Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:770

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
09/842555-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

7 jaar cel voor zware mishandeling met fataal gevolg

Den Haag, 31 januari 2017

De rechtbank Den Haag veroordeelde vandaag twee mannen van 28 en 36 jaar oud voor zware mishandeling van een 57-jarige man, waardoor deze is overleden. Hiervoor krijgen beide mannen gevangenisstraffen van 7 jaar. Het slachtoffer was de vader van een van de mannen.

Het plan

De mannen en het slachtoffer hadden samen een partij drugs achterovergedrukt en verkocht. Om dat te verbergen, verzonnen zij een bizar en risicovol plan. Het slachtoffer zou zogenaamd zijn overvallen, waarbij het geld was buit gemaakt. Om die overval geloofwaardig te maken, moest het slachtoffer letsel hebben. Dat letsel moest ernstig genoeg zijn om het slachtoffer naar het ziekenhuis te brengen.

De uitvoering

De mannen en het slachtoffer reden samen van Den Haag naar Eemnes. Daar is het slachtoffer ernstig hoofdletsel toegebracht. Volgens het plan mocht niet voor een bepaald tijdstip naar het ziekenhuis worden gegaan. Daarom heeft de zoon urenlang, terwijl het slachtoffer ernstig gewond op de achterbank van de auto lag, in een garagebox in Den Haag gewacht.

Zware mishandeling

Het slachtoffer liep zwaar lichamelijk letsel op door meerdere klappen op het hoofd. Er zijn onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat het de bedoeling van de mannen was dat het slachtoffer zou overlijden. Om die reden zijn zij vrijgesproken van moord en doodslag. De rechtbank vindt wel dat sprake is van zware mishandeling, waardoor het slachtoffer is overleden.

Samenwerking

De rechtbank weet niet wie van de twee mannen het slachtoffer heeft geslagen. Beide mannen hadden echter een grote en belangrijke rol bij het bedenken en uitvoeren van het plan. De kans dat het slachtoffer daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen was zo groot dat beide mannen verantwoordelijk worden gehouden voor dat letsel en het overlijden van het slachtoffer.

Celstraffen

De rechtbank rekent het beide mannen op gelijke wijze aan dat zij het slachtoffer zo zwaar hebben mishandeld, dat hij daaraan uiteindelijk is overleden. In bijzonder rekent de rechtbank het hen aan dat zij, ook nadat het letsel was toegebracht, vasthoudend zijn voortgegaan met de uitvoering van hun bizarre plan en zich geen moment bekommerd hebben om het lot van het slachtoffer. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de straf die door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank niet bewezen acht dat sprake was van voorbedachte raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842555-15

Datum uitspraak: 31 januari 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[Verdachte],

geboren op [datum] te [plaats],

BRP-adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Alphen aan den Rijn”.

Het onderzoek ter terechtzitting

Op 1 december 2015, 9 februari 2016, 6 april 2016, 27 juni 2016, 12 september 2016 en 16 november 2016 vonden niet-inhoudelijke (pro forma) zittingen plaats.

De inhoudelijk behandeling van de zaak vond plaats op 9, 10, 12 en 13 januari 2017.

De rechtbank nam kennis van de vordering van de officier van justitie mr. D.J. de Jong en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.

De formele sluiting van het onderzoek ter terechtzitting vond plaats op 17 januari 2017.

De tenlastelegging

In de – ter terechtzitting van 9 januari 2017 gewijzigde – tenlastelegging zijn onder feit 1 de beschuldigingen tegen verdachte in verband met het overlijden van [slachtoffer], zijn vader, opgenomen in meerdere kwalificatieve varianten, te weten dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    (medeplegen van) moord dan wel doodslag van zijn vader (primair), dan wel medeplichtigheid hieraan (subsidiair);

  • -

    (medeplegen van) het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn vader, al dan niet met voorbedachten rade, met de dood tot gevolg (tweede subsidiair) dan wel de medeplichtigheid hieraan (derde subsidiair);

  • -

    (medeplegen van) mishandeling van zijn vader, al dan niet met voorbedachten rade, met de dood tot gevolg (vierde subsidiair) dan wel de medeplichtigheid hieraan (vijfde subsidiair).

Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 12.950,- (feit 2) en het aanwezig hebben van 180,6 gram hasj (feit 3).

De volledige ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is integraal opgenomen als bijlage A en maakt onderdeel uit van dit vonnis.

Bewijsoverwegingen

Inleiding 1

1. De volgende feiten en omstandigheden hebben ter zitting niet ter discussie gestaan en kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen dienen als uitgangspunt voor de bewijsvraag.

2. Op 19 augustus 2015 omstreeks 05.00 uur is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) door verdachte, zijn zoon (hierna: [verdachte]) met forse verwondingen aan zijn hoofd binnengebracht bij de afdeling spoedeisende hulp van het HagaZiekenhuis te Den Haag.2

3. [ [Slachtoffer] is op 11 september 2015 op 57-jarige leeftijd in het ziekenhuis overleden. Zijn overlijden is het gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend geweld op/tegen het hoofd.3

4. Uit onderzoek van A. Maes, arts en patholoog en B.G.L. Oude Grotebevelsborg, forensisch arts KNMG, beiden werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), blijkt dat bij [slachtoffer] onder meer sprake was van meerdere botbreuken, zwellingen en bloeduitstortingen aan het gezicht en de schedel(basis), een hersenkneuzing, bloeduitstortingen onder de harde en zachte hersenvliezen met verdringing van de schedelinhoud en inklemming van hersenweefsel als gevolg.4 Het geheel aan letsels op het hoofd is veroorzaakt door tenminste vier uitwendig botsende geweldsinwerkingen op het hoofd, te weten op het rechteroog, rechts op het voorhoofd, rechts op het achterhoofd en onder de kin. De verwondingen kunnen worden verklaard door hevig uitwendig, stomp, botsend, mechanisch geweld rechts op het hoofd. De arts heeft geconcludeerd dat het aantreffen van het geheel aan letsel veel waarschijnlijker is onder een hypothese van herhaald heftig geweld met één of meerdere harde en zware voorwerpen dan onder een hypothese van één of meerdere doorgaans minder harde vuistslagen. Verder is het geheel aan letsels veel waarschijnlijker onder een hypothese van toegebracht letsel, dan onder een hypothese van vallen en/of zich stoten. Een val als onderdeel van de (tenminste vier) geweldsinwerkingen is echter niet uitgesloten.5

5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) betrokken waren bij het toebrengen van de verwondingen aan [slachtoffer] en zo ja, welk van de ten laste gelegde strafbare feiten dat oplevert.

Het standpunt van de officier van justitie

6. De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt vrijgesproken van (medeplegen) van moord/doodslag dan wel medeplichtigheid hieraan (feit 1 primair en subsidiair), aangezien (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

7. Wel kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade, terwijl dit heeft geleid tot het overlijden van zijn vader [slachtoffer].

8. Volgens de officier van justitie kan verder wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van 12.950 euro (feit 2) en het aanwezig hebben van 180,6 gram hasj (feit 3).

Het standpunt van de verdediging

9. De raadsman heeft, zoals weergegeven in zijn schriftelijk pleidooi, integrale vrijspraak bepleit van alle onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

10. Wel kan volgens de raadsman het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen worden.

11. De rechtbank zal bij de beoordeling van de tenlastelegging, waar dat is aangewezen, ingaan op de door de raadsman gevoerde verweren.

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1 (het overlijden van [slachtoffer])

Verklaringen verdachten

12. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] deels met elkaar overeenkomen en deels elkaar tegenspreken. Dit laatste betreft hoofdzakelijk de vraag wie het geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend en wie van hen daarbij aanwezig was of waren. [Verdachte] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [medeverdachte] in Eemnes éénmaal met een honkbalknuppel tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. [Medeverdachte] heeft verklaard dat [slachtoffer] nog geen letsel had toen hij in Eemnes van hem en [verdachte] afscheid nam en dat hij niet bij het toebrengen van het letsel aan [slachtoffer] aanwezig is geweest. Beiden hebben verklaard dat het niet de bedoeling was dat [slachtoffer] zwaar letsel zou oplopen of zou overlijden.

13. De rechtbank zal de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] uitsluitend voor het bewijs gebruiken voor zover deze in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Het plan

14. [ [Verdachte] en [slachtoffer] werkten samen in een transportbedrijf waarvan zij beide mede-eigenaar waren. [Medeverdachte] was bevriend met [verdachte] en [slachtoffer] en ook hij was werkzaam in de transportsector. Rond begin augustus 2015 hebben zij gezamenlijk een plan bedacht dat hen geld zou moeten opleveren. Zij hebben met een (onbekende) partij afgesproken dat zij een hoeveelheid drugs zouden vervoeren naar Noorwegen en de betaling voor die drugs weer terug zouden vervoeren naar Nederland. [Medeverdachte] heeft de contacten onderhouden met deze partij. Het bedrag dat de verkoop van die drugs zou opleveren, zouden zij echter (deels) zelf houden. Tegen de eigenaar van de drugs zouden zij zeggen dat het in Noorwegen opgehaalde geldbedrag – dat in werkelijk nooit was betaald en opgehaald – tijdens het transport gestolen zou zijn uit de vrachtauto. Zij zouden vertellen dat [slachtoffer] tijdens het transport was overvallen en geslagen door personen die tijdens een stop van de vrachtauto diesel wilden stelen. Zij wilden dit verhaal ‘bewijzen’ aan de hand van de via ‘track and trace’ vastgelegde route van de vrachtauto en stukken betreffende een bezoek aan het ziekenhuis. Het reisschema van de vrachtauto waarmee het gefingeerde geldtransport zou zijn gedaan, bracht ook mee dat niet eerder dan een tevoren besproken tijdstip naar het ziekenhuis kon worden gegaan. [Medeverdachte] zou ten tijde van de gefingeerde overval in Thailand verblijven, om de verdenking van zijn betrokkenheid daarbij te voorkomen. Zij hadden een persoon met de bijnaam Tomaat verzocht om tassen met geld van [slachtoffer] aan te nemen. Tomaat zou vervolgens verteld worden dat de tassen gestolen waren.6 De persoon die Tomaat wordt genoemd is [getuige 1].7

15. Uit telefoongegevens volgt dat [verdachte], [medeverdachte] en [slachtoffer] vanaf 14 augustus 2015 via sms-berichten contact met elkaar hadden over het plan.8 Op 14 augustus 2015 haalde [verdachte], in overleg met [medeverdachte], een telefoon op die bestemd was voor contact tussen [slachtoffer] en [getuige 1] en overhandigde deze aan [getuige 1].9

Sms-berichten

16. In de dagen voorafgaand aan 19 augustus 2015 zijn onder andere de navolgende sms-berichten verstuurd tussen [verdachte], [medeverdachte] en [slachtoffer].

