Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7538

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 10933
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1974, Overig
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eerste asielaanvraag, Turkse, Koerdische, 3 EVRM, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/10933
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 juni 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde mr. N. van Bremen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 mei 2017 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. F. Uzumcu, waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig T. Cetinkaya, tolk in de Koerdische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Turkse nationaliteit. Eiseres verblijft sinds 5 maart 2016 in Nederland. Op 29 mei 2016 heeft zij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend met als doel verblijf bij haar Nederlandse echtgenoot en hun twee Nederlandse kinderen (geboren op [geboortedatum 2] en

[geboortedatum 3] ). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 7 juli 2016 afgewezen en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 november 2016. Bij uitspraak van 23 februari 2017 (AWB 16/25775) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het daartegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld, waarop (ten tijde van het sluiten van het onderzoek in de onderhavige zaak) nog niet is beslist.

2. Op 17 maart 2017 heeft eiseres een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft zij het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres is met een toeristenvisum samen met haar gezin naar Nederland gekomen. Het is te gevaarlijk om naar Turkije terug te keren. Mogelijk zal eiseres bij aankomst in Turkije worden aangehouden en ondervraagd vanwege de activiteiten van haar echtgenoot en neef voor de Koerdische politieke partij HDP (hierna: HDP). Haar neef is vals beschuldigd van terrorisme en opgepakt. Eiseres kan niet gescheiden worden van haar autistische zoon die haar zorg nodig heeft en vraagt verweerder haar gezin niet te verscheuren.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Verweerder acht het niet aannemelijk dat de gestelde discriminatie vanwege haar Koerdische etniciteit een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor eiseres onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Voorts acht verweerder het niet aannemelijk dat eiseres problemen heeft ondervonden of zal ondervinden van de Turkse autoriteiten. Eiseres heeft verklaard dat zij nooit persoonlijk problemen heeft ondervonden, ondanks dat haar echtgenoot en neef al jaren actief zijn voor de HDP. Het enkele feit dat haar echtgenoot en neef wel in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staan, is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres ook persoonlijke problemen zal ondervinden. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), verwijst verweerder naar voornoemd besluit van 8 november 2016, nu eiseres in dit verband geen nieuwe elementen heeft aangevoerd die leiden tot een ander oordeel.

4. In beroep heeft eiseres het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte de bij zienswijze overgelegde stukken niet beoordeeld. Daarbij wijst eiseres er op dat in de per fax tijdig ingediende zienswijze uitdrukkelijk is medegedeeld dat de bijlagen per post worden nagezonden. Bovendien waren de meeste documenten al in januari 2017 aan verweerder verzonden. Het betreft bedreigingen gericht aan de echtgenoot van eiseres, foto’s van eiseres met haar echtgenoot en neef, een aantal nieuwsberichten omtrent de veiligheidssituatie voor Koerden in Turkije sinds de couppoging, een (ter zitting vertaald) krantenartikel waaruit blijkt dat de neef van eiseres met ontploffingsmateriaal is opgepakt en wordt vastgehouden op verdenking van terrorisme en een aantal stukken omtrent de medische behandeling van de zoon van eiseres. Verder betoogt eiseres dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bij terugkeer geen risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Sinds het uitroepen van de noodtoestand worden HDP-aanhangers in Turkije als terroristen bestempeld. Daarbij verwijst eiseres naar een rapport van Human Rights Watch van 25 oktober 2016 en een verklaring van minister Koenders. Voorts stelt eiseres dat er in Turkije sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95 (Definitierichtlijn). Tot slot doet eiseres een beroep op artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres bij terugkeer problemen zal ondervinden van de zijde van de Turkse autoriteiten en een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Het enkele vermoeden van eiseres dat zij mogelijk zal worden ondervraagd omdat haar man en neef activiteiten voor de HDP (hebben) verricht(en) is daartoe onvoldoende. Zoals blijkt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 30 oktober 1991 in de zaak met nummer 13163/87, [naam 2] tegen het Verenigd Koninkrijk (RV 1991, 19) dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid (“mere possibility”) van schending is onvoldoende. In dit geval is niet aannemelijk geworden dat sprake is van meer dan de enkele mogelijkheid op schending van artikel 3 van het EVRM. Ook uit de door eiseres overgelegde stukken, waaronder het rapport van Human Rights Watch en de verklaring van minister Koenders, volgt dat niet. Weliswaar blijkt uit die stukken onder meer dat sinds de couppoging in Turkije in 2016 de detentieomstandigheden daar zijn verslechterd, dat er leiders en parlementariërs van de HDP zijn aangehouden en dat de situatie onvoorspelbaar is, maar uit die stukken valt niet af te leiden dat eiseres een risico loopt als hiervoor bedoeld.

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder ten onrechte de door eiseres bij zienswijze overgelegde stukken niet heeft beoordeeld. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat in de zienswijze uitdrukkelijk is vermeld dat de bijlagen per post worden nagezonden en dat bovendien een aantal van die stukken al bij verweerder bekend was. De rechtbank verbindt daaraan echter geen consequenties nu - zoals uit overweging 5 volgt - de stukken niet tot een andere uitkomst zouden hebben geleid.

7. Vervolgens is aan de orde het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Deze grond wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt niet dat in Turkije sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in die bepaling. Daarbij is mede van belang dat uit het reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarnaar verweerder ter zitting heeft verwezen, niet blijkt dat het (voor Koerden) te gevaarlijk is om terug te keren naar Turkije en dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat de ontwikkelingen in Turkije worden gemonitord.

8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres in het kader van artikel 8 van het EVRM geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die niet reeds in de onder 1 genoemde reguliere procedure - waarin het beroep op artikel 8 van het EVRM faalt - zijn betrokken, zodat verweerder kon volstaan met een verwijzing naar het besluit van 8 november 2016.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: