Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7594

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
AWB 16/27643 en NL16.3533
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Somalië

- Jemen

- ingereisd op mvv-nareis

- evident meerderjarig

- geen 3 EVRM

- beroepen ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/27643 en NL16.3533
V-nummers: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser 1,

gemachtigde mr. M.C.W. van der Zanden,

[eiser 2] , eiser 2,

gemachtigde mr. E.H.J.M. de Bonth,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Schut.

Procesverloop

Eiser 1 heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

31 oktober 2016 (bestreden besluit 1) in de zaak met nummer AWB 16/27643. Eiser 2 heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van eveneens 31 oktober 2016 (bestreden besluit 2) in de zaak met nummer NL16.3533.

Van verweerder zijn verweerschriften ontvangen.

De zaken zijn gezamenlijk ter zitting behandeld op 17 maart 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van eisers:

1. Eiser 2 is de oom van eiser 1. Eisers stellen te zijn geboren in Jemen en de Somalische nationaliteit te bezitten. Ze stellen nooit in Somalië te zijn geweest en illegaal te hebben verbleven in Jemen. Aan eisers is een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) nareis verleend voor verblijf bij [referent] (referent), die sinds 2012 met een asielvergunning in Nederland verblijft. Referent is de oom van eiser 1 en broer van eiser 2 en fungeerde voor hen als pleegvader. Eisers zijn in juni 2014 samen naar Nederland gereisd en hebben op 5 maart 2015 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel.

Ten aanzien van eiser 1:

2. Aan de aanvraag ligt ten grondslag dat het in Somalië niet veilig is en dat eiser 1 daar niemand heeft. Eiser 1 stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 2000 .

3. In een proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie van 5 maart 2015 is vermeld dat de geboortedatum van eiser 1 wordt gewijzigd naar [geboortedatum] 1991 . In dat proces-verbaal is vermeld dat een schouw is verricht omdat eiser 1 er aanmerkelijk ouder uitziet dan hij volgens de opgegeven geboortedatum zou zijn. Sprake is van een forse spierontwikkeling, een wijkende haargrens, zichtbare rimpels en dikke aderen over zijn handen en armen. Eiser 1 heeft desgevraagd verklaard dat hij op zeer jonge leeftijd uit Somalië is vertrokken, in het begin van de periode dat oorlog uitbrak in Somalië en hij heeft daarbij de naam van president Siad Barre genoemd. Siad Barre was president tot 1991. Desgevraagd verklaarde eiser niet te weten hoe oud hij is. Na doorvragen gaf hij op 15 jaar te zijn en verwees hij naar het overgelegde laissez-passer, dat referent voor hem heeft geregeld. Tijdens het eerste gehoor heeft eiser 1 hierover desgevraagd verklaard niet te weten wanneer hij geboren is, omdat zijn moeder hem dat niet heeft verteld. Hij zegt dat hij in 2000 is geboren, omdat dit op het document staat dat referent voor hem heeft geregeld.

4. Bij bestreden besluit 1 is de aanvraag van eiser 1 als ongegrond afgewezen. De gestelde nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht. De gestelde identiteit wordt niet geloofd, omdat eiser in afwijking van zijn verklaringen evident meerderjarig is. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië (ambtsbericht) van 31 maart 2016, op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser 1 kan bij terugkeer terugvallen op eiser 2. Verweerder acht afwijzing van de aanvraag niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser 1 en referent.

5. Eiser 1 heeft daartegen het volgende aangevoerd:

  • -

    Ten onrechte is aangenomen dat eiser 1 meerderjarig is. De ambtenaren die de schouw hebben uitgevoerd, zijn geen leeftijdsdeskundigen. Onder verwijzing naar beantwoording door verweerder van kamervragen over de schouw van 7 november 2016 wordt aangevoerd dat niet alleen uiterlijke kenmerken, maar ook verklaringen, gedrag en documenten van de vreemdeling bij een schouw moeten worden betrokken. Verweerder had een leeftijdsonderzoek moeten aanbieden.

  • -

    Eiser 1 verblijft sinds maart 2015 bij referent, door wie hij is opgevoed. Hij maakt nog steeds deel uit van het gezin. Eiser 1 is minderjarig, stottert, is ongeschoold en is aangewezen op zijn familie. Hij kan niet terugvallen op eiser 2, die doofstom is. Er is sprake van schending van artikel 8 van het EVRM bij afwijzing van de aanvraag. (Pas) ter zitting is aangevoerd dat niet relevant is of eiser 1 meerderjarig is en wordt verwezen naar het beleid dat geldt sinds het Besluit van verweerder van 4 september 2016, nummer WBV 2016/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant nr. 46541 (WBV 2016/11). Daaruit volgt volgens eiser 1 dat indien - zoals hier ook het geval is - de feitelijke gezinsband wordt aangenomen, het vereiste van more than normal emotional ties niet geldt.