[Verdachte] aan [slachtoffer]:

(…) Morgen midd. Boeken we weer een kamer en zetten we de puntjes op i. Maar praat met me pa aub dit moet 1000%”,

en

“1lijn pa, toevallig zei die lange hetzelfde denk goed na over plek waar het gebeurd.. Heel belangrijk moet uitkomen met die rit die we aan tonen welke het mee is gebeurd. Maar vanaf nu. Gisternacht ben je ritje gaan doen tegen ma, iedereen x”, 10

en

“als je vragen hebt of iets twijfelt schrijf op sms dit moet 100% zijn anders je weet t. (…)”

en

"Ok, en dan nog vanaf lste .. Afslag na haselune naar poeldijk erbij. Hoelaat. Word dat dan dat we zhuis moeten staan? Want die incheck zhuis is belangrijk."

[Slachtoffer] aan [verdachte]:

“3 uur”

[Verdachte] aan [slachtoffer]:

“Maar je rijd pas 00.00 uit Hamburg toch?”

en

“Nou ok pap je hebt t in je kop.. Half 10 ben je hier? Want we moeten wel een paar uur wachten met naar het ziekenhuis. X snapje".

[Slachtoffer] aan [verdachte]:

“Ja tussen half 12 en 12 dan 2.5 uur naar haselune dan 3 uur naar poeldik”

[Verdachte] aan [slachtoffer]:

"Tegen iedereen net doen of je ritje doet.. Ik boek een kamer a4 hotelkamer. Blijf je daar, je kan niet langs huis ik ben rond half 3 daar wacht ik op. A4 hotel."

en

“Dus half 6 ongv. Ziekenhuis? X”,

[Slachtoffer] aan [verdachte]:

“Ja klopt zie je straks”. 11

[Medeverdachte] aan [verdachte]:

”1400uur ben ik er. A4 beginnen we vanaf de vertrek tijd dat die hier is vertrokken we maken verhaal compleet dan is het alleen nog maar je aan dat verhaal houden verhaal kort houden gewoon zoals normaal en weten dat ik binnen 1 dag hier zo weer sta kijk wel even met mo beter als ik er bij ben en ouwe moet bang zijn dat is logisch hun denken een miljoen euro weg is".

en

"En we geven eerst tijd en adres aan waar tmt [de rechtbank interpreteert dit als: Tomaat] het komt halen en dan stuurt die later even uitrekenen hoe lang die er over doet maar dat is planning planning daarna stuurt die naar mij komen en snel maar moet dus wel later want hij heb daar een uur ko [de rechtbank interpreteert dit als: knock out] gelegen",

en

"We beginnen met vrijdag en schrijven alles uit tot tmt hem ziet. Maar hangt ook van track af of rit je weet wel voor mijn is het beste als die woensdag hier is terug zo gezegd maar het moet gewoon kloppen we gaan nu a tot z ben blik dat we nu met ze drieën zitten". 12

17. Uit camerabeelden blijkt dat [medeverdachte], [verdachte] en [slachtoffer] op 17 augustus 2015 enige uren samen in het Van der Valk hotel Schiphol A4 naast de Rijksweg A4 waren. Op de beelden is onder meer te zien dat [medeverdachte] schrijfblokken in zijn hand heeft en dat [verdachte] een A4 formaat papier en een schrijfmap in zijn hand houdt.13

Handgeschreven briefjes

18. In de Mercedes waarin [slachtoffer] door [verdachte] naar het ziekenhuis is gebracht en bij de fouillering van [verdachte], vond de politie een aantal handgeschreven briefjes met aantekeningen die betrekking hebben op het plan.14 Deze briefjes zijn geschreven door [verdachte] en [slachtoffer] in het bijzijn van [medeverdachte].15 Op die briefjes is onder meer informatie over de route die de vrachtauto zou rijden opgenomen. De briefjes hebben verder onder meer als inhoud:

“Geladen vrijdag Maasdijk gelost zondagavond 22:00 Bama Oslo (…) op dinsdagavond ging ik me 45 minuten maken op de eerste parkeerplaats in Haselune ik zat een boekje te lezen in bed. Toen hoorde ik wat naast de auto toen wilde ze mijn diesel stelen. Ik stapte uit en toen zag ik dat het er meer waren. Toen werd ik k.o. [de rechtbank interpreteert dit als: knock out] geslagen en toen ik weer bijkwam en in de auto kwam was die ook leeggehaald die tassen allemaal weg. En ook me koffer met kleren. Toen na een tijd ben ik als een gek naar Bodegraven Poeldijk gereden en mijn zoon [verdachte] gebeld of die me op wou komen halen en met mij naar het ziekenhuis te gaan

(…)

“Ziekenhuis/aangeven popo (doorgekrast) popo/ruzie

Waar gebeurd

Chauffeur/auto bloed/rep tankdop/tomtom”, 16

en

“Thuis aangetroffen in auto. Geen camera.

Geen getuige.

Geen vragen.

(…)

Auto -> jij geleend mee naar huis.

Trof hem op karpoort zo aan.

Camera

Basis:

Moest naar poeldijk komen (…) en daar vond ik hem ”, 17

en

“Contact: Tomaat/[voornaam]

Sitatie Bodegraven

1 van de 8 auto’s – kiezen als auto.

(…)

Waar gebeurd:?

Tankdop?

Liefst ma, terug la: Di (avonds thuis)

(telaat!) Wo ochtend Tomaat aanpakken

Ontmoetingsplek: Bodegraven

Aangifte portomoné: Paspoort/rijbewijs (moet wel om terug te krijgen)

4x zwarte sporttas

Tomaat sturen: Direct NL” 18

en

“Tomaat

Het zit helemaal fout (doorgekrast)

Kom nu hierheen (doorgekrast)

Vriend wil je aub naar dit adres kom

Kom aub. Ik heb je echt nodig”. 19

19. [ [Getuige 2], de dochter van [slachtoffer] en de zus van [verdachte], heeft op 20 november 2015 onder meer verklaard dat haar vader haar op de vrijdag voor het is gebeurd (14 augustus 2015) vertelde dat ze ergens mee bezig waren, dat [verdachte] hem daarvoor bewusteloos moest slaan en dat ze met die aangifte geld zouden krijgen. Hij zei dat [verdachte] hem in elkaar moest slaan en dat ze daarvoor geld zouden krijgen. Daar hadden ze een aangifte voor nodig. [Getuige 2] heeft verder verklaard dat zij op 18 augustus 2015 aan [verdachte] vertelde dat zij wist van het plan. Hij reageerde door te zeggen dat zij dat niet mocht weten. Hij werd agressief en zei “ga er maar van uit dat hij binnenkort in het ziekenhuis komt te liggen voor twee weken”..20

20. Deze verklaring wordt grotendeels ondersteund door de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte]. Daarnaast heeft [getuige 2] aan haar moeder, [getuige 3], verteld dat zij vóór die tijd van het plan wist en dat aan haar, [getuige 2], is gezegd dat [slachtoffer] klappen zou krijgen en even in het ziekenhuis zou komen te liggen.21 Verder blijkt uit de verklaring van [getuige 4] en een Whatsapp-bericht tussen haar en [getuige 2] dat [getuige 2] haar kort ná de opname van [slachtoffer] in het ziekenhuis al heeft verteld dat zij de dag voor het incident van [verdachte] had gehoord dat [slachtoffer] binnenkort in het ziekenhuis terecht zou komen.22. De verklaring van [getuige 2] vindt ten slotte steun in de handgeschreven briefjes die in de Mercedes zijn aangetroffen.

Conclusie van de rechtbank ten aanzien van (geweld in) het plan

21. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in het bijzonder de sms-berichten en de handgeschreven aantekeningen, leidt de rechtbank af dat het gezamenlijke plan van [verdachte], [medeverdachte] en [slachtoffer] inhield dat er geweld op [slachtoffer] zou worden toegepast om een gefingeerde overval op de vrachtauto die hij, [slachtoffer], (zogenaamd) bestuurde geloofwaardig te maken. Dat geweld moest zodanig aanzienlijk letsel opleveren dat het voor de eigenaar van de drugs, die een zeer groot geldbedrag kwijt was, geloofwaardig zou zijn dat [slachtoffer] was overvallen, dat hij daarbij enige tijd bewusteloos was geraakt, dat hij bloed had verloren en dat behandeling in het ziekenhuis noodzakelijk was. Uit de omstandigheid dat sprake moest zijn van (geloofwaardige) bewusteloosheid, leidt de rechtbank af dat er geweld moest worden uitgeoefend op het hoofd van [slachtoffer]. Dit sluit ook aan bij de verklaringen van de verdachten over het plan, zij spreken onder andere over een blauw oog of een bult op het hoofd ([verdachte]),23 een vuistslag op het oog ([verdachte]),24 een klap op het oog ([medeverdachte])25 en een stoot op het oog ([medeverdachte]).26

Verdere uitvoering van het plan

22. In de periode voor 19 augustus 2015 is de te vervoeren partij drugs in ontvangst genomen en vervoerd en/of verkocht.27

Waar en wanneer vond het geweld plaats?

23. Om te kunnen vaststellen wie bij het geweld tegen [slachtoffer] betrokken is geweest, is het van belang om vast te stellen wanneer en waar de geweldshandelingen hebben plaatsgevonden.

