Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7855

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
920342-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er niet meer wordt voldaan aan het gevaarscriterium. Het recidiverisico wordt als aanvaardbaar beschouwd en de veroordeelde heeft laten zien dat hij ook bij teleurstellingen niet terugvalt in oud gedrag. Ook is er geen sprake meer van een situatie dat verlenging van de termijn van de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde. Verlenging van de termijn van de maatregel PIJ wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09/920342-11

Datum uitspraak: 29 juni 2017

De rechtbank Den Haag, meervoudige kamer jeugdstrafzaken, heeft de volgende beslissing gegeven op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van

12 juni 2017, ingekomen ter griffie op 12 juni 2017.

De vordering.

De vordering strekt tot verlenging met 6 maanden van de termijn van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd aan:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[adres]

,

bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van 3 mei 2012.

De maatregel is op 18 mei 2012 ingegaan, laatstelijk bij beslissing van 22 december 2016 met 7 maanden verlengd en eindigt op 14 juli 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier waartoe voormeld vonnis behoort alsmede van na te melden advies.

Het advies.

Het op grond van artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht uitgebrachte advies

d.d. 9 juni 2017, waarbij de in dat artikel bedoelde aantekeningen zijn overgelegd, strekt tot verlenging van de termijn van de maatregel voor de duur van 6 maanden.

Het advies is ondertekend door [naam] , hoofd Behandeling locatie Lelystad, [naam] , behandelcoördinator, en [naam] , directeur, hoofd van de [inrichting] .

De behandeling in raadkamer.

De officier van justitie mr. G. Sannes heeft op 29 juni 2017 in raadkamer gepersisteerd bij de vordering.

De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. I. Güclü, is op 29 juni 2017 in raadkamer verschenen en gehoord. De veroordeelde heeft zich verzet tegen verlenging van de maatregel. Hij heeft meegedeeld dat het goed gaat met hem, dat hij bezig is met invulling geven aan een leven buiten de inrichting, zoals vrijwilligerswerk in een buurthuis en dat hij 20 van de 30 nachten per maand buiten de inrichting verblijft. Hij logeert grotendeels bij zijn tante en oom en neef thuis. Hij ervaart veel steun aan zijn neef.

De veroordeelde heeft voorts aangegeven een vaste relatie te hebben en toe te zijn aan meer vrijheden en zelfstandigheid. Dat het STP niet is gelukt ligt, aldus de veroordeelde, niet aan hem.

De raadsvrouw heeft betwist dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de maatregel. Het recidiverisico is op een aanvaardbaar niveau, zodat niet wordt voldaan aan het gevaarscriterium. Ook is verlenging van de maatregel niet in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de veroordeelde. Dat het STP-traject niet van de grond is gekomen, is niet aan de inzet van de veroordeelde te wijten. Hij heeft zich aan alle afspraken gehouden en heeft daarbij laten zien dat hij ook met teleurstellingen om kan gaan. Hij is 22 jaar en wil zich richten op zijn toekomst. De raadsvrouw bepleit dan ook afwijzing van de vordering.

Op 29 juni 2017 is in raadkamer ook verschenen en gehoord, [naam] , als GZ-psycholoog verbonden aan [inrichting] .

Beoordeling van de vordering.

De rechtbank acht zich voldoende ingelicht door het advies, de daarbij overgelegde aantekeningen en het verhandelde in raadkamer.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de maatregel wordt voldaan.

De maatregel kan op grond van artikel 77t, derde lid, juncto artikel 77s, eerste lid, sub b

en c, Wetboek van Strafrecht slechts worden verlengd indien:

- de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd ter zake van een

misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het

lichaam van één of meer personen,

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de

verlenging van de maatregel eist, en

- de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de

veroordeelde.

Aan het eerste criterium is voldaan nu de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd ter zake van een diefstal met geweld, derhalve een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen

Ten aanzien van de overige twee criteria overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het advies van [inrichting] blijkt dat [veroordeelde] zich inzet voor zijn verlof en de behandeling en dat hij goed omgaat met de vertraging die in het in te zetten STP traject is geslopen. Deze vertraging is niet aan [veroordeelde] te wijten. Het blijkt lastig om voor hem een passende en betaalbare woonplek in [plaats] te vinden. Een verlenging van zes maanden is nodig om dit goed te kunnen regelen en om een goede overgang naar het jaar met verplichte nazorg te kunnen voorbereiden. De zorgen over recidive zijn thans minder op de voorgrond aanwezig, maar mogelijk werkt het stoppen van de maatregel zonder STP wel risicoverhogend. Een verlenging van de maatregel is derhalve in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [veroordeelde] .

In aanvulling hierop is tijdens de behandeling in raadkamer door de deskundige, [naam] , voornoemd, nogmaals benadrukt dat [veroordeelde] het goed doet. Hij is, aldus aangegeven, flexibeler dan was gedacht. Het recidiverisico is matig. Het is een aanvaardbaar risico.

Dat de invulling van het STP niet lukt, ligt aan de gemeente [plaats] , die niet schijnt te begrijpen dat zij een nazorgverplichting hebben. Hoewel het de voorkeur verdient de uitstroom uit de PIJ-maatregel met STP te laten plaatsvinden, is het thans de vraag welke meerwaarde dit nog zou hebben. Het is, aldus de deskundige, niet zo dat de veroordeelde geen begeleiding zal hebben. Tijdens het voorwaardelijke jaar zal de reclassering de regie hebben in plaats van de instelling. De contacten met de reclassering zijn al gelegd en er vinden om de drie weken gesprekken plaats.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er niet meer wordt voldaan aan het gevaarscriterium. Het recidiverisico wordt als aanvaardbaar beschouwd en de veroordeelde heeft laten zien dat hij ook bij teleurstellingen niet terugvalt in oud gedrag. Ook is er geen sprake meer van een situatie dat verlenging van de termijn van de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde.

De veroordeelde heeft zich sinds oktober 2016 aan alle afspraken gehouden en meegewerkt om uitstroom via STP te realiseren. Dit had in de afgelopen 7 maanden gerealiseerd en afgerond moeten zijn. Dat dit niet is gelukt, is niet aan de veroordeelde te wijten.

Een extra verlenging van de termijn van de maatregel om STP alsnog van de grond te krijgen is, heeft naar het oordeel van de rechtbank, thans geen meerwaarde. De veroordeelde leeft en werkt inmiddels het merendeel van de tijd buiten de inrichting en de contacten met de reclassering ten behoeve van de begeleiding tijdens het voorwaardelijke jaar lopen.

De rechtbank acht de begeleiding van de reclassering tijdens het voorwaardelijke jaar van de maatregel voldoende om de veroordeelde te ondersteunen bij het opbouwen van zijn toekomst.

De rechtbank zal de vordering tot verlenging van de termijn van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dan ook afwijzen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing.

De rechtbank wijst de vordering af.

Deze beslissing is gegeven te Den Haag door

mr. A.J.J.M Weijnen, kinderrechter, voorzitter,

mr. Y.C. Bours, rechter,

en mr. M.F.M. de Groot, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2017.

Mr. Bours is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.