeven. De rechtbank adviseert u daarom aan de verzoekende staat concrete garanties te vragen dat de veiligheid van de opgeëiste persoon afdoende gewaarborgd is.

Voorts adviseert de rechtbank u navraag te doen in welke gevangenis de opgeëiste persoon zal worden geplaatst en garanties te vragen met betrekking tot de naleving van de CPT basic minimum standard for personal living space in prison establishments. Zij geeft u in overweging om regelmatige (zij het onaangekondigde) bezoeken aan de detentie-inrichting te doen brengen.

De rechtbank acht het, gelet op het feit dat Nederland en Moldavië geen langdurige of intensieve uitleveringsrelatie hebben en Moldavië een relatief jonge verdragspartner is, verder aangewezen u te attenderen - naar zij aanneemt: ten overvloede - op hetgeen het EHRM in de zaak Othman (Abu Qatada) tegen het Verenigd Koninkrijk heeft overwogen over de aan garanties te stellen eisen en het aan gegeven garanties al dan niet te hechten vertrouwen.

4 Dreigende schending artikel 6 EVRM.

De rechtbank neemt met bezorgdheid kennis van berichten in genoemd rapport dat druk op rechters van overheidswege en vooral corruptie nog steeds voorkomen. Het onschuldbeginsel wordt niet altijd gerespecteerd. Advocaten krijgen niet altijd voldoende voorbereidingstijd voor een zaak. Indien dat ook in de zaak van de opgeëiste persoon zou gebeuren, dreigt een schending van diens recht op een eerlijk proces.

De rechtbank acht het gewenst dat u de Moldavische autoriteiten op het belang van de onschuldpresumptie, onafhankelijke rechtspraak en jurisprudentie van het EHRM dienaangaande wijst maar begrijpt dat het niet doenlijk is op dit punt garanties te vragen.

(…)”

2.5.

Eiser bevindt zich thans voor het onder 2.3 bedoelde uitleveringsverzoek in uitleveringsdetentie.

2.6.

Bij brief van 21 juli 2016 heeft gedaagde de Moldavische autoriteiten gevraagd om een reactie op de volgende punten:

“(…)

1. Extradition detention: can the Moldovan authorities guarantee that the mr. [eiser]’s will be detained according to at least the minimum standards set out in the CPT basic minimum standard for personal living space in prison establishments?

2. Article 3 ECHR: can the Moldovan authorities guarantee that the safety of the requested person, is sufficiently secured, regardless from whether he will be detained in prison facility number 13 in Chisinau or any other prison facility? The court has doubts about this after having read the country report on Human Rights 2014 practices in Moldova from the United States department of State.

3. In light of this I assume that Moldova will not oppose in case a representative of the Netherlands would bring (unattended) visits to the prison facility where the requested person will be placed, in case the Netherlands deems this necessary.

(…)”

Bij brief van 16 december 2016 (nr. 06/23805) hebben de Moldavische autoriteiten als volgt gereageerd:

“(…)

As regards the penitentiary institution/unit where [eiser] will be held during the trial and if convicted, please be informed that his detention will be carried out according to the provisions of the domestic law of the Republic of Moldova (article 196 of the Execution Code and paras. 6-7 of the named Statute).

As for the detention conditions in the penitentiary institutions of the Republic of Moldova, the Ministry of Justice guarantees you that the convicted persons are provided on a general basis, with the minimum necessary for living (bed sheets, hygienic products of first necessity), as well as with hot food three times a day, free of charge (in compliance with the standards established by Government Decision No. 609 of May 29, 2006, and the Regulation on the food supply for convicted persons in penitentiaries, approved by the Order of the Minister of Justice of the Republic of Moldova nr. 512 of December 26, 2007,

Therefore, pursuant to para. 464 of the named Statute, each convicted person shall be ensured with accommodation at least 4 square meters, which should be natural and artificial lightened, heated and ventilated according to the building regulations.

In terms of maintaining proper sanitary and hygienic conditions in the penitentiary institutions of the country, the Ministry of Justice submits to you that this is a subject matter to which is paid a high attention, penitentiary institutions being taken care of and disinfected each year by specialized services.

