Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7727

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 12016
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Dublin/Duitsland

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/12016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017.

Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiser heeft op 4 april 2017 een asielaanvraag ingediend.

2. De aanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat hij door de autoriteiten in Duitsland is gediscrimineerd en dat hij zich in Duitsland niet veilig voelt. Eiser voert voorts aan dat hij hierover niet kan klagen bij de Duitse autoriteiten omdat de discriminatie en vernedering volgens eiser onbewijsbaar is. Voorts voert hij aan dat zijn asielaanvraag in Duitsland, die hij op 2 november 2015 heeft ingediend, nog altijd niet inhoudelijk is beoordeeld.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 2 november 2015 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Dit verzoek is door Duitsland afgewezen. Voorts zijn er geen indicaties dat eiser sinds zijn verzoek om internationale bescherming in Duitsland het Dublingebied heeft verlaten. Gezien het vorenstaande is Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser.

4.2

De Duitse autoriteiten hebben op 8 mei 2017 ingestemd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De door eiser aangevoerde asielmotieven kunnen bij de autoriteiten van Duitsland naar voren worden gebracht en bij hun behandeling worden meegenomen.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat zij na overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. De autoriteiten van Duitsland hebben middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Als het door de Duitse autoriteiten te nemen besluit volgens eiser in strijd is met artikel 3 van het EVRM, het refoulementverbod, of andere verdragsverplichtingen, dan is het aan eiser om daarover te klagen bij de geëigende autoriteiten in Duitsland. Eiser heeft niet onderbouwd gesteld dat hij die mogelijkheid niet heeft in Duitsland. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser naar Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. De enkele stelling dat hij in Duitsland gediscrimineerd wordt en zich daar niet veilig voelt, is hiertoe onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.