Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:779

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
AWB 17/1916, AWB 17/1921
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

- Voorlopige voorziening

- Feitelijke uitzetting

- Opvolgende asielaanvragen

- Geen nieuwe elementen

- Terecht niet ambtshalve getoetst aan artikel 64 Vreemdelingenwet 2000

- Verzoeken afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/1916 en AWB 17/1921

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2017 op de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de zaken tussen

1. [verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [nummer], en

2. [verzoekster], verzoekster, mede namens hun minderjarige kinderen [kind], [kind] en [kind],

V-nummers: [nummers],

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,

gemachtigde: mr. J.G.H. van der Kolk,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. F.W.A. Croonen.

Procesverloop

Bij brief van 25 januari 2017 heeft verweerder aangekondigd dat verzoekers op 30 januari 2017 om 10:20 uur zullen worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland.

Verzoekers hebben op 26 januari 2016 tegen dit feitelijk handelen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken dat overdracht verboden wordt hangende de bezwaren.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

2. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij niet aan Duitsland kunnen worden overgedragen omdat zij daar eerder in erbarmelijke omstandigheden hebben moeten leven. Verder zijn voor hun aan epilepsie lijdende dochter [kind] binnenkort twee afspraken bij het Antonius-ziekenhuis te Sneek gepland. Ter staving daarvan hebben zij twee afspraakbevestigingen overgelegd. Verder hebben verzoekers opvolgende asielaanvragen ingediend.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Verweerder heeft erop gewezen dat de eerste asielaanvragen van verzoekers bij twee afzonderlijke besluiten van 13 december 2016 niet in behandeling zijn genomen omdat de autoriteiten van Duitsland verantwoordelijk zijn voor de behandeling ervan. Verweerder heeft er verder op gewezen dat de beroepen die verzoekers daartegen hebben ingediend bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 11 januari 2017 (zaaknummers AWB 16/29330 en AWB 16/29334) niet-ontvankelijk zijn verklaard. Verzoekers hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Verweerder heeft in reactie op voornoemde opvolgende asielaanvragen besloten dat overdracht niet achterwege blijft als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb heeft het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet tot gevolg dat uitzetting achterwege blijft als sprake is van een opvolgende aanvraag nadat een eerdere aanvraag definitief niet in behandeling is genomen en geen nieuwe elementen en bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de eerste asielaanvragen van verzoekers definitief niet in behandeling zijn genomen. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van relevante nieuwe elementen en bevindingen. Uit de door verzoekers overgelegde afspraakbevestigingen blijkt slechts dat hun dochter onder medische behandeling staat. Dit was ten tijde van de eerste asielaanvragen van verzoekers al bekend en ook door verweerder kenbaar in de besluitvorming betrokken. Eveneens is ingegaan op de stelling van verzoekers dat zij in Duitsland in erbarmelijke omstandigheden zouden hebben geleefd.

6. Voor zover verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder dat terecht niet heeft gedaan gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

7. Gelet op het voorgaande worden de verzoeken afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.