Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7795

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
09/842368-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft zeven verdachten veroordeeld voor betrokkenheid bij een van de autobranden, een poging daartoe, het doen van valse autobrand-alarmmeldingen en/of andere aan de branden gerelateerde feiten.

Maatschappelijke onrust

In de maanden mei en juni 2016 heeft er in de wijk Molenwijk een groot aantal autobranden plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot veel maatschappelijke onrust in de wijk. Via onder meer buurtbewoners en jongerenwerkers is de politie op het spoor van de verdachten gekomen. Zij behoorden tot een vriendengroep die – zo heeft de rechtbank uit het dossier opgemaakt – kennelijk tot gezamenlijk doel had het plegen van autobranden. Zij kunnen in verschillende samenstellingen verantwoordelijk worden gehouden voor een aantal autobranden die de wijk hebben geteisterd.

Straffen

De verdachten hebben straffen opgelegd gekregen in de vorm van jeugddetentie, leerstraffen en werkstraffen. De opgelegde jeugddetentie varieert van 50 tot 150 dagen, afhankelijk van onder meer het aantal bewezen verklaarde feiten. Daarnaast is aan een aantal verdachten begeleiding door de Jeugdreclassering opgelegd en het verplicht volgen van een behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09/842368-16

Datum uitspraak: 14 juli 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 19 september 2016, 20 juni 2017 en 30 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.F. Heslinga en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J.M. van Dam, advocaat te Utrecht, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij op of omstreeks 6 mei 2016 in de Molenwijk te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een auto (te weten de Peugeot 307 met [kentekennummer] die geparkeerd stond op de [adres] ), door met een lifehammer althans een voorwerp meerdere althans een ruit(en) van voornoemde auto in te slaan en vervolgens een brandend voorwerp naar binnen te gooien, althans (open) vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en voornoemd voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de zich in de directe nabijheid bevindende voertuigen en/of lantaarnpa(a)l(en) en/of bo(o)m(en) en/of andere (on)roerende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Hij op of omstreeks 6 mei 2016 in de Molenwijk te 's-Gravenhage, met een ander of anderen, op of aan de [adres] in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een auto (te weten de Peugeot 307 met [kentekennummer] ), welk geweld bestond uit het inslaan van een of meerdere ruiten en/of het in brand steken van die

auto;

3. Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In de periode van 4 mei 2016 tot en met 3 juni 2016 heeft er in (en net buiten) de wijk Molenwijk in Den Haag een groot aantal autobranden plaatsgevonden. Uit onderzoek bleek dat de autobranden zeer waarschijnlijk waren aangestoken, hetgeen heeft geleid tot veel media-aandacht en maatschappelijke onrust onder de wijkbewoners. Er is veel inzet gevraagd van meerdere buurtinterventieteams, jongerenwerkers, de gemeente en politie.

Op 18 mei 2016 meldde een anonieme getuige bij de politie dat [medeverdachte], geboren op 11 oktober 2000, achter de autobranden zat. Op een bijeenkomst die op 23 mei 2016 werd gehouden naar aanleiding van onrust die was ontstaan door de autobranden, verklaarde een aantal jeugdmedewerkers en buurtvaders dat zij hadden gehoord dat [medeverdachte] en zijn vriendengroep verantwoordelijk zouden zijn voor de autobranden. [medeverdachte] zou bovendien over de autobranden hebben opgeschept op social media, te weten Instagram.

[medeverdachte] en een aantal anderen, onder wie de verdachte, zijn vervolgens op 6 juni 2016 aangehouden en in verzekering gesteld. Onder de verdachten zijn diverse mobiele telefoons in beslag genomen en uitgelezen.

De verdachten wordt onder meer verweten dat zij zich – in verschillende samenstellingen – hebben schuldig gemaakt aan het plegen van een of meer autobranden. Op sommige verdachten rust tevens de verdenking dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan daarmee verband houdende delicten. De verdachten hebben allen ontkend betrokken te zijn geweest bij de autobranden.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het aan hem primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het feit bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.1

Op 6 mei 2016 omstreeks 22:36 uur heeft er op de [adres] , te Den Haag een autobrand plaatsgevonden.2

[aangeefster] heeft verklaard dat zij haar auto, een Peugeot 307 met [kentekennummer] , had geparkeerd op de [adres] te Den Haag. Op 6 mei 2016 werd zij omstreeks 23:03 uur gebeld door een politieagente die haar vertelde dat haar auto in brand was gestoken. De auto bleek bijna volledig uitgebrand te zijn.3