24. [ [Verdachte] heeft verklaard dat [slachtoffer] op 18 augustus 2015 ’s avonds in Den Haag arriveerde. Vervolgens zijn [verdachte], [medeverdachte] en [slachtoffer] vertrokken naar Eemnes. [Verdachte] reed in de Kia Picanto van zijn moeder en naast hem zat [medeverdachte]. [Slachtoffer] reed in zijn eigen zwarte Mercedes achter hen aan.28 Ook [medeverdachte] heeft verklaard dat zij op 18 augustus 2015 in de avond met zijn drieën naar Eemnes zijn gereden, waarbij [slachtoffer] in zijn eigen Mercedes reed en [verdachte] en hij samen in de Kia Picanto zaten.29 In Eemnes hebben zij de afrit naar het hotel De Witte Bergen (hierna: De Witte Bergen) genomen.

25. Deze twee verklaringen vinden steun in de technische gegevens van de camerabeelden van het politiebureau aan de Beresteinlaan te Den Haag30, ARS-locaties op de Wippolderlaan in de richting van de A431 en de historische verkeersgegevens van de telefoons die in gebruik waren bij [slachtoffer] en [verdachte].32 Daaruit is voorts gebleken dat deze rit – van de [straatnaam woning verdachte] te Den Haag tot de afrit Eemnes - 56 minuten en 51 seconden heeft geduurd.33

Eemnes

26. Op camerabeelden van De Witte Bergen is de entree van het hotel zichtbaar en een groot deel van de parkeerplaats voor de entree. Verder is een deel van de naastgelegen rijksweg A1 zichtbaar samen met de afrit naar De Witte Bergen komende vanuit de richting Utrecht/Amersfoort. Als deze afrit wordt genomen, kan boven aangekomen naar rechts gedraaid worden om over de brug richting De Witte Bergen of richting de oprit van de rijksweg A1 richting Utrecht/Amersfoort te rijden. Rechtdoor bestaat de keuze uit twee doodlopende wegen.34

27. [ [Verdachte] en [medeverdachte] hebben beiden verklaard dat zij na het nemen van de afrit Eemnes bovenaan de afrit rechtdoor zijn gereden. Zij hebben daar enkele minuten met zijn drieën aan de zijkant van de weg gestaan. Vervolgens zijn zij gezamenlijk weggereden, waarbij [medeverdachte] in de Kia Picanto over de brug naar De Witte Bergen is gereden en [verdachte] en [slachtoffer] samen in de Mercedes de rijksweg A1 op zijn gereden.35 [verdachte] heeft, anders dan [medeverdachte], verklaard dat tijdens dit stilstaan in Eemnes het geweld op [slachtoffer] is toegepast. Hij heeft verder verklaard dat hij daarna, terwijl zijn vader gewond op de achterbank zat, zonder te stoppen naar zijn huis aan de [straatnaam woning verdachte] te Den Haag is gereden en daar de Mercedes in zijn garagebox heeft geparkeerd.36

28. Hoewel dit deel van de verklaring van [verdachte] niet wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte], zal de rechtbank dit onderdeel van de verklaring wel voor het bewijs gebruiken omdat dit onderdeel in voldoende mate door andere (technische) bewijsmiddelen wordt ondersteund.

29. Op de camerabeelden van De Witte Bergen is te zien dat om 22.56.46 uur twee voertuigen direct achter elkaar de afrit oprijden. Deze voertuigen komen niet over de brug richting De Witte Bergen, zodat zij na het nemen van de afrit rechtdoor moeten zijn gereden. Om 23.00.45 uur komt een voertuig over de brug in de richting van De Witte Bergen rijden. Negen seconden daarna komt een ander voertuig, licht van kleur, eveneens over de brug rijden in de richting van De Witte Bergen. Een kleine minuut later komt een klein wit voertuig de parkeerplaats van De Witte Bergen oprijden. Negen minuten later komt een persoon het hotel inlopen die incheckt onder de naam [voorletter en achternaam medeverdachte]. De politie komt op basis hiervan tot de slotsom dat de twee voertuigen die om 23.00.45 uur en 23.00.54 uur over de brug rijden dezelfde voertuigen zijn die om 22.56.46 op de afrit reden. Dit betekent dat deze twee voertuigen zich gedurende 3 minuten en 59 seconden aan de andere zijde van de rijksweg hebben opgehouden. Dit betreft een doodlopende weg,37 een op dat tijdstip donkere plaats,38 waarvan in het dossier geen camerabeelden beschikbaar zijn.

Rit van Eemnes naar Den Haag en telefoongebruik

30. [ [Slachtoffer] maakte gebruik van de telefoons met de nummers eindigend op …3752 en …9108.39 De telefoon met het nummer …3752 is na 18 augustus 2015 te 20.55.26 uur niet meer gebruikt.40 Uit analyse van het nummer …9108 blijkt dat vanaf 23.04.22 uur de telefoon alleen nog wordt gebruikt door [verdachte]. Zo wordt in een sms-bericht aan [getuige 2] gevraagd naar het telefoonnummer van [getuige 5], destijds de vriendin van [verdachte], omdat hij zijn telefoon kwijt is. Even later, om 23.05.51 uur, sms’t hij naar [getuige 5] “Schat heb me tel net laten liggen heb dit nr even allrs goed”.41

31. Bij [verdachte] is een telefoon aangetroffen.42 Uit onderzoek is gebleken dat het bijbehorende telefoonnummer een nummer eindigend op …2671 was. In de telefoon stond onder meer als contact opgeslagen: ‘J’ met het telefoonnummer eindigend op …2543. Aannemelijk is dat [medeverdachte] de gebruiker is van dat nummer. Er zijn twee sms-berichten verzonden aan ‘J’. Eén op 18 augustus 2015 om 23.19.38 uur en één op 19 augustus 2015 om 02.54.01 uur. De tekst van de berichten luidt.: 1) “Broer?” en 2) “Heb privé tel op de stoel laten liggen broer. Alles ok hier, volgens plan. Aub tel ook ondes mat laat wel WETEN HOU VAN JE”. Omdat de batterij uit de telefoon is geweest kan niet worden vastgesteld welk bericht op welk tijdstip is verstuurd. Omdat uit de telefoongegevens blijkt dat op 19 augustus 2015 kort voor en na 02.54.01 uur met het nummer …2671 tevergeefs is gebeld naar het nummer …2543, is aannemelijk dat het bericht “Broer?” op dat tijdstip is verstuurd en dat het andere bericht op 18 augustus 2015 om 23.19.38 uur is verstuurd. Op 20 augustus 2015 te 1.45 uur wordt op deze telefoon een sms-bericht ontvangen van ‘J’ met de tekst: “Ben er hoe gaat het met Pa”.43

32. Naast de twee hiervoor genoemde telefoons is in de Mercedes ook een telefoon met een Imeinummer eindigend op …6037 aangetroffen. Uit historische verkeersgegevens van de drie telefoons volgt dat deze na 23.00 uur verplaatsen over de A1, A27 en A12 naar Den Haag.44 De Mercedes passeert tussen 23.55.20 en 23.58.29 uur ARS-locaties op de Wippolderlaan in de richting van de Erasmusweg en Melis Stokelaan te Den Haag.45 Op de camerabeelden van het politiebureau Beresteinlaan is zichtbaar dat op 19 augustus 2015 te 00.01.12 uur een personenauto de parkeerplaats van de flat achter de [straatnaam woning verdachte] oprijdt. Het voertuig rijdt om 00.02.06 uur de garagebox binnen.46

33. De politie heeft onderzocht of het mogelijk is dat [verdachte] en [slachtoffer] op de terugweg, van Eemnes naar Den Haag, gestopt zijn, waardoor het geweld op een andere locatie dan Eemnes zou kunnen hebben plaatsgevonden. In de eerste plaats heeft de politie de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers …9108 en …6037 gebruikt, die [verdachte] tijdens de terugrit naar Den Haag op 18 augustus 2015 bij zich had. Daarnaast is gebruik gemaakt van de ARS-locatiegegevens rondom Den Haag en de camerabeelden van De Witte Bergen en het politiebureau aan de Beresteinlaan te Den Haag. Uit de verkeersgegevens blijkt dat [verdachte] en [slachtoffer] kennelijk de juiste afslag op de A1 hebben gemist en zijn gekeerd bij Baarn.47 Zoals hiervoor al is vastgesteld gebruikt [verdachte] om 23:04.23 uur de telefoon van [slachtoffer] en stuurt hij een sms naar [getuige 2]. Daarbij wordt de zendmast aangestraald aan de Baarnsche Dijk in Baarn. De afstand tussen de oprit naar de snelweg A1 nabij De Witte Bergen en de zendmast Baarnsche Dijk in Baarn is door [verdachte] en [slachtoffer] afgelegd in ongeveer 3 minuten en 38 seconden. Na het keren wordt om 23:08.05 uur weer de zendmast Rijksweg 2 te Eemnes aangestraald door de telefoon van [slachtoffer]. De terugweg tussen de Baarnsche Dijk te Baarn en de zendmast Rijksweg 2 te Eemnes neemt derhalve 3 minuten en 42 seconden in beslag. De politie kan niet exact aangegeven waar op de snelweg de telefoon zich bevindt, zodat rekening wordt gehouden met een marge. Omdat om 23:08.49 uur een volgende zendmast wordt aangestraald door de telefoon van [slachtoffer], welke voorbij het verkeersplein A1/A27 ligt, kan de marge niet groter zijn dan 44 seconden. Indien de omweg buiten beschouwing wordt gelaten, is de maximale reistijd op de terugreis 53 minuten en 25 seconden en de minimale reistijd is 52 minuten en 36 seconden. Hieruit blijkt dat [verdachte] en [slachtoffer] op de terugweg 3 minuten en 26 seconden dan wel 4 minuten en 15 seconden sneller hebben gereden dan op de heenweg.48

34. Vervolgens heeft de politie dezelfde route, inclusief het omrijden, van Eemnes naar Den Haag gereden waarbij onderweg de maximaal toegestane snelheid is gereden en gebruik is gemaakt van plaats- en tijdsregistratie door middel van zendmasten langs de route om de verplaatsing zo nauwkeurig mogelijk vast te leggen. Deze gegevens zijn samen met de hiervoor genoemde gegevens – camerabeelden, historische verkeers- en ARS-locatiegegevens – van 18 op 19 augustus 2015 in een tabel gezet. Hieruit blijkt dat tussen enerzijds de politie en anderzijds de Mercedes met [verdachte] en [slachtoffer] geen significante verschillen zijn in de tussentijdse (tijds)metingen aan de hand van de verscheidene zendmasten. Over de hele rit van ongeveer één uur wijkt de tijd in totaal slechts 1 minuut en 31 seconden af.49

35. In de periode van 23.04.23 uur tot en met 23.54.50 uur vindt in totaal 65 keer sms-verkeer plaats met de drie hiervoor genoemde telefoons. Dit betreft 19 inkomende berichten en 46 uitgaande berichten, waarin ook wordt gereageerd op de inkomende berichten.