The Execution Code and the Statute on execution of criminal sentences by convicted persons are the main legal instruments that regulate the rights of such persons. Thus, in accordance with para. 87 of the mentioned Statute, a convicted person is entitled to decent and courteous treatment from the administration of the penitentiary, has the right to personal security, to be provided free of charge with health care and drugs, to submit requests and complaints to the prison administration, as well as to hierarchically superior bodies, courts, prosecutors office, central public authorities and local public administration, public associations and international organizations protecting human rights.

At the same time, according to art. 169 para (1) let. (d) of the Execution Code, a convicted persons is entitled to legal assistance under contract from lawyers, as well as other persons authorized to provide such assistance. In this respect, please note that according to art. 213 para. (5) of the Execution Code, the frequency of meetings with the lawyer, with the persons entitled to provide legal assistance, with the mediator or with other person prescribed by law is unlimited.

As regards the diplomatic and consular assistance, it is regulated both by art. 214 of the Execution Code and by paras. 633-635 of the above-mentioned Statute, and according to which the prison administration must cooperate with foreign diplomatic and consular missions in Moldova allowing them to provide their assistance to foreign nationals

convicted and detained in Moldova.

Having regard to the foregoing, and keeping in mind that the Republic of Moldova is a state party to the ECHR committed to respect the values enshrined therein, the Ministry of Justice pledges that the detention conditions to be provided to [eiser] will not infringe the provisions of art. 3 of the European Convention.

Furthermore, the Ministry of Justice emphasizes that the Republic of Moldova will not oppose in case a representative of the Kingdom of Netherlands would bring visits to the prison facility where [eiser] will be placed.

(…)”

2.7.

Bij beschikking van 11 januari 2017 heeft de minister de uitlevering van eiser toegestaan voor zover het de mensenhandelverdenking in het eerste en tweede uitleveringsverzoek betreft en geweigerd voor zover het de verdenking van inmenging in de rechtspleging betreft.

2.8.

Bij brief van 1 maart 2017 heeft gedaagde gevraagd om een reactie van de Moldavische autoriteiten op de volgende punten:

“(…)

1. Extradition detention:

- can the Moldovan authorities guarantee that Mr. [eiser]’s will be detained somewhere else than in the prison facility number 13 in Chisinau or prison facility number 6 in Soroca?

- can the Moidovan authorities guarantee that Mr. [eiser] will not be detained in police stations?

2. Access to Mr. [eiser]:

Can the Moldovan authorities guarantee that during the prosecution and trial access to Mr. [eiser] will be allowed at all times, should that be requested by the Netherlands or by the extradited person?

3. In your letter of December 16, 2016 you’ve mentioned that the Execution code and the Statute on execution of criminal sentences by convicted persons are the main legal instruments that regulate the rights of such persons. Please be so kind as to inform me whether the above mentioned statutes solely regulate the rights of convicted persons or do those statutes also apply to the current status of Mr. [eiser] as suspect?

4. Personal safety:

How would the Moldovan authorities guarantee the personal safety of Mr. [eiser] in light of a situation in which Mr. [eiser] would receive a threat to life while he is in Moldovan custody?

5. Statements obtained by torture:

Attached you’ll find a statement of mr. [X] which has been provided to me by the defence counsel. In this statement mr. [X] claims that on January 15, 2006 the police in Chisinau through the use of violence has forced him to testify against mr. [eiser]. I would be very grateful when your authorities can reflect on this accusation concerning the use of violence during a police interrogation.

(…)”

De Moldavische autoriteiten hebben hierop bij brief van 30 maart 2017 nr. 06/3135) als volgt gereageerd:

“(….)

The Ministry of Justice of the Republic of Moldova confirms that, in case of extradition, the

named person will not be detained at Chişinău and Soroca prisons, as well as in police stations.

1f the Dutch competent authorities grant the extradition, the Ministry of Justice of the Republic of Moldova guarantees that the representatives of the Kingdom of Netherlands will have access to [eiser] during prosecution and trial.

Additionally to the letter of the Ministry of Justice of the Republic of Moldova nr. 06/23805

of December 16, 2016, we have the honour to specify that the provisions of the Execution Code and the Statute on execution of criminal sentences by convicted persons are applicable both for convicted persons and for suspect persons.

(…)

Being verified the statement of [X] regarding the use of violence during the police interrogation, the Ministry of Internal Affairs of the Republic of Moldova has informed that no complaint on use of violence of [X] has been registered with the police authorities.

