Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:778

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/23936
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Afwijzing eerste asielaanvraag

- Gesteld Eritrese

- Nationaliteit, identiteit en herkomst ongeloofwaardig

- Documentonderzoek

- Geloofwaardigheid verklaringen

- Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/23936

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. W.A. Derogee-Berghuis,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Op 19 oktober 2016 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 september 2016 (het bestreden besluit) waarbij haar asielaanvraag is afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Tevens was aanwezig G. Ogbamichael, tolk in de Tigrinia-taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 7 september 2015 heeft zij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat verweerder de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig acht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst niet door middel van het overleggen van originele identificerende documenten aannemelijk heeft kunnen maken. Immers, de door haar overgelegde doop- en huwelijksakte zijn door het Bureau Documenten (thans: Team Onderzoek en Expertise Documenten) van verweerder met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt bevonden. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst evenmin door middel van haar verklaringen aannemelijk heeft kunnen maken.

3. Eiseres meent dat haar ten onrechte een asielvergunning is onthouden. Zij stelt dat de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten onvoldoende inzichtelijk is, zodat verweerder daar niet zonder meer van mocht uitgaan. Daarnaast betwist eiseres onaannemelijk te hebben verklaard.

4. In artikel 29, eerste lid, van de Vw is bepaald dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die (a) verdragsvluchteling is of (b) die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade zoals in dat artikel omschreven.

De aanvraag wordt op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Indien verweerder een dergelijk advies aan een besluit ten grondslag legt, moet hij zich ervan vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien dat het geval is, kan de uitkomst van het advies slechts met succes worden bestreden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2207).

6. In het geval van eiseres is in de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten neergelegd dat beide door eiseres overgelegde aktes afwijken qua opmaak en afgifte. Verweerder heeft erop gewezen dat Bureau Documenten deskundig is en dat het onderzoek gebaseerd is op vertrouwelijke gegevens betreffende de technische en tactische kenmerken van deze aktes. In aanvulling daarop heeft verweerder erop gewezen dat de doopakte, waarop de huwelijksakte is gebaseerd, niet in 1990 kan zijn afgegeven door de Eritrese kerk, omdat die niet bestond voordat de Eritrese staat in 1993 werd gesticht. Desgevraagd heeft eiseres hierover ter zitting geen uitleg kunnen geven. Evenmin heeft zij een contra-expertise ingebracht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en dat hij terecht heeft geoordeeld dat eiseres de door haar gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt door middel van originele, identificerende documenten.

7. Verweerder heeft verder niet ten onrechte overwogen dat eiseres er evenmin in is geslaagd om haar identiteit, nationaliteit en herkomst door middel van verklaringen aannemelijk te maken.

Verweerder heeft in dat verband niet ten onrechte gesteld dat de verklaring van eiseres dat haar moeder in 2009 een identiteitskaart voor haar heeft aangevraagd, vreemd is aangezien eiseres toen al meerderjarig was. Eiseres heeft in reactie hierop in beroep aangevoerd dat haar moeder toen het woord voerde en dat verweerder haar ten onrechte verwijt dat zij pas in de zienswijze heeft verklaard dat zij zelf bij de aanvraag aanwezig was. Dit leidt echter niet tot een andere conclusie. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiseres uitdrukkelijk ontkennend heeft geantwoord op de vraag of zij zelf nog enige rol heeft gespeeld in het aanvragen van de identiteitskaart.

Ook heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiseres enerzijds heeft verklaard dat zij haar identiteitsbewijs is kwijtgeraakt omdat er onvoldoende ruimte was in de vluchtauto voor de tas waarin dit document zich bevond, en anderzijds dat zij de tas met haar identiteitsbewijs in de haast heeft moeten achterlaten toen zij werden achtervolgd door bandieten.

Verder heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat eiseres volgens haar verklaring vanaf haar zevende levensjaar illegaal in Soedan heeft gewoond, maar daar nooit is geregistreerd en geen verblijfsdocumenten heeft gehad, terwijl zij wel herhaalde malen zou zijn opgepakt. De reactie van eiseres in beroep dat de wettelijke verplichting om te worden geregistreerd eerst in 2014 is ingevoerd, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het oordeel van verweerder over de door eiseres gestelde combinatie van omstandigheden.

Ten slotte heeft verweerder erop gewezen dat eiseres niets heeft kunnen verklaren over de onafhankelijkheid van Eritrea en het referendum in 1993. Eiseres heeft hiertegen ingebracht dat zij te jong was om zich dit te herinneren, maar verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte gesteld dat eiseres volgens haar verklaring na het vertrek uit Eritrea vier jaar onderwijs heeft genoten op een Eritrese school in Soedan en dat daarom verwacht mag worden dat zij weet te verklaren over een dergelijke elementaire gebeurtenis in de geschiedenis van Eritrea.

8. Verweerder heeft op grond van het voorgaande terecht geoordeeld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is aan te merken als vluchteling of dat zij te vrezen heeft voor ernstige schade, een en ander zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. De aanvraag is terecht afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

9. Het beroep is daarom ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.