Contact tussen [verdachte] en [getuige 6]

36. [ [Verdachte] heeft verklaard dat hij na terugkeer aan de [straatnaam woning verdachte;] in Den Haag contact heeft opgenomen met een vriend van hem, [getuige 6] (hierna: [getuige 6]). Hij heeft [getuige 6] verzocht langs te komen en om drugs mee te nemen.50

37. De telefoon van [slachtoffer], met het nummer eindigend op …9108 (op dat moment in gebruik bij [verdachte]) straalt om 00.11.20 de zendmast aan de [straatnaam woning verdachte] aan. Er vindt sms-verkeer plaats naar [getuige 2], waarin wordt gevraagd om het telefoonnummer van [getuige 6].51 Vervolgens wordt met deze telefoon via sms contact gelegd met [getuige 6] en gevraagd of hij wil komen. [Getuige 6] geeft in dat sms-verkeer onder andere aan “Maar ik red dat niet of je zal na mij moete kome ga ik hale en dan na jou brenge” en [verdachte] reageert om 00.24.30 uur “Ja maar heb geen waggi [de rechtbank interpreteert dit als: auto] wel geld snapje”.52

38. [ [Getuige 6] heeft verklaard dat [verdachte] in de nacht van 18 op 19 augustus 2015 cocaïne wilde hebben en dat hij dat voor hem moest gaan halen. [Getuige 6] heeft zijn vriend [getuige 7] (hierna: [getuige 7]) gevraagd om hem te rijden. De eerste keer dat [getuige 6] bij de garagebox aan de [straatnaam woning verdachte] kwam, kreeg hij direct geld van [verdachte]. [Getuige 6] is met [getuige 7] naar Leiden gegaan om cocaïne te halen. De tweede keer dat [getuige 6] bij de garagebox arriveerde ging hij weer naar binnen en [getuige 7] bleef in de auto zitten. [Getuige 6] is daar bijna een uur binnen geweest. [Verdachte] en hij hebben cocaïne gesnoven en alcohol gedronken. Vlak voor hij weg wilde gaan liet [verdachte] zijn vader zien. Hij trok de deur open van de Mercedes en daar lag [slachtoffer] achter in de auto. Hij lag op zijn zij, op de bank zelf en was helemaal opgezwollen. Volgens [getuige 6] was [slachtoffer] helemaal kapot en zat hij helemaal onder het bloed. Hij maakte allemaal rare geluiden. Verder heeft [getuige 6] onder meer verklaard dat [verdachte] in de garagebox tegen hem heeft gezegd dat hij ongeveer een uur of anderhalf uur heeft gereden, dat [slachtoffer] toen geslagen is en dat hij terug is gereden.53

39. De verklaring van [getuige 6] wordt ondersteund door de camerabeelden van het politiebureau Beresteinlaan en de ARS-gegevens van de auto van [getuige 7]. Op de camerabeelden is te zien dat om 00.57.30 uur een auto in beeld komt op de parkeerplaats. Vervolgens is via de ARS-gegevens te zien dat [getuige 6] en [getuige 7] naar Leiden rijden en daarna rond 01.49.01 uur weer in de omgeving van de [straatnaam woning verachte] te Den Haag zijn. Om 01.53.48 uur komt een auto de parkeerplaats van de flat aan de [straatnaam woning verdachte] oprijden. De auto stopt bij de achterste garageboxen en een persoon, vanaf de passagierszijde, loopt om 01.54.00 uur in de richting van de garagebox. Deze auto vertrekt weer omstreeks 03.18.56 uur.54

40. De verklaring van [getuige 7] ondersteunt ook de verklaring van [getuige 6]. Hij heeft verklaard dat hij [getuige 6] naar [verdachte] heeft gebracht in de nacht van 18 op 19 augustus 2015. Dat duurde niet lang en toen [getuige 6] terugkwam vroeg hij hem naar Leiden te brengen. Daarna zijn ze weer teruggegaan naar [verdachte]. Toen zij terug waren heeft [getuige 7] iets van 40 minuten tot een uur in de auto zitten wachten. Op dat moment, die nacht, zag hij wel dat er iets was. [Getuige 6] was heel bleek toen hij de tweede keer terug kwam. De dag erna begon [getuige 6] beetje bij beetje te vertellen wat er was gebeurd.55

41. De verklaring van [getuige 6] over de rijtijd naar de plaats waar het geweld is toegepast, vindt steun in het op 20 augustus 2015 opgenomen telefoongesprek tussen [getuige 5] en [getuige 7], waarin zij spreken over wat zij van [getuige 6] hebben gehoord. Daarin wordt, in verband met het rijden naar het ziekenhuis, ook gesproken over anderhalf uur rijden.56 Weliswaar gaat het hier om informatie die uiteindelijk van [verdachte] afkomstig is, maar het betreft wel een gesprek met een vriend dat zeer kort na terugkomst uit Eemnes en vóór de aanhouding van [verdachte] heeft plaatsgevonden. Daarmee komt daaraan zelfstandige waarde toe ten opzichte van hetgeen [verdachte] – maanden later en na lezing van het dossier – aan de rechter-commissaris en de politie heeft verklaard. Ondanks dat [verdachte] bij deze uitspraken ook heeft verteld dat anderen [slachtoffer] hebben geslagen, ziet de rechtbank niet in waarom [verdachte] in dit stadium over de plaats van het geweld tegen zijn vriend onwaarheden zou vertellen. Anders dan bij de verklaring over wie heeft geslagen, valt niet te zien op welke wijze dit in zijn voordeel zou zijn.

Onderzoek Mercedes

42. Het in de Mercedes aangetroffen bloed is onderworpen aan een bloedpatroonanalyse om te onderzoeken of [slachtoffer] op de achterbank van zijn auto gewond geraakt kan zijn. De politie heeft geconcludeerd dat een uitspraak over de krachtinwerkingen in bloed niet meer met enige betrouwbaarheid kan worden gedaan.57

Onderzoek garagebox

43. De politie heeft in de garagebox aan de [straatnaam woning verdachte] te Den Haag een onderzoek ingesteld naar bloedsporen. Hierbij is een geen (latent) bloed aangetroffen.

44. Uit foto’s van de garagebox met daarin een met de Mercedes vergelijkbare auto blijkt dat, mede door in die box staande goederen, de ruimte rondom de auto zeer klein is.58

Conclusies van de rechtbank

45. Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank het volgende vast.

[slachtoffer] had in ieder geval tot aan het moment van de stop in Eemnes nog geen letsel, aangezien hij zelf zijn Mercedes daarheen heeft gereden. De duur en locatie van de stop te Eemnes bieden de mogelijkheid om ongezien een persoon letsel toe te brengen.

46. Op basis van de verklaring van [getuige 6], in combinatie met de camerabeelden van het politiebureau Beresteinlaan, kan verder worden vastgesteld dat [slachtoffer] gewond moet zijn geraakt vóór 01.53 uur, het moment dat [getuige 6] voor de tweede keer de garagebox betreedt. Uit het dossier blijkt immers niet dat [getuige 6] op enige wijze bij de geweldshandelingen tegen [slachtoffer] betrokken was en tijdens het tweede bezoek aan de garagebox wordt [getuige 6] geconfronteerd met de op dat moment al zwaar gewonde [slachtoffer] op de achterbank van de Mercedes.

47. De eventuele mogelijkheid dat [slachtoffer] het letsel tijdens de terugreis is toegebracht acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk gelet op de tijdsduur van de terugreis. Die is, het omrijden buiten beschouwing gelaten, sneller dan de heenreis en ook 1 minuut en 31 seconden sneller dan de politie heeft gereden zonder te stoppen. Daarbij komt dat [verdachte] via sms gesprekken voerde en ten behoeve daarvan een groot aantal berichten – 46 om precies te zijn – tijdens de terugrit heeft verstuurd. Dit ondersteunt de verklaring van [verdachte] dat hij zonder te stoppen van Eemnes naar Den Haag is gereden.

48. Daarnaast acht de rechtbank de inhoud van het sms-bericht van [verdachte] om 23.19.38 uur aan [medeverdachte] onder meer inhoudende “alles ok hier, volgens plan” ondersteunend voor de conclusie dat op dat moment [slachtoffer] het letsel al had opgelopen. Indien in Eemnes alleen afscheid zou zijn genomen, ligt het versturen van dit bericht ongeveer 20 minuten later immers niet voor de hand.

49. Dat [slachtoffer] tussen 00.01 uur, het tijdstip van aankomst in de garagebox te Den Haag en 01.53 uur, het tijdstip waarop [getuige 6] voor de tweede keer de garagebox betreedt, het letsel heeft opgelopen acht de rechtbank niet waarschijnlijk, nu het forensisch onderzoek in de garage noch in de Mercedes daarvoor enig aanknopingspunt biedt. Gelet op de beperkt beschikbare ruimte in de garagebox op het moment dat de Mercedes in de garage geparkeerd staat en de ruimte in de Mercedes zelf, is het bovendien niet goed voorstelbaar hoe [slachtoffer] op een van deze twee plaatsen het letsel zou kunnen zijn toegebracht.

50. De rechtbank is verder van oordeel dat het sms-bericht van [verdachte] aan [getuige 6] om 00.24.30 uur “Ja maar heb geen waggi wel geld snapje” ondersteunend is voor de conclusie dat [slachtoffer] op dat moment reeds gewond in de Mercedes lag. [Verdachte] had anders immers de Mercedes tot zijn beschikking om zelf naar [getuige 6] te rijden.

51. Tot slot acht de rechtbank het redengevend dat [slachtoffer] na 23.00 uur geen gebruik meer heeft gemaakt van een van zijn twee telefoons.

52. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat [slachtoffer] het letsel in Eemnes heeft opgelopen. Nu vaststaat dat [verdachte], [medeverdachte] en [slachtoffer] samen 3 minuten en 59 seconden langs de rijksweg A1 hebben gestaan en zij gezamenlijk zijn weggereden, zoals [verdachte] en [medeverdachte] hebben verklaard en overigens ook volgt uit de camerabeelden van De Witte Bergen, komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] en [medeverdachte] beiden aanwezig waren toen de geweldshandelingen tegen [slachtoffer] werden verricht.

Wie heeft het geweld toegepast?

53. De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid vaststellen of [verdachte] of [medeverdachte] of beiden de verwondingen aan [slachtoffer] hebben toegebracht. Voor de verklaring van [verdachte] dat [medeverdachte] het letsel heeft toegebracht, is geen (objectief) steunbewijs aanwezig. Voor de verklaring van [verdachte] dat het letsel met een honkbalknuppel is toegebracht is evenmin (objectief) steunbewijs voorhanden.

54. [ [Verdachte] en [medeverdachte] hebben gedurende het onderzoek verder meermalen uitdrukkelijk verklaard dat er geen derden bij het plan waren betrokken. Op de locatie in Eemnes waren evenmin anderen aanwezig. Het dossier bevat ook overigens, ondanks uitgebreid onderzoek, geen concrete aanwijzingen dat dit anders zou zijn.

Is sprake van moord dan wel doodslag?

55. De rechtbank kan niet vaststellen dat [verdachte] en [medeverdachte] de bedoeling (het opzet) hadden om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het geconstateerde letsel bij [slachtoffer] en de daarvoor nodige geweldshandelingen kunnen mogelijk wel de conclusie dragen dat een aanmerkelijke kans op de dood bestond. De rechtbank is echter van oordeel, zoals ook de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, dat er onvoldoende aanwijzingen in het dossier zijn om vast te stellen dat [verdachte] en [medeverdachte] zich bewust waren van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou overlijden en dat zij deze kans ook hebben aanvaard (voorwaardelijk opzet). De rechtbank zal hen dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde moord dan wel doodslag. Omdat evenmin is vast te stellen dat een ander, te weten [medeverdachte] of (een) onbekende derde(n) (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] heeft/hebben gehad, zal [verdachte] ook worden vrijgesproken van medeplichtigheid aan moord dan wel doodslag.

Is sprake van opzet op zware mishandeling?

56. De rechtbank merkt het aan [slachtoffer] toegebrachte letsel, zoals dat onder punt 4 is weergegeven, aan als zwaar lichamelijk letsel. Dit letsel is ontstaan door tenminste vier uitwendig botsende geweldsinwerkingen op het hoofd. Het aantreffen van het geheel aan letsel wordt veel waarschijnlijker geacht in een situatie waarin één of meerdere harde en zware voorwerpen zijn gebruikt dan in een situatie waarin (doorgaans minder harde) vuistslagen zijn gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is het uitoefenen van dergelijke hevige geweldshandelingen op het hoofd naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat daarmee sprake is van opzet op zware mishandeling.

57. Aangezien de rechtbank niet met voldoende zekerheid kan vaststellen of het [verdachte] of [medeverdachte] was die het geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend of dat zij dit beiden hebben gedaan, moet de vraag worden beantwoord of degene die wel betrokken was bij het maken en uitvoeren van het plan, maar niet zelf geweld heeft uitgeoefend, als medepleger verantwoordelijk is te houden voor het toegebrachte zwaar lichamelijk letsel.

Is sprake van medeplegen?

58. Om als medepleger strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen worden gesteld voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, moet sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Medeplegen dient te worden onderscheiden van medeplichtigheid (het bevorderen of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf). Bij het oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Aan het zich niet distantiëren op zichzelf komt geen grote betekenis toe. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór en zelfs na het strafbare feit is geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

59. Aan het op [slachtoffer] toegepaste geweld is het bedenken en uitvoeren van het hiervoor omschreven plan vooraf gegaan. De rechtbank stelt vast dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] een grote en belangrijke rol hebben gespeeld bij dit bedenken en uitvoeren van het plan. Zij hebben samen het plan bedacht, besproken hoe het moest worden uitgevoerd en dat vastgelegd in de handgeschreven aantekeningen en de onderling gewisselde sms-berichten. Zij hebben zich bezig gehouden met de uitvoering van andere onderdelen van het plan dan het geweld, zoals het onderhouden van contact met de eigenaar van de drugs (door [medeverdachte]), het onderhouden van contact met [getuige 1] (door [verdachte] en [medeverdachte]), het contact over de route die de vrachtauto zou rijden (door [verdachte]) en het formuleren van het - daarop aansluitende - verhaal dat [getuige 1], aan de eigenaar van de drugs en aan anderen zou moeten worden verteld ([medeverdachte] en [verdachte]). Zij zijn op de avond van 18 augustus 2015 vanaf ongeveer 21.00 uur beiden in het gezelschap geweest van [slachtoffer] en met hem naar Eemnes gereden. Daar is vervolgens in aanwezigheid van hen beiden het geweld op hem uitgeoefend.

60. Gezien de hiervoor omschreven rolverdeling bij het bedenken en uitvoeren van het plan, was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte]. Deze nauwe en bewuste samenwerking was ook gericht op het aan [slachtoffer] toebrengen van aanzienlijk letsel aan het hoofd, om de overval geloofwaardig te laten lijken. Van het plan maakte ook deel uit dat [slachtoffer] zich beschikbaar stelde voor het hiervoor op hem uit te oefenen geweld op het hoofd. Voor zover maar één van de betrokkenen het geweld heeft toegepast, geldt dat de ander dit aan hem heeft overgelaten, waarbij hij de controle over het precieze geweld dat zou worden gebruikt uit handen heeft gegeven.

61. Het voorgaande brengt mee dat in de nauwe en bewuste samenwerking bij de voorbereiding en uitvoering van het plan – waarvan geweld op het hoofd van [slachtoffer] deel uitmaakte – de voor het medeplegen van het daadwerkelijk uitgeoefende geweld vereiste samenwerking besloten lag. Die samenwerking is dan ook al ontstaan in de voorbereiding en gedeeltelijke uitvoering van het plan en dus voorafgaand aan het daadwerkelijk uitgeoefende geweld, ook als het geweld dat uiteindelijk is gebruikt heviger was dan tevoren gedacht. Dat [slachtoffer] door het geweld tegen zijn hoofd zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, is een zo waarschijnlijke mogelijkheid dat ook de deelnemer aan het plan die niet zelf geweld heeft uitgeoefend, voor het uiteindelijk toegebrachte letsel verantwoordelijk kan worden gehouden.

62. Dat wordt nog ondersteund door de omstandigheid dat [verdachte] en [medeverdachte] ook na het toepassen van het geweld verder gingen met de uitvoering van het plan. [Verdachte] heeft immers daarna nog aan [medeverdachte] een bericht met daarin onder meer de tekst “alles volgens plan” gestuurd en is conform het plan niet direct maar pas uren later in Den Haag met [slachtoffer] naar het ziekenhuis gegaan. [Medeverdachte] heeft conform het plan overnacht in De Witte Bergen te Eemnes en is de volgende dag naar Bangkok vertrokken. Het eerste sms-bericht dat door [verdachte] van [medeverdachte], na diens aankomst, wordt ontvangen luidt: “ben er hoe is het met pa”, waaruit blijkt dat in zijn beleving het plan kennelijk nog steeds in uitvoering was.

Is sprake van voorbedachten rade?

63. De rechtbank kan niet vaststellen dat het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel daadwerkelijk een onderdeel van het oorspronkelijk plan vormde noch wanneer dat – gezien het letsel van [slachtoffer] – kennelijk is veranderd. Uit het plan kan hoogstens worden opgemaakt dat het letsel aanzienlijk genoeg moest zijn om geloofwaardig over te komen, maar ook weer niet zo ernstig mocht zijn dat niet geloofwaardig zou zijn dat [slachtoffer] daarna nog zelf naar Nederland was gereden. Ook overigens is niet vast te stellen of [verdachte] en [medeverdachte] de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van het feit na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal hen dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde voorbedachten rade.

Instemming van [slachtoffer]

64. Aangezien uit het plan voortvloeit dat [slachtoffer] ermee instemde dat geweld op hem werd uitgeoefend, kan de vraag worden gesteld of dit eraan in de weg staat dat dit geweld kan worden gekwalificeerd als zware mishandeling in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht. Nog daargelaten of de instemming van [slachtoffer] ook zulk hevig geweld als daadwerkelijk is toegepast omvatte, maakt juist die hevigheid van het geweld dat eventuele instemming daarmee, als zodanig in strijd met maatschappelijke normen, naar het oordeel van de rechtbank niet aan de bewezenverklaring, kwalificatie en strafbaarheid van zware mishandeling in de weg kan staan.

De dood tot gevolg hebbend

65. Voor bewezenverklaring van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid dat de zware mishandeling de dood tot gevolg heeft gehad, is (anders dan bij doodslag) niet vereist dat [verdachte] en [medeverdachte] de bedoeling (het opzet) hadden dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Voldoende is dat het overlijden het gevolg is van de zware mishandeling (causaal verband). De rechtbank stelt op grond van het onder de punten 3 en 4 besproken sectierapport vast dat dit het geval is.

Feit 2 (witwassen)

66. In de onder punt 18 genoemde Mercedes heeft de politie in een sporttas op de grond bij de bijrijdersstoel een geldbedrag van in totaal 10.950 euro, bestaande uit biljetten van 50 euro en 200 euro, aangetroffen. Daarnaast is in een onderhoudsboekje in het dashboardkastje een geldbedrag van 2.000 euro aangetroffen, bestaande uit biljetten van 200 euro.