(…)”

En verder, in een bijlage bij deze brief:

“(…)

In accordance with Article 206 of the Enforcement Code of the Republic of Moldova, the State ensures the personal security of convicts. At the occurrence of danger to personal safety of the convict, he has the right to refer any of the responsible official persons of the penitentiary a request for personal security. In this case, the responsible official person is obliged to take immediate measures to ensure the personal security of the convict and, where appropriate, and protective measures from the state. The penitentiary administration takes the necessary measures to eliminate the danger to personal safety of the convict.

The measures concerned will be maintained as long as their purpose requires.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven:

I. primair gedaagde te verbieden eiser aan Moldavië uit te leveren, althans subsidiair dat te verbieden totdat in een bodemprocedure is beslist;

II. gedaagde te bevelen voldoende concrete en nader door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, respectievelijk te specificeren, waarborgen van Moldavië te bedingen.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Uitlevering van eiser aan Moldavië levert een reëel risico voor schending van artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) op, vanwege de erbarmelijke detentieomstandigheden aldaar. Bovendien staat eiser volgens het nationale recht van Moldavië geen effectief rechtsmiddel ter beschikking als bedoeld in artikel 13 EVRM om zich op een schending van artikel 3 EVRM te beroepen. Voorts – en daar wijst de uitleveringskamer in haar advies van 20 januari 2016 ook op – lijken folterpraktijken en mensonterende behandelingen op politiebureaus en in detentie-inrichtingen een serieus probleem te zijn. De medeverdachte van eiser in de zaak waarvoor de uitlevering is verzocht heeft ten overstaan van de Moldavische autoriteiten een belastende verklaring tegen eiser afgelegd. Deze verklaring is, naar eigen zeggen van de medeverdachte, door foltering tot stand gekomen. Er is dan ook gegronde reden om aan te nemen dat ook eiser zal worden gefolterd om een bekentenis af te leggen. Tot slot heeft de uitleveringskamer haar bezorgdheid uitgesproken over de berichten dat de druk op rechters van overheidswege en corruptie nog steeds voorkomen, het onschuldsbeginsel niet altijd wordt gerespecteerd en advocaten niet altijd genoeg voorbereidingstijd voor een zaak krijgen. De uitleveringskamer heeft de minister geadviseerd de Moldavische autoriteiten te wijzen op het belang van onschuldspresumptie, onafhankelijke rechtspraak en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Dat de minister de Moldavische autoriteiten hierop heeft gewezen blijkt niet.

3.3.

Voor zover hij een belangenafweging heeft gemaakt, heeft de minister een onjuiste belangenafweging gemaakt en handelt hij onrechtmatig door de uitlevering van eiser aan Moldavië toe te staan. Het belang van eiser, die een flagrant risico loopt om na uitlevering aan Moldavië aan foltering, althans aan onmenselijke en vernederende behandeling te worden onderworpen, had zwaarder moeten wegen dan het nakomen van de uit het Uitleveringsverdrag voortvloeiende verdragsverplichting. Subsidiair stelt eiser dat de minister onvoldoende deugdelijke garanties heeft bedongen met betrekking tot de (onmenselijke) behandeling, zo niet foltering, die hem na zijn uitlevering hoogstwaarschijnlijk ten deel zal vallen (artikel 3 EVRM), hem geen rechtsmiddel openstaat om daartegen op te komen (artikel 13 EVRM), en het flagrante risico dat hij geen eerlijk proces tegemoet kan zien (artikel 6 EVRM).

3.4.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de voorgenomen uitlevering onrechtmatig is. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vordering gegeven. In het verlengde daarvan wordt opgemerkt dat in dit kort geding uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de uitlevering aan Moldavië toe te staan.

4.2.

Op grond van de Uitleveringswet (Uw) vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de boordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling door de minister worden beoordeeld en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.3.

Uit artikel 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten, zoals een inbreuk op het verbod van artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister is voorbehouden aan de minister. Indien tegen een besluit van de minister om de uitlevering toe te staan worden opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, moet de toetsing van die beslissing een volledige zijn (HR 15 september 2007, ECLI:NL:HR:2006:AV7387).

4.4.

