Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:780

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
AWB 17/1294
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Dublin Duitsland

- claimakkoord

- mondelinge uitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/1294

V-nummer: [nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. M.M. Polman,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 17/1295, plaatsgevonden op 27 januari 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank overweegt het volgende.

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Georgische nationaliteit. Hij heeft op 24

november 2016 een asielaanvraag ingediend. Uit EUvis is gebleken dat aan eiser een Schengenvisum is afgegeven door Tsjechië, geldig van 19 januari 2016 tot 12 februari 2016. Eiser is op 21 januari 2016 staande gehouden in Duitsland. Hierna heeft eiser op 30 september 2016 in Duitsland verzocht om internationale bescherming, op welk verzoek tot op heden niet is beslist. Gelet hierop heeft Nederland Duitsland verzocht om eiser terug te nemen. Duitsland heeft hiermee ingestemd.

2. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt

gesteld dat, met de aanvaarding van het claimverzoek van Nederland, Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

3. Eiser heeft gesteld dat hij vreest door Duitsland te zullen worden teruggestuurd naar

Georgië. Daarbij heeft hij gesteld dat Duitsland inmiddels afwijzend op de asielaanvraag heeft beslist. Verweerder heeft in dit verband terecht opgemerkt dat eiser dit laatste niet heeft onderbouwd, zodat, op grond van de informatie van Duitsland, ervan uit moet worden gegaan dat eisers asielaanvraag nog in behandeling is.

4. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat Duitsland de opvolgende

asielaanvraag zal behandelen, nu Duitsland heeft ingestemd met het claimverzoek. Hierbij is Duitsland gebonden aan de Europese asielrichtlijnen. Voor zover eiser het niet eens is met de uitkomst van die behandeling, staan hem, overeenkomstig de Procedurerichtlijn, in Duitsland rechtsmiddelen ter beschikking.

5. Voor zover eiser in dat verband heeft gesteld dat de gefinancierde rechtsbijstand in

Duitsland tekort schiet, heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat het systeem van gefinancierde rechtsbijstand in Duitsland, voor zover geen kosteloze rechtsbijstand wordt aangeboden in gevallen waarin het beroep geen reële kans van slagen heeft, in overeenstemming is met de Procedurerichtlijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat niet kan worden gesproken van effectieve rechtsbescherming.

6. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht besloten om de asielaanvraag van

eiser niet in behandeling te nemen en om hem over te dragen aan Duitsland.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.