67. [ [Verdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de 10.950 euro over een periode van enkele maanden heeft gepind van zijn privérekening. Dat geld was bedoeld voor het betalen van salarissen. Ter terechtzitting heeft hij aanvullend verklaard dat een deel van het geldbedrag zakelijk gezien aan zijn vader toebehoorde en een deel afkomstig was van contante pinopnames van de privérekening van [verdachte]. De biljetten uit de automaat wisselde hij op het bankkantoor in voor biljetten van 200 euro. [Verdachte] en zijn vader hadden altijd contant geld bij zich, omdat lonen en voorschotten soms contant werden uitbetaald en met dat geld ook boetes van chauffeurs werden betaald. Dat is in de transportwereld heel gebruikelijk, aldus [verdachte]. Als hij zakelijk iets betaalde dan pinde hij dat geld later weer van de zakelijke rekening van het bedrijf.

68. Uit de ter zitting door de verdediging overgelegde bankafschriften valt af te leiden dat verdachte in de periode van januari 2015 tot en met juli 2015 een totaalbedrag van 10.550 euro contant heeft opgenomen van zijn privérekening. Deze bankafschriften zijn eerder aan de officier van justitie verstrekt met het verzoek die aan het strafdossier toe te voegen.

69. De rechtbank stelt vast dat het aangetroffen contante geldbedrag van 12.950 euro in de Mercedes op zich een vermoeden van witwassen rechtvaardigt. [Verdachte] heeft een concrete en min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven ten aanzien van een alternatieve legale herkomst van het geldbedrag. Nu daarnaar geen nader onderzoek is gedaan, kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft en daarom een strafbaar feit als enig aanvaardbare herkomst moeten hebben.

70. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Feit 3 (bezit hasj)

71. Op 19 augustus 2015 heeft de politie tijdens een doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [straatnaam en huisnummer woning verdachte] te Den Haag twee pakketjes met, vermoedelijk, hasj aangetroffen in een keukenlade.59 Nader onderzoek naar de inhoud van die pakketjes heeft uitgewezen dat sprake was van hasjiesj als vermeld op lijst II van de Opiumwet, met een totaalgewicht van 180,6 gram.60

72. [ [Verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat de hasj was hem was.61

73. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde feit, te weten het voorhanden hebben van 180,6 gram hasjiesj.

De bewezenverklaring

74. De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1, tweede subsidiair:

op 18 augustus 2015 te Eemnes, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aan [slachtoffer], zijnde de vader van verdachte, zwaar lichamelijk letsel, te weten schedelhersenletsel, onder meer bestaande uit schedel(basis)fracturen en subdurale hersenbloedingen en een hersenkneuzing heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met dat opzet meermalen tegen/op het hoofd te slaan, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

ten aanzien van feit 3:

op 19 augustus 2015 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 180,6 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

75. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten

76. Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 tweede subsidiair:

medeplegen van zware mishandeling begaan tegen zijn vader, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van verdachte

77. De raadsman heeft ter terechtzitting (subsidiair) betoogd dat [verdachte] het onder 1, tweede subsidiair bewezenverklaarde feit heeft gepleegd in een toestand van psychische overmacht, aangezien hij onder druk stond, aan welke druk hij geen weerstand kon bieden. Die druk kwam van schuldeisers van een aanzienlijke drugsschuld van [slachtoffer], waardoor de familie [achternaam verdachte] werd bedreigd. Daarnaast stond [verdachte], kort gezegd, onder druk van zowel [slachtoffer], zijn vader en beste vriend, als [medeverdachte], iemand tegen wie hij opkeek en voor wie hij tegelijkertijd bang was. Verder was er de druk van de partij die door het plan benadeeld zou worden.

78. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen.

79. De rechtbank overweegt als volgt. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Met andere woorden: de wilsvrijheid van een verdachte moet zodanig zijn aangetast dat hij niet anders kon. Als hiervan sprake is, dient het daarop volgende gedrag in redelijke verhouding te staan tot het beoogde doel, oftewel de gedraging moet proportioneel en subsidiair zijn. Onder omstandigheden kan het feit dat een verdachte zichzelf heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend, in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

80. Daargelaten of daadwerkelijk sprake is geweest van de druk zoals de verdediging die heeft omschreven - het dossier bevat daarvoor buiten de verklaring van [verdachte] weinig aanknopingspunten en ook contra-indicaties - is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] geen beroep op psychische overmacht toekomt. De gestelde druk is namelijk niet van een zodanige aard dat deze ook rechtvaardigt dat [slachtoffer] ernstig letsel moest worden toegebracht. Niet gezegd kan worden dat [verdachte] in de situatie die was ontstaan niet anders had kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Daar komt bij dat [verdachte] door het bedenken van en deelnemen aan het plan zichzelf in de situatie heeft gebracht waarin druk ontstond op het uitvoeren van dit plan in de vorm van het toebrengen van letsel aan [slachtoffer].

81. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] strafbaar is, omdat ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

82. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 11 jaar. Hij komt tot een hogere eis dan in de strafzaak van [medeverdachte] (8 jaar), omdat [slachtoffer] de vader is van verdachte, wat een strafverzwarende omstandigheid oplevert, en verdachte uren heeft gewacht voordat hij zijn vader naar het ziekenhuis heeft gebracht. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen, aldus de officier van justitie, en het voorhanden hebben van een hoeveelheid hasj.

Het standpunt van de verdediging

83. De raadsman heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie buitensporig is, aangezien hij geen rekening is gehouden met de bijzondere omstandigheden van deze zaak.

84. De rechtbank zal hierna, waar dat is aangewezen, ingaan op de standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

Het oordeel van de rechtbank

85. Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

86. Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer], die als gevolg daarvan op 57-jarige leeftijd is overleden. De bij [slachtoffer] geconstateerde letsels duiden erop dat op hem zeer ernstig en hevig geweld is toegepast. Door zo te handelen hebben verdachte en zijn mededader [slachtoffer] het recht op leven ontnomen en diens nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan.

87. Dit betreft een zeer ernstig feit dat verdachte ook zwaar wordt aangerekend. Dat betekent dat uit het oogpunt van vergelding en normbevestiging geen andere straf in aanmerking komt dan één die vrijheidsbeneming van aanmerkelijke duur met zich brengt.

88. De rechtbank zal daarbij de door de officier van justitie gevorderde straf niet zonder meer tot uitgangspunt nemen, nu de rechtbank niet bewezen zal verklaren dat de zware mishandeling, de dood tot gevolg hebbend, met voorbedachten rade is gepleegd. Ook ten aanzien van het witwassen komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring.

89. Verdachte en zijn mededader wijzen, direct of indirect, naar elkaar voor het antwoord op de vraag wie van hen het letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht. Wat zich precies heeft afgespeeld in Eemnes blijft daardoor onduidelijk, wat stellig zal bijdragen aan de gevoelens van onmacht bij de (overige) familie- en vriendenkring, die aldus in onzekerheid moeten blijven verkeren over de vraag onder welke omstandigheden aan [slachtoffer] dit zware letsel is toegebracht. De zware mishandeling, met fatale afloop, is het resultaat van een bizar en risicovol plan, bij het maken waarvan ook [slachtoffer], de vader van verdachte, was betrokken. Verdachte en zijn mededader waren bij de voorbereiding van het feit beiden gelijkelijk betrokken. Ook ná het moment waarop het letsel aan [slachtoffer] was toegebracht, hebben zij beiden gehandeld ter uitvoering van dit eerder bedachte plan.

90. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in de gelegenheid was om [slachtoffer] na de geweldshandelingen op een veel eerder moment naar het ziekenhuis te brengen. Daarvoor heeft hij niet gekozen, waardoor [slachtoffer] urenlang zwaargewond op de achterbank van een auto heeft gelegen. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, acht de rechtbank deze omstandigheid niet méér strafverzwarend voor verdachte dan voor de mededader. Voor de mededader geldt immers dat hij de nacht in een hotel heeft doorgebracht en naar Bangkok is vertrokken. Hij heeft zich zodoende volledig aan de verantwoordelijkheid voor het letsel van [slachtoffer] onttrokken. Geen van beiden heeft zich dus – ieder op zijn eigen manier – om het lot van [slachtoffer] bekommerd. De rechtbank ziet aanleiding om dit voor verdachte en zijn mededader in gelijke mate als strafverzwarend mee te wegen.

91. Anders dan de officier heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het slachtoffer zijn vader is in deze zaak niet maakt dat verdachte om die reden zwaarder gestraft zou moeten worden. Uit het dossier, maar ook uit de eerder genoemde Pro Justitia-rapportage, komt naar voren dat de relatie tussen verdachte en zijn vader hecht was. De rechtbank houdt verdachte medeverantwoordelijk en strafrechtelijk aansprakelijk voor de dood van [slachtoffer], maar weegt evenzeer mee dat ook [slachtoffer] bij het plan was betrokken. Dat [slachtoffer], als gevolg van het eerder genoemde plan, is komen te overlijden, heeft zonder twijfel ook verdachte getroffen.

92. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte] d.d. 10 januari 2017 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage d.d. 12 mei 2016 van psycholoog dr. R.R. Bullens.

93. De rechtbank ziet in de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om daarmee – in welke zin dan ook – bij de strafoplegging rekening te houden.

94. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaren passend en geboden is.

Mede gelet op de relatief geringe aard en ernst van het ook bewezenverklaarde voorhanden hebben van hasj, acht de rechtbank de straf daarvoor in deze strafoplegging meegenomen.

De inbeslaggenomen goederen

Inleiding

95. De op de beslaglijst onder 1 t/m 29 genummerde voorwerpen, als vermeld in bijlage B, zijn onder verdachte in beslag genomen.

Het standpunt van de officier van justitie

96. De officier van justitie heeft gevorderd dat:

  • -

    de onder 5, 6, 7, 13 en 18 t/m 21 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard;

  • -

    de onder 1 en 12 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan Mercedes Benz Financial Lease te Utrecht;

  • -

    de onder 2, 8, 9, 10, 23 t/m 29 genummerde voorwerpen zullen worden teruggeven aan de erfgenamen van [slachtoffer];

  • -

    het onder 3 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de gemeente Hilversum;

  • -

    de onder 11, 14 t/m 17 en 22 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan verdachte.

97. Ten aanzien van de onder 4 genummerde voorwerpen (drie mobiele telefoons) heeft de officier van justitie gevorderd dat deze aan verdachte worden teruggeven indien deze enkel privé zijn gebruikt. Indien met de telefoons contact is gelegd in verband met deze zaak dienen ze te worden verbeurd verklaard.