Voormelde taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter al geoordeeld heeft, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan als daar niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet, maar in de civiele procedure wel aan de orde is gesteld, moet door de burgerlijke rechter in de beoordeling worden betrokken. Dit kan er ook toe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze andere omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680). Overigens hoeven deze andere omstandigheden geen omstandigheden te zijn die pas na de uitspraak van de uitleveringsrechter zijn opgetreden of aan het licht gekomen, het moet gaan om andere feiten en omstandigheden dan waarover de uitleveringsrechter heeft geoordeeld (Gerechtshof Den Haag 5 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1924 en voormeld arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014, r.o. 3.4.5)

4.5.

Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat er sprake is van een dreigende schending van artikel 3, 13 en 6 EVRM. Bij de beoordeling van hetgeen eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd geldt als uitgangspunt dat in gevallen waarin – zoals hier het geval is – zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM in beginsel uitgegaan moet worden van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Dit vertrouwen brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoel in artikel 13 EVRM. Dit betekent dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering alleen dan moet wijken voor de op grond van artikel 1 EVRM op gedaagde rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat eiser door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht en (b) verder naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Artikel 3 EVRM staat aan uitlevering in de weg als er gegronde redenen (“substantial grounds”) zijn om aan te nemen dat eiser in geval van uitlevering een reëel gevaar (“a real risk”) loopt te worden onderworpen aan foltering, of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Doet zo’n situatie zich voor dan kan de minister niet volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel. Bij de beoordeling van de vraag of die situatie zich voordoet, heeft als uitgangspunt te gelden dat de “mere possibility of ill-treatment on account of an unsettled situation in the requisting country does niet in itself give rise to a breach of Article 3” (EHRM 11 februari 2013, zaak 17455 / Umirov-Russia).

4.6.

Moldavië is sinds 1992 lid van de Verenigde Naties en sinds 1995 van de Raad van Europa. In 1997 heeft Moldavië het EVRM geratificeerd en het individuele klachtrecht als bedoeld in artikel 34 EVRM erkend. Moldavië is derhalve gehouden toe te zien op de naleving van de bepalingen uit het EVRM. Dat brengt in beginsel mee dat uitgegaan moet worden van het vertrouwen dat Moldavië de betreffende gedragsbepalingen zal eerbiedigen. Bij de vraag of er een reëel risico is op schending van artikel 3 EVRM of het risico op een flagrante inbreuk op enig ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM aan eiser toekomend recht, dienen daarbij de door de minister verkregen garanties in de beoordeling te worden betrokken.

4.7.

Eiser voert, onder verwijzing naar de Country Reports on Human Rights Practices for 2014 en 2016 van de United States Department of State met betrekking tot Moldavië en het rapport van 30 juni 2016 van het bezoek van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van de Raad van Europa aan een aantal detentieinrichtingen in Moldavië in de periode van 14 tot 25 september 2015 aan dat de detentieomstandigheden in Moldavië in het algemeen van zodanige aard zijn dat eiser een reëel risico loopt om na uitlevering aan onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM te worden onderworpen. In dit verband verwijst eiser voorts naar een drietal zaken van Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) tegen Moldavië, waarin op grond van “inhuman en degrading conditions of detention” een schending van artikel 3 EVRM is vastgesteld (EHRM 13 november 2008, Malai-Moldavië (nr. 7101/06), EHRM 14 februari 2012, Hadji-Moldavië, (nrs. 32844/07 en 41378/07) en EHRM 3 maart 2015, Pisaroglu-Moldavië (nr. 21061/11).

4.8.

In voormeld Country Report on Human Rights Practices for 2014 van de United States Department of State met betrekking tot Moldavië staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld;

“(…)

Section 1. Respect for the Integrity of the Person, Including Freedom from:

(…)

c. Torture and Other Cruel, Inhuman, or Degrading Treatment or Punishment

(…) Physical abuse, including inhuman and degrading treatment also reportedly continued in prisons and psychiatric institutions.

(…)

During the first half of the year, the Prosecutor General’s Office received 320 allegations of torture and mistreatment, (…) Most of the alleged incidents occurred on the street or in public places, followed by police stations and detention facilities. (…) Experts noted that psychological torture and humiliating treatment were common in penitentiaries.

(…)

The antitorture ombudsman made 227 preventive and monitoring visits to penitentiaries, psychiatric institutions, and army facilities in 2013. More than 80 percent of deficiencies found were in prison and detention centers. These included overcrowding of the detention facilities; insufficient lighting; poor sanitary conditions in the canteens, bathrooms, and medical rooms; lack of proper bed linen and clothing for the detainees; and insufficient food for those in pretrial detention facilities. (…) Human rigths experts noted that prison authorities and personnel often used psychological pressure on detainees.

