Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7722

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
NL17.3307
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Marokkaan. Vraagt in Nederland asiel aan omdat hij in Marokko een strafblad heeft en geen werk kan vinden. veilig land van herkomst. vooraf horen over terugkeerbesluit en inreisverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3307


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.J. Eertink),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).


Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.


Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3308, plaatsgevonden op 29 juni 2017.Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 1 oktober 2016 zijn asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Marokko moeite heeft met het vinden van een baan, omdat hij een strafblad heeft wegens het dealen van drugs.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland direct dient te verlaten. Voorts is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat het onthouden van een vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod onredelijk is en dat hij hier ten onrechte niet over is gehoord door verweerder. Verweerder had moeten motiveren waarom er in dit geval geen sprake kon zijn van een langere vertrektermijn.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 6 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:291), onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 11 december 2014, C-249/13, Boudjlida, ECLI:EU:C:2014:2431, geoordeeld dat het recht om vóór de vaststelling van een terugkeerbesluit te worden gehoord, niet in die zin moet worden uitgelegd dat die autoriteit gehouden is de illegaal verblijvende derdelander voorafgaand aan het gehoor dat plaatsvindt met het oog op de uitvaardiging van het terugkeerbesluit, in kennis te stellen van haar voornemen om jegens hem een terugkeerbesluit vast te stellen, hem de gegevens mee te delen waarop zij dat besluit wil baseren of ook om hem bedenktijd te gunnen alvorens hem te horen, maar in die zin dat die derdelander naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar moet kunnen maken over de onrechtmatigheid van zijn verblijf en over de redenen die overeenkomstig het nationale recht kunnen rechtvaardigen dat die autoriteit afziet van de vaststelling van een terugkeerbesluit.

Het terugkeerbesluit in de onderhavige zaak is tegelijkertijd met het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag genomen. In dit verband is van belang dat eiser gehoord is in de procedure betreffende zijn asielaanvraag, waarbij hij alle gronden voor zijn aanvraag heeft kunnen uiteenzetten. Voorts is hij, nadat het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag is uitgebracht, met inbegrip van de mededeling dat de vertrektermijn zal worden verkort tot nul dagen en een inreisverbod zal worden opgelegd, in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Eiser heeft dus naar behoren en daadwerkelijk zijn opmerkingen kunnen maken over de onrechtmatigheid van zijn verblijf of over de redenen die kunnen leiden tot het achterwege laten van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft niet onjuist gehandeld door het terugkeerbesluit en het inreisverbod in het voornemen op te nemen, zonder eiser daarover expliciet te horen.

5.2

Uit WBV 2016/2 blijkt dat verweerder de vertrektermijn onthoudt indien sprake is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd welke op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond is afgewezen. Hierin ligt wel een proportionaliteitstoets, waarbij wordt afgezien van het onthouden van een vertrektermijn indien de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling daartoe nopen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die het onthouden van een vertrektermijn in zijn geval disproportioneel maken. In de zienswijze heeft hij slechts naar voren gebracht dat hij nog spullen had liggen op het AZC Baexem, dat hij nog geld kreeg voor schoonmaakwerkzaamheden op het AZC en dat het ten tijde van het voornemen en het bestreden besluit nog ramadan was. Verweerder heeft dan ook op juiste gronden een vertrektermijn onthouden aan eiser.

5.3

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een inreisverbod uitgevaardigd tegen een vreemdeling die Nederland onmiddellijk moet verlaten. Dat eiser familie heeft wonen in Italië is onvoldoende om geen inreisverbod op te leggen. Daarbij heeft verweerder aanvullend mogen betrekken dat eiser tijdens het Dublin-gehoor op 3 oktober 2016 heeft verklaard dat hij niet precies weet waar zijn familie in Italië woont en dat het verre familie is.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.