Direct naast het rechter voorportier van de auto lag een lifehammer op het trottoir. De bevelvoerder van de brandweer had gezien dat het raam van het rechter voorportier al kapot was op het moment dat hij bij de auto aankwam.4

Uit een proces-verbaal van bevindingen volgt dat de betreffende auto zich op ongeveer 2,08 meter afstand van de stenen achtermuur van het pand Neherkade 1 bevond.5 De rechtbank stelt, gelet op deze geringe afstand, vast dat door de brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

[getuige] , de melder van de autobrand6, heeft verklaard dat hij op zijn scooter over een fietsbrug in de richting van de wijk Molenwijk reed. Toen hij in de richting van de Laakweg reed, zag hij twee jongens vanuit de richting van Molenwijk rennen op de Laakweg. De jongens renden om de hoek van een gebouw heen over de Laakweg in de richting van de Neherkade. [getuige] heeft verklaard dat de jongens zijn aandacht trokken, omdat hij het verdacht vond dat ze daar aan het rennen waren. Ze namen namelijk geen logische route. Volgens de getuige hadden ze al eerder kunnen “afslaan” in de richting van de Neherkade en er is daar verder niets.

Toen [getuige] de hoek om kwam, zag hij op de Laakweg een Peugeot personenauto staan. Hij zag in eerste instantie kleine lichtflitsjes – kleine vlammen – in de auto. Toen hij dichterbij kwam, was er inmiddels een kleine brand in de auto ontstaan. Het leek of de rechtervoorstoel in brand stond. Het vuur werd steeds groter. De getuige heeft verklaard dat hij, behalve de twee jongens die hij heeft zien rennen, niemand anders heeft gezien.7

Uit de verklaring van [getuige] volgt dat hij, vlak voordat hij lichtflitsen in de auto zag, twee jongens uit de richting van de auto heeft zien rennen. De getuige heeft verder niemand anders in de buurt van de auto gezien. De rechtbank acht het dan ook zeer aannemelijk dat de twee jongens die daar aan het rennen waren, de brand hebben gesticht.

Op camerabeelden met daarop zichtbaar de Laakbrug gedateerd 6 mei 2016 is te zien dat om 22:34 uur twee mannen uit de richting van de Neherkade de Laakbrug op rennen.8Op camerabeelden met daarop zichtbaar het straatbeeld bij de Jumbo gelegen aan de Laakweg is te zien dat op 6 mei 2016 om 22:36 uur twee mannen over de Neherkade rennen.9 De mannen die te zien zijn op de beelden gericht op de Laakbrug hebben dezelfde signalementen als de mannen op de beelden met daarop het straatbeeld bij de Jumbo.10

Uit een OVC-gesprek11 tussen [medeverdachte] Ahjar en de verdachte komt (onder meer) het volgende naar voren:

(…)

[medeverdachte] : hey… Blocky (fon) ging toch langs rennen bij die camera?

[verdachte] : he?

[medeverdachte] : Blocky ging toch langs rennen bij die camera?

[verdachte] : he?

[medeverdachte] : Blocky Blocky hij rende bij die camera! jij staat er ook op he.

[verdachte] : Ik ook?

[medeverdachte] : Ja, ik zweer bij Allah.

[verdachte] : Heb je het gezien.

[medeverdachte] : Ik heb het gezien, ik zweer. Er staat alles op.

[verdachte] : Heb je mij gezien of niet?

[medeverdachte] : Hah?

[verdachte] : Heb je mij gezien?

[medeverdachte] : Ja.

[verdachte] : Mijn hoofd (gezicht)?

[medeverdachte] : Ja, maar je moet niet veel praten he.

[verdachte] : Heb je mijn hoofd (gezicht) gezien?

[medeverdachte] : Ja.

[verdachte] : Duidelijk?

[medeverdachte] : Hah?

[verdachte] : Duidelijk?

[medeverdachte] : Een beetje.12

In dit gesprek vertelt [medeverdachte] dat “Blocky” langs de camera rende en dat ook de verdachte er op staat.