(…)

Prison and Detention Center Conditions

Conditions in most prisons and detention centers, (…), remained harsh and did not improve significantly during the year.

(…)

During the visits experts reported an improvement in conditions at the pretrial detention facilities but also noted deficiencies in prisons similar to those cited in previous years, including overcrowding, lack of medical care, bad lighting, deficient meals, bad hygiene and sanitary conditions, (…). They reported the worst conditions at Penitentiary No. 13 in Chisinau and Penitentiary No. 11 in Balti. Detention conditions in both prison basements did not meet national or international detention standards. Cells were overcrowded, unhygienic, lacked ventilation, and authorities did not always provide detainees with permanent access to water for personal hygiene.

(…)

Health care was inadequate in most penitentiaries since medical sections were understaffed. Government regulations require authorities to separate individuals suspected of suffering from tuberculosis from the other detainees. Authorities often colocated individuals with various other diseases with persons with an unconfirmed diagnosis of tuberculosis, potentially exposing them to infection.

(…)”

4.9.

Uit het recentere Country Report on Human Rights Practices for 2016 van de United States Department of State met betrekking tot Moldavië blijkt niet dat er in de periode tussen 2014 en 2016 sprake is geweest van een significante verbetering. In dit rapport staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Section 1. Respect for the Integrity of the Person, Including Freedom from:

(…)

c. Torture and Other Cruel, Inhuman, or Degrading Treatment or Punishment

(…) Physical abuse, including inhuman and degrading treatment, continued to be a problem in prisons and psychiatric institutions.

(…)

During the first half of the year, the Prosecutor General’s Office received 331 allegations of torture and mistreatment, (…) Most of the alleged incidents occurred on the street or in public places, followed by police stations and detention facilities. (…) Experts noted that psychological torture and humiliating treatment were common in penitentiaries and psychiatric institutions.

The human rights ombudsman reported most allegations of torture and inhuman detention conditions occurred at Penitentiary No. 13 in Chisinau, Penitentiary No. 2 in Lipcani, Penitentiary No. 15 in Cricova, and Penitentiary No. 18 in Branesti.

(…)

Prison and Detention Center Conditions

Conditions in most prisons and detention centers, (…), remained harsh and did not improve significantly during the year.

Physical Conditions : (…) Overcrowding remained a problem in most detention facilities.

(…) The CPT also found evidence of a number of cases of prisoner violence at Soroca Prison and, to a lesser extent, at Chisinau and Rezina Prisons.

The human rights ombudsman made 68 preventive and monitoring visits to penitentiaries, psychiatric institutions, and army facilities in 2015. As in previous years, the main deficiencies found included overcrowding of detention facilities, insufficient lighting, poor sanitary conditions, insufficient food for those in pretrial detention facilities, and deficient medical care for detainees. (…)

According to the 2015 ombudsperson report and human rights NGO monitoring, the most significant problems in penitentiaries and pretrial detention facilities were overcrowding, lack of medical care, poor lighting, poor ventilation, deficient meals, and poor hygiene and sanitary conditions. (…)

(…)

Health care was inadequate at most penitentiaries. Government regulations require authorities to separate individuals suspected of suffering from tuberculosis from the other detainees. Authorities often co-located individuals with various other diseases with persons with an unconfirmed diagnosis of tuberculosis, potentially exposing them to infection.

(…)”

4.10.

Het CPT-rapport maakt melding (op pagina 24) van overbevolking in gevangenissen en dat de “national standard” van tenminste 4m2 leefruimte per gevangene verre van gehaald wordt in de meeste gevangenissen, waarbij in het bijzonder in de gevangenis van Chisinau en Soroca het niveau van overbevolking “disturbing proportions” had bereikt.

