Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7585

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
C/09/525108 / FA RK 17-236
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Adoptie en vaststelling geboortegegevens

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 26
Burgerlijk Wetboek Boek 1 227
Burgerlijk Wetboek Boek 1 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/113 met annotatie van prof. mr. I. Sumner
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 17-236

Zaaknummer: C/09/525108

Datum beschikking: 10 juli 2017

Adoptie en vaststelling geboortegegevens

Beschikking op het op 11 januari 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.L. Neuteboom-van Asselt te Montfoort.

Als belanghebbende ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van geboortegegevens

wordt aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag,

hierna: de ambtenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift;

- de brief van 31 januari 2017 van de ambtenaar;

- de brief van 8 maart 2017 van verzoekster;

- de brief van 23 maart 2017 van de ambtenaar.

Op 12 juni 2017 is de zaak ter terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoekster en [naam] namens de ambtenaar. Verzoekster is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

Verzoek

Het verzoek – zoals dat thans luidt – strekt ertoe dat de rechtbank:

Primair:

  • -

    voor recht verklaart dat is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning van de in Ghana tot stand gekomen adoptie van [minderjarige] door verzoekster;

  • -

    de erkenning en/of omzetting naar Nederlands recht van de op 25 februari 2014 in Ghana uitgesproken adoptie van [minderjarige] door verzoekster erkent en/of omzet naar Nederlands recht en verzoekster daarbij belast met het gezag over [minderjarige] ;

  • -

    de geboortegegevens van [minderjarige] vaststelt conform het voorstel van de ambtenaar;

Subsidiair:

- de adoptie van [minderjarige] door verzoekster uitspreekt naar Nederlands recht en daarbij de geboortegegevens van [minderjarige] als volgt vaststelt: [minderjarige] [geslachtsnaam mj] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Ghana.

Feiten

- Verzoekster is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Ghana, geboren en zij heeft zich

op 6 september 1991 in Nederland gevestigd. Verzoekster bezit sinds 28 mei 1996 de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    [minderjarige] [geslachtsnaam mj] is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Ghana, geboren.

  • -

    Verzoekster woont in Nederland en [minderjarige] woont in Ghana.

Beoordeling

Rechtsmacht

De rechtbank acht, gelet op vorenstaande feiten, voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig om van de onderhavige verzoeken kennis te nemen.

Primaire verzoek: verklaring voor recht dat is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning van een buitenlandse adoptie uitspraak

Ingevolge artikel 1:26 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft de rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand.

Erkenning buitenlandse adoptie uitspraak?

Ingeval van interlandelijke adoptie is het Haags Adoptieverdrag 1993 van toepassing indien de staat van herkomst én de staat van opvang beiden partij zijn bij dit verdrag. Dit verdrag is voor Nederland in werking getreden op 1 oktober 1998 en voor Ghana op 1 januari 2017. In artikel 41 van het Haags Adoptieverdrag is het overgangsrecht opgenomen: het verdrag is van toepassing wanneer op grond van artikel 14 een aanvraag is ontvangen nadat het verdrag in beide staten in werking is getreden. Voor Nederland geldt als het tijdstip van indiening van een aanvraag, het tijdstip waarop het verzoek om beginseltoestemming aan de Minister van Justitie is gericht. Nu in onderhavige zaak geen dergelijk verzoek is gedaan, kan het Haags Adoptieverdrag hier geen toepassing vinden. Artikel 10:112 BW verklaart titel 6 van Boek 10 van toepassing op de erkenning van adopties die vanaf 1 januari 2004 buitenslands tot stand zijn gekomen. Ingevolge artikel 10:107 BW zijn de bepalingen van Boek 10 titel 6 afdeling 3 van toepassing (artikelen 10:107 tot en met 10:111 BW).

Ingevolge artikel 10:109 lid 1 BW kan een buitenlandse beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, worden erkend indien:

  1. de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen (Wobka) in acht zijn genomen,

  2. de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, en

  3. erkenning niet op een grond als bedoeld in artikel 108 lid 2 of lid 3 van dit boek zou worden onthouden. Dat wil in een geval als het onderhavige, dat wordt beheerst door artikel 10:109 BW, zeggen dat tevens voldaan moet worden aan de volgende aanvullende voorwaarden:

- er is geen sprake van dat aan de adoptiebeslissing in de vreemde staat kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan;

- er is geen sprake van dat de erkenning van die beslissing in strijd is met de openbare orde, hetgeen steeds het geval is indien die beslissing kennelijk betrekking heeft op een schijnhandeling.

Verzoekster erkent dat zij niet de bepalingen van de Wobka in acht heeft genomen. Verzoekster is van mening dat de bepalingen van de Wobka in deze situatie buiten beschouwing moeten worden gelaten. Het betreft een adoptie van een neefje. Verzoekster heeft niet een jarenlange gekoesterde wens om een kind uit het buitenland te adopteren. Verzoekster heeft [minderjarige] geadopteerd met het idee hem een beter leven te geven. Het belang van [minderjarige] vormt een eerste overweging in deze zaak. Op grond van artikel 3 en artikel 5 IVRK, waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat rekening moet worden gehouden met de rechten en plichten van ouders dan wel anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor een kind, kan in dit concrete geval worden voorbij gegaan aan de situatie dat zij niet de bepalingen van de Wobka in acht heeft genomen, aldus verzoekster.

De ambtenaar stelt zich op het standpunt dat de buitenlandse adoptie uitspraak niet kan worden erkend. De ambtenaar heeft hierbij onder meer aangegeven dat de bepalingen van de Wobka niet in acht zijn genomen, nu verzoekster niet over beginseltoestemming beschikt. Voorts dient op grond van de Wobka de Raad voor de Kinderbescherming te onderzoeken of verzoekster geschikt is om een kind te verzorgen en op te voeden. Er dient sprake te zijn van een bijzondere geschiktheid van de adoptiefouder indien het leeftijdsverschil tussen de adoptiefouder en het te adopteren kind meer dan 40 jaar bedraagt, dan wel wanneer het kind ouder is dan twee jaar. Verzoekster was ten tijde van de adoptie in Ghana 51 jaar ouder dan [minderjarige] . Daarnaast heeft de ambtenaar uiteengezet welke vormen van adoptie in Ghana mogelijk zijn. Adoptie door een ongehuwde vrouw is mogelijk, op voorwaarde dat de vrouw burger van Ghana is. Verzoekster bezit volgens de ambtenaar alleen (nog) de Nederlandse nationaliteit. De ambtenaar refereert zich aan het oordeel van deze rechtbank of de erkenning in het kennelijk belang van [minderjarige] is en of de erkenning niet op een grond, bedoelt in artikel 10:108 lid 2 en 3 BW dient te worden onthouden.

De rechtbank zal er thans toe overgaan te bezien of aan alle voorwaarden van artikel 10:109 lid 1 BW is voldaan en de buitenlandse adoptie kan worden erkend.

De rechtbank overweegt dat de ambtenaar in zijn brief van 31 januari 2017 uiteen heeft gezet welke vormen van adoptie mogelijk zijn in Ghana. Adoptie door een ongehuwde man of vrouw is in Ghana mogelijk. Voorwaarde hiervoor is dat de man of vrouw burger van Ghana is.

Vaststaat dat verzoekster sinds 28 mei 1996 de Nederlandse nationaliteit heeft. De ambtenaar heeft onbetwist gesteld dat verzoekster door verkrijging van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege de Ghanese nationaliteit heeft verloren (artikel 8, eerste lid, van de grondwet van Ghana). De ambtenaar heeft hierbij aangegeven dat personen uit Ghana die vóór 5 januari 2001 de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen van rechtswege de Ghanese nationaliteit zijn verloren. Sinds de inwerkingtreding van de Burgerschapswet op
5 januari 2011 is bepaald dat het een Ghanese onderdaan toegestaan is om tevens een andere nationaliteit te bezitten, hetgeen er in de praktijk op neerkomt dat een Ghanese onderdaan die op of na 5 januari 2001 vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt, zijn Ghanese nationaliteit behoudt.

Nu verzoekster de Nederlandse nationaliteit vóór 5 januari 2001 heeft verkregen, stelt de rechtbank vast dat zij de Ghanese nationaliteit van rechtswege heeft verloren. Hoewel verzoekster heeft aangegeven er vanuit te gaan nog steeds de Ghanese nationaliteit te bezitten, is hieromtrent door haar geen bewijs aangedragen. Het overgelegde kopie van haar paspoort, afgegeven op 10 september 1986, is hiervoor ontoereikend, nu verzoekster immers nadien de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat naar Ghanees recht geen geldige adoptie tot stand is gekomen, zodat erkenning van deze buitenlandse uitspaak niet mogelijk is. Het primaire verzoek tot het afgeven van een verklaring voor recht zal dan ook worden afgewezen. Gelet hierop komt de rechtbank aan de overige primaire verzoeken niet toe.

Subsidiaire verzoek: adoptie naar Nederlands recht

Verzoekster heeft subsidiair verzocht om de adoptie van [minderjarige] door haar uit te spreken naar Nederlands recht.

Op grond van artikel 10:105 lid 1 BW is Nederlands recht van toepassing op het verzoek.

Op grond van artikel 1:227 lid 3 BW kan het verzoek tot adoptie alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is en op het tijdstip van het verzoek vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Daarnaast moet aan de voorwaarden als genoemd in artikel 1:228 BW zijn voldaan. In dit kader is van belang dat artikel 1:228 lid 1 onder d BW vereist dat geen van de ouders het verzoek tegenspreekt en dat artikel 1:228 lid 1 onder f vereist dat de adoptant het kind gedurende ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed.

De rechtbank overweegt dat op basis van de overgelegde stukken niet valt vast te stellen dat [minderjarige] niets meer van zijn moeder als ouder heeft te verwachten en dat de moeder het verzoek niet tegenspreekt. Hoewel verzoekster heeft gesteld dat de moeder wegens psychische problemen niet in staat is om voor [minderjarige] te zorgen, blijkt dit niet uit de overgelegde stukken. Voorts is niet gebleken dat de moeder afstand van [minderjarige] heeft gedaan. Het overgelegde rapport van het “Department of social welfare” acht de rechtbank daarnaast onvoldoende om te kunnen oordelen dat de adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is. Verder is vast komen te staan dat verzoekster [minderjarige] voor het laatst in november 2015 in Ghana heeft gezien en dat zij tot op heden [minderjarige] niet gedurende voormelde verzorgingstermijn van een jaar heeft verzorgd en opgevoed. Gelet op de uitlatingen van de advocaat van verzoekster ter terechtzitting begrijpt de rechtbank dat verzoekster met een beroep op artikel 8 EVRM verzoekt de eis van een verzorgingstermijn van een jaar buiten beschouwing te laten. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze stelling nader te beoordelen, nu uit hetgeen hierboven is overwogen reeds volgt dat aan andere wettelijke voorwaarden voor adoptie niet is voldaan en de rechtbank geen aanleiding ziet om al deze gebreken te passeren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook het subsidiaire verzoek tot adoptie moet worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. Verloop, P.M.E. Bernini en J.C. Sluymer, kinderrechters, bijgestaan door mr. M.T.E. Krijger-van Huut als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2017.