Het standpunt van de verdediging

98. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.

Het oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

99. De rechtbank zal de onder 13 (een simkaart) en 20 (een mobiele telefoon) genummerde voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien deze aan verdachte toebehoren en met behulp waarvan het onder feit 1 tweede subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan respectievelijk is voorbereid.

Bewaring

100. Op basis van de processtukken valt onvoldoende vast te stellen wie de erfgena(a)m(en) van [slachtoffer] is/zijn. De rechtbank zal daarom de bewaring van de onder 2, 8, 9, 10, 23 t/m 29 genummerde voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Teruggave

101. Aangezien het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave gelasten van:

  • -

    de onder 1 en 12 genummerde voorwerpen aan Mercedes Benz Financial Lease te Utrecht;

  • -

    het onder 3 genummerde voorwerp aan de gemeente Hilversum;

  • -

    de onder 11, 14 t/m 17 en 22 genummerde voorwerpen aan verdachte.

102. Blijkens AMB.097, blz. 49-650, betreffen de onder 4 genummerde mobiele telefoons:

  • -

    een BlackBerry Curve met imei-nummer [imei-nummer 1];

  • -

    een Apple iPhone met imei-nummer [imei-nummer 2] en;

  • -

    een Apple iPhone met imei-nummer [imei-nummer 3].

103. Uit het dossier volgt niet dat voornoemde telefoons (direct) verband houden met het plegen van het onder 1, tweede subsidiair bewezenverklaarde feit. Gelet hierop zal de rechtbank de teruggave van de telefoons gelasten aan verdachte. Hetzelfde geldt voor de onder 18 t/m 21 genummerde mobiele telefoons.

104. Aangezien niet is vast komen te staan dat de inbeslaggenomen geldbedragen verband houden met enig bewezenverklaard strafbaar feit zal de rechtbank eveneens de teruggave aan verdachte gelasten van de onder 5, 6 en 7 genummerde voorwerpen.

De toepasselijke wetsartikelen

105. De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 47, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

106. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, primair en eerste subsidiair, ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, tweede subsidiair, en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, tweede subsidiair:

medeplegen van zware mishandeling begaan tegen zijn vader, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (ZEVEN) JAAR;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Beslag

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 13 en 20 genummerde voorwerpen, als vermeld in bijlage B;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 2, 8, 9, 10 en 23 t/m 20 genummerde voorwerpen, als vermeld in bijlage B;

gelast de teruggave aan de op de beslaglijst onder 1 en 12 genummerde voorwerpen, als vermeld in bijlage B, aan de rechthebbende Mercedes Benz Financial te Utrecht;

gelast de teruggave van het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp, als vermeld in bijlage B, aan de rechthebbende gemeente Hilversum;

gelast de teruggave van de op de beslaglijst onder 4, 11 en 14 t/m 22 genummerde voorwerpen, als vermeld in bijlage B, aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Rootring, voorzitter,

mr. M.J.J. Visser, rechter,

mr. N.F.H. van Eijk, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. Mentrop-Huliselan, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 januari 2017.

Bijlage A: De tenlastelegging

feit 1

(medeplegen moord/doodslag)

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2015 tot en met 11 september 2015

te Eemnes en/of ’s-Gravenhage en/of een plaats langs (een) Rijksweg (A4), in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met dat opzet en al dan niet met voorbedachten rade meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een honkbalknuppel en/of een hard en/of stomp voorwerp en/of (een) (gebalde) vuist(en) en/of (een) (geschoeide) voet(en) tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen, in elk geval door (krachtig) geweld tegen het hoofd van die [slachtoffer] uit te oefenen;

(art. 289/287/47 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, indien het voorstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

(medeplichtigheid bij moord/doodslag)

[medeverdachte] en/of één of meer onbekend gebleven personen,

in of omstreeks de periode van 18 augustus 2015 tot en met 11 september 2015

te Eemnes en/of ’s-Gravenhage en/of een plaats langs (een) Rijksweg (A4), in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, door met dat opzet en al dan niet met voorbedachte rade, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een honkbalknuppel en/of een hard en/of stomp voorwerp en/of (een) (gebalde) vuist(en) en/of (een) (geschoeide) voet(en) tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen, in elk geval door (krachtig) geweld tegen het hoofd van die [slachtoffer] uit te oefenen,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging, althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015 te Eemnes en/of ’s-Gravenhage en/of een plaats langs (een) Rijksweg (A4), in elk geval in Nederland,

opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest, door (telkens)

- het voorstel te doen om [slachtoffer] op het hoofd te slaan (om een geënsceneerde ripdeal echt te laten lijken) en/of

- een bijdrage te leveren aan (de uitwerking van) een plan/scenario (voor die ripdeal) (waar het slaan op het hoofd van [slachtoffer]/vorenbeschreven geweldstoepassing onderdeel van uitmaakt) en/of

- ( in dat kader) tekstberichten per telefoon te versturen aan die [medeverdachte] en/of die [slachtoffer]/het slachtoffer over het tijdschema van dat plan/scenario en/of de aard en/of geloofwaardigheid van het toe te passen geweld op [slachtoffer]/het slachtoffer en/of

- ( in het kader van de verdere uitwerking van dat plan/scenario) (meermalen) samen te komen met medeverdachte [medeverdachte] en/of [slachtoffer]/het slachtoffer (onder meer op 17 augustus 2015 in het brugrestaurant over de Rijksweg A4) en/of

- ( daartoe) aantekeningen te maken over de uitwerking van dat plan/scenario, althans daaraan een inhoudelijke bijdrage te leveren en/of

- in ’s-Gravenhage samen te komen met medeverdachte [medeverdachte] en/of [slachtoffer]/het slachtoffer en/of

- met die [medeverdachte] en/of [slachtoffer]/het slachtoffer naar Eemnes/de plek waar het geweld op [slachtoffer] is toegepast te rijden en/of

- ( een) mobiele telefoon(s), te weten Nokia’s en/of Blackberry’s met PGP, te regelen en/of beschikbaar te houden, ten behoeve van overleg over het plan/scenario en/of de geweldsuitoefening op het hoofd van [slachtoffer] en/of

- aanwezig te zijn bij de geweldsuitoefening ter ondersteuning en/of aldus bij te dragen aan een getalsmatig overwicht en/of

- toe te laten dat [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen het hierboven omschreven geweld heeft/hebben uitgeoefend op [slachtoffer] en/of

- na te laten om (door daad en/of woord) in te grijpen toen [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen het hierboven omschreven geweld heeft/hebben uitgeoefend op [slachtoffer] en/of

- op geen enkele wijze hulp te zoeken en/of hulp in te roepen om te voorkomen dat [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen het hierboven omschreven geweld op [slachtoffer] zou/zouden toepassen, althans om ervoor te zorgen dat het geweld zou stoppen;

(art. 289/287/48 Wetboek van Strafrecht)

Tweede subsidiair, indien het voorstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

(medeplegen toebrengen zwaar lichamelijk letsel met voorbedachten rade, met de dood ten gevolge)

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2015 tot en met 11 september 2015

te Eemnes en/of ’s-Gravenhage en/of een plaats langs (een) Rijksweg (A4), in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade,

aan [slachtoffer], zijnde de vader van verdachte, zwaar lichamelijk letsel, te weten schedelhersenletsel (onder meer bestaande uit (een) schedel(basis)fractu(u)r(en) en/of (een) (subdurale) (hersen)bloeding(en) en/of (een) hersenkneuzing(en)/zwelling(en)) heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met dat opzet en al dan niet met voorbedachten rade meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een honkbalknuppel en/of een hard en/of stomp voorwerp en/of (een) (gebalde) vuist(en) en/of (een) (geschoeide) voet(en) tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen, in elk geval door (krachtig) geweld tegen het hoofd (van die [slachtoffer]) uit te oefenen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

(art. 303, lid 2 / 47 Wetboek van Strafrecht)

Derde subsidiair, indien het voorstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

(medeplichtigheid toebrengen zwaar lichamelijk letsel met voorbedachten rade, met de dood ten gevolge)

[medeverdachte] en/of één of meer onbekend gebleven personen,

in of omstreeks de periode van 18 augustus 2015 tot en met 11 september 2015

te Eemnes en/of ’s-Gravenhage en/of een plaats langs (een) Rijksweg (A4), in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade,

aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten schedelhersenletsel (onder meer bestaande uit (een) schedel(basis)fractu(u)r(en) en/of (een) (subdurale) (hersen)bloeding(en) en/of (een) hersenkneuzing(en)/zwelling(en)) heeft/hebben toegebracht, door die [slachtoffer] met dat opzet en al dan niet met voorbedachten rade meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een honkbalknuppel en/of een hard en/of stomp voorwerp en/of (een) (gebalde) vuist(en) en/of (een) (geschoeide) voet(en) tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen, in elk geval door (krachtig) geweld tegen het hoofd (van die [slachtoffer]) uit te oefenen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging, althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015 te Eemnes en/of ’s-Gravenhage en/of een plaats langs (een) Rijksweg (A4), in elk geval in Nederland,

opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest, door (telkens)

- het voorstel te doen om [slachtoffer] op het hoofd te slaan (om een geënsceneerde ripdeal echt te laten lijken) en/of

- een bijdrage te leveren aan (de uitwerking van) een plan/scenario (voor die ripdeal) (waar het slaan op het hoofd van [slachtoffer]/vorenbeschreven geweldstoepassing onderdeel van uitmaakt) en/of

- ( in dat kader) tekstberichten per telefoon te versturen aan die [medeverdachte] en/of die [slachtoffer]/het slachtoffer over het tijdschema van dat plan/scenario en/of de aard en/of geloofwaardigheid van het toe te passen geweld op [slachtoffer]/het slachtoffer en/of

- ( in het kader van de verdere uitwerking van dat plan/scenario) (meermalen) samen te komen met medeverdachte [medeverdachte] en/of [slachtoffer]/het slachtoffer (onder meer op 17 augustus 2015 in het brugrestaurant over de Rijksweg A4) en/of

- ( daartoe) aantekeningen te maken over de uitwerking van dat plan/scenario, althans daaraan een inhoudelijke bijdrage te leveren en/of