  • -

    Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser 1 bij terugkeer naar Mogadishu geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Hij heeft daar nooit gewoond en heeft daar geen netwerk of clanbescherming, terwijl de situatie daar slecht en onvoorspelbaar is. Eiser 1 stelt dat uit openbare bronnen waaronder ‘Position of Returns to Southern and Central Somalië’ van UNHCR van 20 mei 2016 blijkt dat terugkeerders zonder netwerk extreem kwetsbaar zijn.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op het onder 3 bedoelde proces-verbaal en de verklaring van eiser 1 tijdens het eerste gehoor dat hij niet weet hoe oud hij is, terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet van de juistheid van de door hem opgegeven geboortedatum kan worden uitgegaan. Wat eiser 1 daartegen heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van voornoemd proces-verbaal en leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder was dan ook niet gehouden een leeftijdsonderzoek aan te bieden.

7. Ten aanzien van de vraag of afwijzing van de aanvraag strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:176) volgt, kan uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) niet worden afgeleid dat voor het bestaan van familie- en gezinsleven tussen volwassen familieleden, niet zijnde ouders, en (minderjarige) kinderen het vereiste van more than normal emotional ties niet geldt. Daaruit volgt dat een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser 1 en referent is vereist (ook als eiser 1 als minderjarig zou worden beschouwd). Dat referent als vaderfiguur heeft gefungeerd is onvoldoende. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser 1 en referent. De grond faalt.

8. Ten aanzien van de grond dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat terugkeer naar Somalië strijd met artikel 3 van het EVRM oplevert, overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld wordt dat de algehele situatie in Somalië niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Hierbij wordt verwezen naar het ambtsbericht van 31 maart 2016 en uitspraken van de Afdeling, waaronder die van 4 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1168). Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser behoort tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Verweerder acht aannemelijk dat de familie van eiser 1 afkomstig is uit Mogadishu, nu uit het nader gehoor van eiser 1 blijkt dat zijn vader is geboren in een wijk in Somalië. Ook uit een taalanalyse van referent bleek dat hij is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië (Mogadishu). Eiser 1 spreekt de Somalische taal en heeft zich - ook na het vertrek van referent in 2012 - staande kunnen houden in Jemen (tot zijn vertrek in juni 2014). Eiser 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat het vooruitzicht bestaat op een bestaan onder humanitair onacceptabele omstandigheden omdat geen vooruitzicht bestaat op werk om een bestaan te kunnen opbouwen. Hij kan terugvallen op eiser 2. Voor zover eiser 1 stelt dat hij vanwege het feit dat hij is verwesterd niet kan terugkeren, is de rechtbank onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in dat standpunt. Ook overigens is niet gebleken dat eiser 1 alleen al vanwege zijn terugkeer uit het westen een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Ten aanzien van eiser 2:

9. Aan de aanvraag ligt ten grondslag dat het in Somalië oorlog is en dat referent hen heeft gevraagd te komen, omdat hij niet wilde dat eisers in Somalië problemen zouden krijgen. Eiser 2 stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1997 .

10. In een proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie van 5 maart 2015 is vermeld dat de geboortedatum wordt gewijzigd naar [geboortedatum] 1982 . In dat proces-verbaal is vermeld dat een schouw is verricht, omdat eiser 2 er aanmerkelijk ouder uitziet dan hij volgens de opgegeven geboortedatum zou zijn. Sprake is van een wijkende haargrens, zichtbare rimpels, oud uitziende handen en het gezicht en uiterlijk van een persoon van minimaal 30 jaar. Verder is in dat proces-verbaal vermeld: “Betrokkene is gevraagd zijn leeftijd op te schrijven. Hierbij keek hij voortdurend naar zijn neef. Waarna zijn neef met gebaren duidelijk maakte wat hij moest opschrijven. Het was voor ons verbalisanten duidelijk dat hij een geboortejaar opschreef die door zijn neef aan hem werd verteld namelijk : 1997 Hierna is door ons aan hem kenbaar gemaakt dat hij er aanmerkelijk ouder uitziet en dat hij zijn echte geboortedatum/leeftijd moet opgeven hierna schreef hij op: 1982 .”