De rechtbank stelt vast dat de hiervoor weergegeven camerabeelden van 6 mei 2016 de enige beelden zijn die zich in het dossier bevinden waarop twee (rennende) personen te zien zijn. Het kan daarom niet anders dan dat [medeverdachte] het heeft over deze camerabeelden. En hoewel op basis van (de kwaliteit van) deze beelden geen specifieke uiterlijke kenmerken kunnen worden waargenomen, is het evident dat [medeverdachte] weet wie naar zijn overtuiging op deze beelden te zien zijn, namelijk de verdachte en “Blocky”.

De verdachte heeft geen enkele verklaring willen geven voor deze omstandigheden die duiden op zijn betrokkenheid bij het strafbare feit. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen. Wel kan de rechtbank, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het ten laste gelegde feit, geen redelijke, ontzenuwende verklaring heeft gegeven, zulks in haar overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken.

Door het volledig uitblijven van enige aannemelijke verklaring van de kant van de verdachte die de rechtbank aanleiding zou kunnen geven om aan de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit te twijfelen wordt de rechtbank gesterkt in haar overtuiging van zijn betrokkenheid bij de autobrand.

De rechtbank acht op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de brandstichters is geweest.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair ten laste gelegde feit.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 6 mei 2016 in de Molenwijk te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (te weten de Peugeot 307 met [kentekennummer] die geparkeerd stond op de [adres] ) door een ruit van voornoemde auto in te slaan en een brandend voorwerp naar binnen te gooien, althans vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en voornoemd voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 30 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit – mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen – te volstaan met oplegging van jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich op 6 mei 2016 samen met zijn mededader schuldig gemaakt

aan een brandstichting in een auto. De rechtbank rekent de verdachte deze autobrand zeer zwaar aan. Vanwege de ernstige en onvoorspelbare gevolgen die met brand gepaard kunnen gaan, wordt brandstichting niet voor niets gekwalificeerd als een ernstig delict. Daarbij neemt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking dat dit niet een op zichzelf staande brandstichting betrof, maar dat deze onderdeel was van een reeks autobranden die gedurende een korte periode in de wijk Molenwijk in Den Haag plaatsvond. Uit het dossier volgt immers dat de verdachte en zijn vriendengroep kennelijk tot gezamenlijk doel hadden om autobranden te plegen en dat zij in verschillende samenstellingen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de diverse autobranden die de wijk hebben geteisterd. De veelheid aan brandstichtingen heeft een grote impact gehad op de bewoners van de getroffen wijk (en directe omgeving) en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel opgeroepen.

De rechtbank betrekt in haar oordeel over de strafmaat dat de verdachte geen enkel teken heeft gegeven spijt van zijn handelen te hebben of verantwoordelijkheid daarvoor te willen nemen.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden niet eerder is veroordeeld voor het plegen van misdrijven of overtredingen.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 8 juni 2017. De rapporteur heeft geadviseerd aan de verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie een passende reactie vormt. Voorts zal de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen om de verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal aan de verdachte een forse onvoorwaardelijke werkstraf worden opgelegd. Met inachtneming van de strafeisen in de zaken tegen de medeverdachten en de uiteindelijk opgelegde straffen in die zaken, zal de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf van langere duur opleggen dat gevorderd. De ernst van het feit komt hierdoor beter tot uitdrukking in de op te leggen straf.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 50 (vijftig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 34 (vierendertig) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd daarbij vast op twee jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 100 (honderd) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 50 (vijftig) DAGEN;

bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J.J.M. Weijnen, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.C. Bruining, kinderrechter,

en mr. J.J. Peters, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juli 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2016125516 / DH3R016053, Leipzig onderzoek (doorgenummerd p. 1 t/m 1281, alsmede het Methodiekendossier met het nummer 2016125516 / DH3R016053, Leipzig onderzoek (doorgenummerd p. 1 t/m 410).

2 Het proces-verbaal signalementen autobranden 6 en 7 mei 2016, p. 720.

3 Het proces-verbaal aangifte, [aangeefster] , d.d. 6 mei 2016, p. 173.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1131.

5 Het proces-verbaal bevindingen gemeen gevaar voor andere goederen, p. 989.

6 Het proces-verbaal signalementen autobranden 6 en 7 mei 2016, p. 720-724.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige] , d.d. 5 augustus 2016, p. 1245-1247.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 250.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 242.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 250.

11 Op 21 juni 2016 is vertrouwelijke communicatie opgenomen tussen de medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte. Deze OVC-gesprekken zijn woordelijk uitgewerkt (en vertaald) in het dossier, p. 905-940.

12 Het proces-verbaal OVC analyse [medeverdachte] en [verdachte] , p. 913.