4.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit voormelde rapporten blijkt dat de detentieomstandigheden in Moldavië in algemene zin slecht zijn. Er is sprake van mishandelingen, onmenselijke en onterende behandelingen, overbevolking, slechte hygiënische omstandigheden, onvoldoende voedselvoorziening voor gedetineerden die zich in voorlopige hechtenis bevinden en onvoldoende gezondheidszorg. Aan gedaagde moet worden toegegeven dat de situatie in de gevangenis nummer 13 te Chisinau, gevangenis nummer 6 in Soroca en op politiebureaus op grond van voormelde rapporten – en dan met name het CPT-rapport – het meest erbarmelijk lijkt te zijn en dat de Moldavische autoriteiten de garantie hebben afgegeven dat eiser daar niet geplaatst zal worden. Dit laat echter onverlet dat uit de rapporten, met name uit de rapporten van het United States Department of State, moet worden afgeleid dat ook de situatie in andere detentie-inrichtingen niet aan de daaraan te stellen internationale eisen voldoet. Die rapporten laken de detentieomstandigheden in Moldavië in algemene zin. Het CPT-rapport doet dat niet. In dat rapport worden (slechts) de bevindingen weergegeven van de bezoeken aan een beperkt aantal detentie-inrichtingen. Dit ontkracht echter niet de situatie als omschreven in de rapporten van het United States Department of State voor de niet door het CPT bezochte detentie-inrichtingen. In dit licht kan ook niet buiten beschouwing worden gelaten dat ook het EHRM in de zaak Malai-Moldavë voornoemd een schending van artikel 3 EVRM in het (niet door CPT bezochte) Orhei detention centre heeft geconstateerd.

4.12.

Anders dan gedaagde betoogt is de voorzieningenrechter van oordeel dat de problemen die in de rapporten van het United States Department of State worden geschetst een zodanig karakter hebben dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat eiser in geval van uitlevering (en vervolgens plaatsing in een detentie-inrichting in Moldavië) een reëel gevaar als bedoeld in artikel 3 EVRM loopt. Hierbij wordt opgemerkt dat die rapporten geen incidenten beschrijven maar een beeld schetsen van algemeen heersende misstanden in detentiecentra over een periode van meerdere jaren. Niet valt in te zien waarom eiser – bij de blijkens de rapporten algemeen aanwezige slechte detentie-omstandigheden – niet het gevaar zou lopen slachtoffer te worden van de detentieomstandigheden die niet voldoen aan de CPT-standaarden met betrekking tot onmenselijke en onterende behandelingen, overbevolking, slechte hygiënische omstandigheden, onvoldoende voedselvoorziening voor gedetineerden die zich in voorlopige hechtenis bevinden en onvoldoende gezondheidszorg.

4.13.

Vorenstaande zou anders kunnen zijn, ingeval sprake is van voldoende garanties dat eiser bij de uitlevering zal worden beschermd tegen schending van artikel 3 EVRM jegens hem. Hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Uit de gegeven garanties blijkt niet concreet waar eiser gedetineerd zal worden en wordt onder verwijzing naar toepasselijke wet- en regelgeving toegezegd dat aan minimum standaarden zal worden voldaan. Deze toezegging beperkt zich tot algemeenheden en detentieomstandigheden die voor alle gedetineerden gelden. Nu de wet- en regelgeving ook reeds van toepassing was op het moment van totstandkoming van de rapporten van de United States Department of State en desalniettemin de in die rapporten omschreven detentieomstandigheden zijn geconstateerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de algemene verwijzing daarnaar onvoldoende garantie biedt dat eiser gevrijwaard zal blijven van een schending van artikel 3 EVRM.

4.14.

In het licht van de rapporten over detentieomstandigheden in Moldavië en de zich op dit punt tot algemeenheden beperkte garanties van de Moldavische autoriteiten is er zoveel twijfel gerezen over detentieomstandigheden waaraan eiser zal worden blootgesteld, dat er thans sprake is van een ‘real risk’ voor eiser voor een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling in Moldavië. Onder deze omstandigheden is uitlevering niet toegestaan. Dit leidt er toe dat de primaire vordering onder I zal worden toegewezen. Bij toewijzing van die vordering heeft eiser geen belang meer bij zijn vordering onder II, zodat die zal worden afgewezen. Volledigheidshalve overweegt de voorzieningenrechter dat dit onverlet laat dat de minister op basis van gewijzigde omstandigheden de uitlevering in de toekomst alsnog kan toestaan en dat het niet aan hem is voor te schrijven welke waarborgen in dit verband van Moldavië bedongen moeten worden.

4.15.

Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt gedaagde eiser aan Moldavië uit te wijzen;

5.2.

veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiser begroot op € 1.183,42, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 287,-- aan griffierecht en € 80,42 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2017.

idt