- in ’s-Gravenhage samen te komen met medeverdachte [medeverdachte] en/of [slachtoffer]/het slachtoffer en/of

- met die [medeverdachte] en/of [slachtoffer]/het slachtoffer naar Eemnes/de plek waar het geweld op [slachtoffer] is toegepast te rijden en/of

- ( een) mobiele telefoon(s), te weten Nokia’s en/of Blackberry’s met PGP, te regelen en/of beschikbaar te houden, ten behoeve van overleg over het plan/scenario en/of de geweldsuitoefening op het hoofd van [slachtoffer] en/of

- aanwezig te zijn bij de geweldsuitoefening ter ondersteuning en/of aldus bij te dragen aan een getalsmatig overwicht en/of

- toe te laten dat [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen het hierboven omschreven geweld heeft/hebben uitgeoefend op [slachtoffer] en/of

- na te laten om (door daad en/of woord) in te grijpen toen [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen het hierboven omschreven geweld heeft/hebben uitgeoefend op [slachtoffer] en/of

- op geen enkele wijze hulp te zoeken en/of hulp in te roepen om te voorkomen dat [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen het hierboven omschreven geweld op [slachtoffer] zou/zouden toepassen, althans om ervoor te zorgen dat het geweld zou stoppen;

(artt. 303, lid 2 / 48 Wetboek van Strafrecht)

Vierde subsidiair, indien het voorstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

(medeplegen mishandeling met voorbedachten rade, met de dood ten gevolge)

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2015 tot en met 11 september 2015

te Eemnes en/of ’s-Gravenhage en/of een plaats langs (een) Rijksweg (A4), in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer], zijnde de vader van verdachte, heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met dat opzet en al dan niet met voorbedachten rade meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een honkbalknuppel en/of een hard en/of stomp voorwerp en/of (een) (gebalde) vuist(en) en/of (een) (geschoeide) voet(en) tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen, in elk geval door (krachtig) geweld tegen het hoofd (van die [slachtoffer]) uit te oefenen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

(art. 301, lid 3 Wetboek van Strafrecht)

Vijfde subsidiair, indien het voorstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

(medeplichtigheid mishandeling met voorbedachten rade, met de dood ten gevolge)

[medeverdachte] en/of één of meer onbekend gebleven personen,

in of omstreeks de periode van 18 augustus 2015 tot en met 11 september 2015

te Eemnes en/of ’s-Gravenhage en/of een plaats langs (een) Rijksweg (A4), in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer] heeft/hebben mishandeld, door die [slachtoffer] met dat opzet en al dan niet met voorbedachten rade meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een honkbalknuppel en/of een hard en/of stomp voorwerp en/of (een) (gebalde) vuist(en) en/of (een) (geschoeide) voet(en) tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen, in elk geval door (krachtig) geweld tegen het hoofd (van die [slachtoffer]) uit te oefenen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging, althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015 te Eemnes en/of ’s-Gravenhage en/of een plaats langs (een) Rijksweg (A4), in elk geval in Nederland,

opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest, door (telkens)

- het voorstel te doen om [slachtoffer] op het hoofd te slaan (om een geënsceneerde ripdeal echt te laten lijken) en/of

- een bijdrage te leveren aan (de uitwerking van) een plan/scenario (voor die ripdeal) (waar het slaan op het hoofd van [slachtoffer]/vorenbeschreven geweldstoepassing onderdeel van uitmaakt) en/of

- ( in dat kader) tekstberichten per telefoon te versturen aan die [medeverdachte] en/of die [slachtoffer]/het slachtoffer over het tijdschema van dat plan/scenario en/of de aard en/of geloofwaardigheid van het toe te passen geweld op [slachtoffer]/het slachtoffer en/of

- ( in het kader van de verdere uitwerking van dat plan/scenario) (meermalen) samen te komen met medeverdachte [medeverdachte] en/of [slachtoffer]/het slachtoffer (onder meer op 17 augustus 2015 in het brugrestaurant over de Rijksweg A4) en/of

- ( daartoe) aantekeningen te maken over de uitwerking van dat plan/scenario, althans daaraan een inhoudelijke bijdrage te leveren en/of

- in ’s-Gravenhage samen te komen met medeverdachte [medeverdachte] en/of [slachtoffer]/het slachtoffer en/of

- met die [medeverdachte] en/of [slachtoffer]/het slachtoffer naar Eemnes/de plek waar het geweld op [slachtoffer] is toegepast te rijden en/of

- ( een) mobiele telefoon(s), te weten Nokia’s en/of Blackberry’s met PGP, te regelen en/of beschikbaar te houden, ten behoeve van overleg over het plan/scenario en/of de geweldsuitoefening op het hoofd van [slachtoffer] en/of

- aanwezig te zijn bij de geweldsuitoefening ter ondersteuning en/of aldus bij te dragen aan een getalsmatig overwicht en/of

- toe te laten dat [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen het hierboven omschreven geweld heeft/hebben uitgeoefend op [slachtoffer] en/of

- na te laten om (door daad en/of woord) in te grijpen toen [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen het hierboven omschreven geweld heeft/hebben uitgeoefend op [slachtoffer] en/of

- op geen enkele wijze hulp te zoeken en/of hulp in te roepen om te voorkomen dat [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen het hierboven omschreven geweld op [slachtoffer] zou/zouden toepassen, althans om ervoor te zorgen dat het geweld zou stoppen;

(art. 301, lid 3 / 48 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2

hij op of omstreeks 19 augustus 2015

te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

(een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van (ongeveer) 12.950 euro, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(art. 420quater, lid 1, ahf/sub b / art. 420 bis, lid 1, ahf/sub b Wetboek van Strafrecht)

Feit 3

hij op of omstreeks 19 augustus 2015 te 's-Gravenhage

opzettelijk aanwezig heeft gehad (totaal) ongeveer 180,6 gram, in elk geval

een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),

zijnde hasjiesj een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art 3, ahf/ond C / art. 11, lid 2 Opiumwet)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar processen-verbaal met paginanummers betreft dit paginanummers uit ‘Proces-verbaal zaakdossier TGO Kilo15’ met onderzoeksnummer DH3R015044, van het Team Grootschalige Opsporing (DH) (doorgenummerd blz. 1 t/m 4395), tenzij anders weergegeven.

2 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.002, p. 62 t/m 64.

3 Forensisch dossier: NFI-rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 206 t/m 211.

4 Forensisch dossier: NFI-rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 206 t/m 211; aanvullend forensisch dossier: NFI-rapport forensisch geneeskundig onderzoek, p. 247 t/m 269.

5 Aanvullend forensisch dossier: NFI-rapport forensisch geneeskundig onderzoek, p. 247 t/m 269.

6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 en 10 januari 2017; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris op 28 september 2016.

7 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.233, p. 1869 t/m 1872.

8 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.217, p. 1714 t/m 1801.

9 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.217, p. 1723 t/m 1740.

10 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.126, p. 1039 t/m 1042 en AMB 217, p. 1777.

11 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.126, p. 1040 en 1042.

12 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.229, p. 1857 en 1858.

13 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.085, p. 608 t/m 620.

14 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.241, p. 1913 t/m 1915.

15 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 januari 2017.

16 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.035, p. 161 t/m 164.

17 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.041, p. 188 t/m 190.

18 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.045, p. 200 t/m 202.

19 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.044, p. 196 t/m 198.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], G011.2, p. 2221.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], G.001.2, p, 1952.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], G.044, p. 2536, Proces-verbaal Whatsapp [getuige 2] en [getuige 4], G044a, p. 2546 en 2550.

23 Proces-verbaal van verhoor [verdachte], opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris op 20 januari 2016, punt 14.

24 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 januari 2017.

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], V.02.3, p. 3126.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], V.02.3, p. 3150.

27 Proces-verbaal van verhoor [verdachte], opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris op 20 januari 2016, punt 8.

28 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 januari 2017.

29 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], V.02.3, p. 3124.

30 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.102, p. 684 en 694 t/m 696.

31 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.115, met bijlage, p. 914 en 924

32 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.091, p. 634 t/m 638; proces-verbaal van bevindingen, AMB.090, p. 631 t/m 633.

33 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.253, p. 4312 t/m 4314.

34 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.116, p. 952.

35 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 januari 2017.

36 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 januari 2017.

37 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.116, p. 952.

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris d.d. 20 januari 2016, punt 18.

39 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.126, p. 1035 t/m 1042.

40 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.238, p. 1900.

41 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.086, p. 622.

42 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.164, p. 1314.

43 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.022, p. 123 en 124. en proces-verbaal van bevindingen AMB 151, p. 1185 en 1186.

44 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.090, p. 631 t/m 633; proces-verbaal van bevindingen, AMB.092, p. 639 en 640; proces-verbaal van bevindingen, AMB.094, p. 643 en 644.

45 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.115, met bijlage, p. 914 en 949

46 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.102, p. 698.

47 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.115, p. 914 ev.; proces-verbaal van bevindingen Keerpunt Baarnsche Dijk d.d. 12 januari 2017 (ongenummerd).

48 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.253, p. 4312 t/m 4314.

49 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.253, p. 4313.

50 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 januari 2017.

51 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.102, p. 697 t/m 700.

52 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.103, p. 710 t/m 713.

53 Proces-verbaal van verhoor [getuige 6], d.d. 18 november 2015, p. 3366 t/m 3380.

54 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.103, p. 710 t/m 713; proces-verbaal van bevindingen, AMB.102, p. 700 t/m 707; proces-verbaal van bevindingen, AMB.057, p. 264.

55 Proces-verbaal van verhoor [getuige 7], d.d. 17 november 2015, p. 3483 t/m 3494.

56 Proces-verbaal van bevindingen, AMB 169, p. 1353.

57 Aanvullend Forensisch Dossier: proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 april 2016, p. 212.

58 Proces-verbaal van bevindingen, AMB 254, p. 4320 t/m 4343

59 Beslagdossier: Proces-verbaal doorzoeking [straatnaam en huisnummer woning verdachte], p. 32.

60 Proces-verbaal van bevindingen, AMB.068, p. 288-296.

61 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 januari 2017.