11. Bij bestreden besluit 2 is de aanvraag van eiser 2 als ongegrond afgewezen. De gestelde nationaliteit, herkomst en identiteit (met uitzondering van de gestelde leeftijd) worden geloofwaardig geacht. Eiser 2 is evident meerderjarig. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar het ambtsbericht van 31 maart 2016 op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Eiser 2 behoort niet tot een risico- of kwetsbare minderheidsgroep. Hij is een jongvolwassen man die in Jemen in staat was ondanks zijn doofheid te werken en zichzelf te handhaven. Eiser 2 kan bij terugkeer bovendien terugvallen op eiser 1. Verweerder acht afwijzing van de aanvraag niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, nu niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser 2 en referent.

12. Eiser 2 heeft daartegen het volgende aangevoerd:

  • -

    Ten onrechte is aangenomen dat eiser 2 meerderjarig is. Het onderzoek is niet zorgvuldig geweest. De ambtenaren die de schouw verrichtten, hielden eiser 2 voor dat de opgegeven geboortedatum niet juist was. Hij heeft toen (maar) een andere geboortedatum opgeschreven en toen (maar) gezegd dat dit de juiste datum was. Onder verwijzing naar de beantwoording door verweerder van kamervragen van 7 november 2016 wordt aangevoerd dat niet alleen uiterlijke kenmerken, maar ook verklaringen, gedrag en documenten van de vreemdeling bij een schouw moeten worden betrokken. Verweerder had eiser 2 een leeftijdsonderzoek moeten aanbieden.

  • -

    Eiser 2 doet een beroep op artikel 8 van het EVRM. Omdat hij minderjarig is, wordt ten onrechte het vereiste van more than normal emotional ties gesteld door verweerder. (Pas) ter zitting is aangevoerd dat niet relevant is of eiser 2 meerderjarig is en wordt verwezen naar het beleid dat geldt sinds het Besluit van verweerder van 4 september 2016, nummer WBV 2016/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant nr. 46541 (WBV 2016/11). Daaruit volgt volgens eiser 2 dat indien - zoals hier ook het geval is - de feitelijke gezinsband wordt aangenomen, het vereiste van more than normal emotional ties niet geldt.

  • -

    Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser 2 bij terugkeer naar Mogadishu geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Hij heeft daar geen sociaal netwerk. Eiser 2 zal in Mogadishu opvallen, omdat hij daar nooit heeft gewoond. Overgelegd zijn bijlagen bij ‘Veelgestelde vragen Somalië, terugkeer uit het westen en verwestering’ van maart 2016.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op het onder 10 bedoelde proces-verbaal terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet van de juistheid van de door hem opgegeven geboortedatum kan worden uitgegaan. Verweerder heeft niet uitsluitend op basis van uiterlijke kenmerken geconcludeerd dat eiser 2 evident meerderjarig is, maar heeft daarbij ook zijn gedrag betrokken. Niet valt in te zien waarom verweerder geen waarde zou mogen hechten aan het feit dat eiser 2 ‘ 1982 ’ opschreef toen hem werd gevraagd zijn juiste geboortedatum op te schrijven. Wat eiser 2 daartegen verder heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van voornoemd proces-verbaal en leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder was dan ook niet gehouden een leeftijdsonderzoek aan te bieden.

14. Ten aanzien van de vraag of afwijzing van de aanvraag strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals onder 7 is overwogen, kan uit rechtspraak van het EHRM niet worden afgeleid dat voor het bestaan van familie- en gezinsleven tussen volwassen familieleden, niet zijnde ouders, en (minderjarige) kinderen het vereiste van more than normal emotional ties niet geldt. Daaruit volgt dat een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser 2 en referent is vereist (ook als eiser 2 als minderjarig zou worden beschouwd). Dat referent als vaderfiguur heeft gefungeerd is onvoldoende. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser 2 en referent. De grond faalt.

15. Ten aanzien van de grond dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat terugkeer naar Somalië strijd met artikel 3 van het EVRM oplevert, overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld wordt dat de algehele situatie in Somalië niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Hierbij wordt verwezen naar het ambtsbericht van 31 maart 2016 en uitspraken van de Afdeling, waaronder die van 4 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1168). Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser 2 niet behoort tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Eiser 2 is een volwassen man. Niet in geschil is dat hij ook in Jemen ondanks zijn doofheid in staat was te werken. Hij heeft zich daar - ook sinds het vertrek van referent in 2012 - staande kunnen houden (tot zijn vertrek in juni 2014). Bij terugkeer kan hij terugvallen op eiser 1. Voor zover eiser 2 stelt dat hij vanwege het feit dat hij is verwesterd niet kan terugkeren, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling dat eiser 2 niet kan worden gevolgd in dat standpunt. Ook overigens is niet gebleken dat eiser 2 alleen al vanwege zijn terugkeer uit het westen een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Ten aanzien van eisers:

16. De beroepen zijn ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: