Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7765

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
UTL-I-2013029059
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering strekkende tot verlenging van de vrijheidsbeneming.

Artt. 37 en 38 van de Uitleveringswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: UTL-I-2013029059

Bevel verlenging vrijheidsbeneming

Beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2017, op vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 12 juni 2017, strekkende tot verlenging van de vrijheidsbeneming met een termijn van dertig dagen van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

thans gedetineerd in [P.I.] .

In de zaak van de opgeëiste persoon zijn twee uitleveringsverzoeken ontvangen van de Moldavische autoriteiten met het oog op vervolging ter zake van mensenhandel, waarbij het in het tweede uitleveringsverzoek gaat om andere slachtoffers van mensenhandel dan in het eerste uitleveringsverzoek.

De opgeëiste persoon zit thans gehecht in verband met het tweede verzoek tot uitlevering, dat is ontvangen bij brief van 19 september 2014. Aanvankelijk is die uitlevering bij uitspraak van 20 mei 2015 ontoelaatbaar verklaard. Nadat de Moldavische autoriteiten alsnog ontbrekende stukken hebben verstrekt heeft de rechtbank bij uitspraak van 20 januari 2016 de uitlevering toelaatbaar verklaard ten aanzien van de vervolging voor mensenhandel.

Het tegen laatstgenoemde uitspraak ingestelde cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad verworpen.

De Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) heeft bij beschikking van

11 januari 2017 beslist dat de uitlevering van de opgeëiste persoon is toegestaan.

De Minister heeft Moldavië om specifieke garanties gevraagd en deze zijn op 16 december 2016 en 30 maart 2017 gegeven.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 9 juni 2017 verboden de opgeëiste persoon aan Moldavië uit te leveren.

Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat - in het licht van de in dat vonnis aangehaalde rapporten over detentieomstandigheden in Moldavië en de zich op dit punt tot algemeenheden beperkte garanties van de Moldavische autoriteiten – er zoveel twijfel is gerezen over detentieomstandigheden waaraan eiser zal worden blootgesteld, dat er thans een “real risk” voor de opgeëiste persoon voor een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling in Moldavië is.

Deze uitspraak van de voorzieningenrechter laat naar het oordeel van de rechtbank evenwel onverlet dat nog steeds voldaan wordt aan de voorwaarden voor verlenging van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon, zoals bepaald in de desbetreffende wettelijke regeling.

Bovenstaande uitspraak van de voorzieningenrechter is immers nog niet in kracht van gewijsde gegaan, nu daartegen volgens de mededeling van de officier van justitie hoger beroep is ingesteld. Daarnaast is de rechtbank met de voorzieningenrechter van oordeel dat het vonnis van de voorzieningenrechter onverlet laat dat het de Minister op basis van gewijzigde omstandigheden in de toekomst mogelijk wel is toegestaan de opgeëiste persoon uit te leveren aan Moldavië. Bij deze stand van zaken is nog steeds sprake van een geval als bedoeld in artikel 38, derde lid, aanhef en onder d, van de Uitleveringswet, nu uitlevering wel is toegestaan en alleen nog niet heeft kunnen plaatsvinden.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank gelet op de artikelen 37 en 38 van de Uitleveringswet de vordering van de officier van justitie, strekkende tot verlenging van de vrijheidsbeneming met een termijn van dertig dagen, toewijzen.

De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid dat het erop lijkt dat de opgeëiste persoon in Duitsland vervolgd zal worden en dat het Duitse dossier betreffende de opgeëiste persoon niet aan de Moldavische autoriteiten is overgedragen leidt de rechtbank thans niet tot een ander oordeel en de jarenlange vrijheidsbeneming op basis van de Uitleveringswet evenmin.

Ten aanzien van de subsidiair verzochte schorsing overweegt de rechtbank het volgende. Namens de opgeëiste persoon is naar voren gebracht dat hij getrouwd is en een jonge dochter heeft alsmede dat op 9 juni 2017 een tweede dochter is geboren die ernstig gehandicapt lijkt. Verder is aangegeven dat hij zijn vrouw en kinderen niet zou kunnen zien als hij in Moldavië vast zou zitten, vanwege het gevaar dat zijn vrouw daar loopt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze persoonlijke omstandigheden minder zwaar wegen dat de belangen die zijn verbonden aan het laten voortduren van de vrijheidsbeneming en wijst het schorsingsverzoek daarom af.

Beslissing :

De rechtbank wijst toe de vordering strekkende tot de verlenging van de vrijheidsbeneming van de voornoemde opgeëiste persoon voor een termijn van 30 dagen.

De rechtbank wijst het schorsingsverzoek af.

Deze beschikking is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 14 juni 2017 door

mrs. A.P. Pereira Horta, voorzitter, S.M. de Bruijn en A.P. Sno, rechters,

in tegenwoordigheid van K.A. van Iwaarden, griffier.

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en brengt deze ter kennis van de opgeëiste persoon.

Den Haag, 14 juni 2017 de officier van justitie