Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7740

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 30057
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv in het kader van nareis, Eritrea, identiteit en feitelijke gezinsband niet aangetoond, wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd door referent, geen duurzame en exclusieve relatie die op een lijn te stellen is met een huwelijk

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30057

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gerritsen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de namens eiseres ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen.

Bij besluit van 24 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995, in het bezit te zijn van de Eritrese nationaliteit en een relatie te hebben met [persoon] (referent). Zij beoogt met haar aanvraag verblijf bij referent in het kader van nareis. Referent verblijft in Nederland op basis van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag van eiseres afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiseres en de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent niet zijn aangetoond. Er is geen sprake van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent die op één lijn te stellen is met een huwelijk. De identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie van eiseres met referent zijn niet met documenten aangetoond en referent heeft ook geen aanvullende gegevens en plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen afgelegd over de relatie en het samenwonen om de feitelijke gezinsband alsnog aannemelijk te maken. Referent heeft zoveel verschillende verklaringen afgelegd dat niet kan worden vastgesteld sinds wanneer eiseres en referent een relatie hebben en op welke wijze zij invulling hebben gegeven aan deze relatie. Referent heeft door inconsequente verklaringen over zijn verblijfplaatsen en de periodes niet aannemelijk gemaakt dat eiseres op zeer jonge leeftijd met hem zou hebben samengewoond in partnerschapsverband. Daarbij wordt door verweerder in aanmerking genomen dat referent tegenstrijdig heeft verklaard over het hebben van een betaalde baan, dat ongehuwd samenwonen in Eritrea geen gangbare levensvorm is – te meer gelet op de culturele en religieuze achtergrond van eiseres en referent – en dat het zeer opmerkelijk is dat referent de naam van de ouders van eiseres niet kent nu de ouders op de hoogte waren van de samenwoning en hen financieel zouden hebben ondersteund. Voorts acht verweerder de (gestelde) relatie niet duurzaam. Referent heeft aangegeven dat hij zich niet met eiseres wilde verloven omdat hij zijn familie moest ondersteunen en dat voor eiseres hetzelfde gold, hetgeen impliceert dat eiseres en referent geen eigen bestaan hebben opgebouwd en nog behoorden tot het gezin van hun ouders. Daarnaast heeft referent verklaard dat hij uit Eritrea is vertrokken zonder eiseres daarvan op de hoogte te stellen en dat hij voor en na zijn vertrek weinig contact met eiseres heeft gehad. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en aangevuld in de zin dat de in bezwaar overgelegde kopie van een schoolkaart en een schoolrapport geen officiële identiteitsdocumenten zijn en dat referent geen aannemelijke verklaring heeft gegeven waarom hij anders dan in Eritrea gebruikelijk is wel met eiseres ongehuwd heeft samengewoond.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en daartoe is namens eiseres het volgende aangevoerd. Eiseres betoogt dat uit de tweetal overgelegde schooldocumenten haar identiteit genoegzaam blijkt en dat zij en referent in bewijsnood verkeren ten aanzien van het verkrijgen van andere documenten met betrekking tot haar identiteit, nationaliteit en de familierechtelijke relatie. Zij kunnen zich niet tot de Eritrese autoriteiten wenden en dit kan evenmin van hen worden gevergd, omdat zij door die autoriteiten worden vervolgd. Er is ook niemand anders die namens hen die documenten zou kunnen verkrijgen omdat dit tot onoverkomelijke problemen zou kunnen leiden met de Eritrese overheid. Verweerder had het ontbreken van documenten derhalve niet mogen tegenwerpen. Bovendien stelt eiseres dat niet valt in te zien waarom verweerder geen identificerend interview met haar heeft gehouden om haar identiteit, nationaliteit en de familierechtelijke relatie vast te stellen. Eiseres is van oordeel dat er geen tegenstrijdige verklaringen omtrent de relatie van eiseres en referent zijn gegeven, in elk geval niet zodanige tegenstrijdigheden dat met recht aan die relatie kan worden getwijfeld. Er is sprake geweest van miscommunicatie en uit de antwoorden op de gestelde vragen lijkt het eerder zo te zijn dat er wel degelijk sprake is geweest van een duurzame relatie. Uit de samenwoning volgt in elk geval de duurzaamheid en exclusiviteit van de relatie. Tot slot is eiseres van mening dat de hoorplicht is geschonden.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt omtrent het verzoek tot vrijstelling van het griffierecht als volgt.

5.1

Eiseres heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht en heeft daartoe op 9 januari 2017 een eigen verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Gelet op deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eiseres vrijgesteld is van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

6. De rechtbank overweegt omtrent de beroepsgronden als volgt.

6.1.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: (b.) de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin.

6.2.

Volgens paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover hier van belang, verleent verweerder de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000, als de echtgeno(o)t(e) of partner op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoort en die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De referent onderbouwt dit met documenten. De referent moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn echtgeno(o)t(e) of partner, als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.

6.3

Blijkens paragraaf C1/4.4.6 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw 2000 of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van:

• een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;

• indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont;

• indien van toepassing, een document dat zowel het partnerschap als het samenwonen in het land van herkomst aantoont; en

• indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het minderjarige kind en de ouder aantoont.

Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw 2000 of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, een of meerdere van de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen.

Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, moet de vreemdeling zijn identiteit en de gestelde familierelatie op een andere wijze aannemelijk maken.

6.4.

De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4820) volgt dat het standpunt van verweerder of een vreemdeling in het land van herkomst feitelijk tot het gezin van de referent heeft behoord terughoudend dient te worden getoetst.

7. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er tussen eiseres en referent geen partnerschap is die gelijk te stellen is aan een huwelijk.

8.1.

De rechtbank stelt voorop dat in het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van juli 2015 staat vermeld dat identiteitskaarten nodig zijn voor allerlei bureaucratische procedures. Op pagina 30 van dit ambtsbericht staat dat als men niet over een identiteitskaart beschikt dat de toegang tot overheidsdiensten- en voorzieningen kan belemmeren. In het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van februari 2017 op pagina 21 staat dat alle Eritreeërs die ouder zijn dan achttien jaar in het bezit moeten zijn van een identiteitskaart.

8.2.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij niet in het bezit kan worden gesteld van documenten met betrekking tot haar identiteit en nationaliteit en dat derhalve sprake is van bewijsnood. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat het voor haar persoonlijk onmogelijk is om over een identiteitsdocument te beschikken. Zo heeft eiseres niet aangetoond dat zij pogingen heeft ondernomen om documenten te verkrijgen. Eiseres verwijst slechts naar algemene informatie over Eritrea. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van bewijsnood.

8.3.

De door eiseres overgelegde kopieën van een schoolkaart en een schoolrapport zijn in tegenstelling tot hetgeen eiseres betoogt geen documenten die de identiteit en nationaliteit van eiseres kunnen aantonen. Deze documenten zijn geen geldige documenten voor grensoverschrijding en daarbij kan van een kopie de echtheid van het originele document niet worden vastgesteld. In het verweerschrift heeft verweerder voorts terecht opgemerkt dat de geboortedatum van eiseres die op de kopie van de schoolpas staat vermeld, namelijk 1 januari 1995, een andere geboortedatum is dan de datum die in de door of namens haar gevoerde procedures in Nederland is opgeven, te weten [geboortedatum] 1995. Voor het verschil in geboortedatum is door eiseres geen verklaring gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar identiteit, nationaliteit en familierechtelijke relatie met referent niet met documenten heeft aangetoond.

8.4.

Het betoog van eiseres dat niet valt in te zien waarom verweerder geen identificerend interview met haar heeft gehouden om haar identiteit, nationaliteit en familierechtelijke relatie met referent vast te stellen, slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de afwijzing van de aanvraag niet enkel gebaseerd is op het ontbreken van bewijsstukken. Referent is uitgenodigd voor een interview en is derhalve mondeling in de gelegenheid gesteld om de relatie met eiseres nader te onderbouwen. Verweerder heeft deze informatie, alsmede de informatie uit de gehoren die in het kader van de asielprocedure van referent zijn afgenomen, betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht, gelet op de wisselende en tegenstrijdige verklaringen van referent omtrent de invulling van de relatie en de samenwoning met eiseres, geen aanleiding gezien om een identificerend interview met eiseres te houden.

8.5.

Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat referent ook geen plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft afgelegd over de start van zijn relatie en de samenwoning met eiseres. Daarbij heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat referent tegenstrijdig heeft verklaard over zijn verblijfsplaatsen en de periodes en over het hebben van een betaalde baan. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte opmerkelijk gevonden dat referent geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij ongehuwd met eiseres heeft samengewoond hetgeen erg ongebruikelijk is in Eritrea. Tevens heeft verweerder niet ten onrechte zeer opmerkelijk geacht dat referent de naam van de ouders van eiseres niet kent terwijl zij, zo referent heeft verklaard, op de hoogte waren van de samenwoning en hen financieel zouden hebben ondersteund. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte van belang geacht dat referent heeft aangegeven dat hij zich niet met eiseres wilde verloven omdat hij en eiseres hun familie moesten ondersteunen, hetgeen impliceert dat zij nog behoorden tot het gezin van hun ouders. Ook de omstandigheid dat referent heeft aangegeven dat hij uit Eritrea is vertrokken zonder eiseres hiervan op de hoogte te stellen en dat hij voor en na zijn vertrek weinig contact met haar heeft gehad, is door verweerder niet ten onrechte relevant bevonden. De door eiseres gegeven verklaringen voor voornoemde tegenstrijdigheden en ongerijmdheden, inhoudende dat er sprake is geweest van miscommunicatie, volgt de rechtbank zonder nadere onderbouwing niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van een duurzame en exclusieve relatie die op één lijn te stellen is met een huwelijk, waardoor de feitelijke gezinsband tussen referent en eiseres niet aannemelijk is gemaakt.

9. De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien referent en eiseres in bezwaar te horen, faalt. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen referent heeft aangevoerd, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen kon worden afgezien.

10. Het beroep is ongegrond.

11.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.