Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:776

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
AWB 17/754
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- mondelinge uitspraak

- Dublin Duitsland

- organisatie rechtsbijstand

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/754

V-nummer: [nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel.

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 17/755, plaatsgevonden op 23 januari 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt het volgende.

2. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van

de asielaanvraag van eiser omdat eiser eerder in Duitsland asiel heeft aangevraagd.

3. In geschil is of verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de

asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken.

4. Anders dan eiser heeft betoogd, maakt de wijze waarop in Duitsland de rechtsbijstand

aan asielzoekers is georganiseerd naar het oordeel van de rechtbank niet dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Duitse asielprocedure valt op dit punt binnen de reikwijdte van de artikelen 19, 20 en 21 van de Richtlijn 2013/32 (Procedurerichtlijn). Met verwijzing naar de rapporten van AIDA van januari 2015 en naar het “Memorandum für faire und sorgfältige Asylverfahren in Deutschland” van november 2016 heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland.

5. Dat Marokko in Duitsland thans als veilig land van herkomst is aangemerkt, betekent

niet dat de asielaanvraag van eiser in Duitsland niet zorgvuldig wordt behandeld. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3153). Duitsland heeft ingestemd met het terugnameverzoek van verweerder op grond van de Dublinverordening. Hierdoor heeft Duitsland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag op zich genomen. Gesteld noch gebleken is dat eiser bij voorkomende problemen zich niet kan wenden tot de Duitse autoriteiten.

6. Eisers beroep op artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de punten 21 en 22 van de Preambule van de Dublinverordening (Preambule) faalt. Artikel 80 van het VWEU heeft geen rechtstreekse werking, aangezien de inhoud van dit artikel slechts beleidskaders aan de lidstaten geeft. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er in Duitsland sprake is van het instorten van het asielstelsel in de zin van de punten 21 en 22 van de Preambule.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.