Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7502

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
09/767034-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte wilde afreizen naar het strijdgebied in Syrië om zich aan te sluiten bij IS, maar om onduidelijk gebleven redenen naar Nederland is teruggekeerd. De rechtbank gelooft het verhaal van verdachte dat hij alleen maar op vakantie ging naar Turkije, niet.

Vrijspraak voor poging tot deelneming aan een terroristische organisatie. Geen begin van uitvoering. Wel voorbereidingshandelingen. Aan verdachte is achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

ZITTING HOUDENDE TE AMSTERDAM

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767034-17

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,

[adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Vught, Nieuw Vosseveld

Bijzondere Afdeling, te Vught.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 19 mei 2017 (pro forma) en 27 juni 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. van Gosen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R. Moghni, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 27 juni 2017, ten laste gelegd:

 medeplegen van poging tot deelname aan een organisatie (IS, Jabhat Fatah al-Sham (voorheen: Jabhat al-Nusra) of al-Qaeda of een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie) die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (feit 1 primair);

 voorbereiding van medeplegen van deelname aan een organisatie (IS, Jabhat Fatah al-Sham (voorheen: Jabhat al-Nusra) of al-Qaeda of een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie) die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (feit 1 subsidiair);

 medeplegen van voorbereiding dan wel bevordering van moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk (feit 2).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit vonnis en maakt daarvan deel uit.

3 Enkele algemene bewijsoverwegingen

Voordat de rechtbank in hoofdstuk 4 specifiek in zal gaan op de ten laste gelegde feiten en de verschillende onderdelen daarvan zal beoordelen, begint de rechtbank in dit hoofdstuk met enkele algemene bewijsoverwegingen die van toepassing zijn op alle ten laste gelegde feiten. Dit betreft allereerst een overweging ten aanzien van de ontwikkeling van de strijd in Syrië (3.1), vervolgens een overweging over terroristische misdrijven en waarom deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van jihadistische strijdgroepen naar het oordeel van de rechtbank het plegen van terroristische misdrijven inhoudt (3.2), gevolgd door een overweging over het juridisch kader van de (terroristische) criminele organisatie, waarbij ook zal worden ingegaan op de jihadistische strijdgroepen en deelneming daaraan (3.3) en ten slotte een overweging met betrekking tot het juridisch kader van voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven (3.4).

3.1

Ontwikkeling van de strijd in Syrië 1

Uit de processtukken, meer in het bijzonder het rapport van [deskundige]2 en de daarin genoemde en ook elders - zonder noemenswaardige moeite - te raadplegen openbare bronnen, blijkt het volgende.

Geïnspireerd door soortgelijke ontwikkelingen in andere Arabische landen kwam in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet tegen het dictatoriale regiem van Bashar al-Assad. Wat als een vreedzaam protest was begonnen ontwikkelde zich gaandeweg tot een gewapende strijd, waarvan vooral de burgerbevolking het slachtoffer was, en uiteindelijk tot een humanitaire ramp. Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd in maart 2015 geschat op meer dan 220.000. Op dat moment waren al meer dan vier miljoen Syriërs gevlucht naar het buitenland en bedroeg het aantal ontheemden in Syrië meer dan 7,6 miljoen.3

Blijkens talloze rapporten en publicaties heeft het regime van president al-Assad zich daarbij schuldig gemaakt aan systematische en grootschalige schendingen van mensenrechten en oorlogsmisdaden.4 Naarmate de strijd in Syrië vorderde, nam ook de invloed van jihadistische strijdgroepen hand over hand toe. Het doel van deze strijdgroepen was niet alleen - misschien zelf niet eens in de eerste plaats - het ten val brengen van het regime van president al-Assad, maar ook - of vooral - de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd.5 Gezien de vele rapporten en publicaties over de jihadistische strijdgroepen Jabhat al-Nusra (later per 28 juli 2016: Jabhat Fatah al-Sham) en ISIL (later: ISIS en IS) kan er geen twijfel over bestaan dat ook zij zich op grote schaal en systematisch hebben schuldig gemaakt aan gruwelijke misdaden.6

3.2

Terroristische misdrijven

De verdachte worden gedragingen verweten die zouden zijn gepleegd vanaf 1 oktober 2015 tot en met 13 november 2015. Voor wie ook maar een beetje het nieuws over Syrië heeft gevolgd en zijn ogen daarvoor niet heeft gesloten, moet het al ver voor die periode volstrekt duidelijk zijn geweest dat de jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden. Veel van de misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president al-Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden.7 Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De IICIS heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population”.

De wetgever heeft in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a Sr is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”. In haar vonnis van 10 december 2015 heeft deze rechtbank vastgesteld dat de jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals toen nog Jabhat al-Nusra en IS(IS) het regime van president al-Assad ten val willen brengen en een zuiver islamitische samenleving of staat willen vestigen en dat de misdrijven die zij daartoe, maar ook geheel los daarvan, plegen mede tot doel hebben grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan te jagen. De misdrijven die deze jihadistische strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een door en door terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze jihadistische strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.

3.3

Juridisch kader (terroristische) criminele organisatie

Voor een uitgebreide beschrijving van het juridische kader van de (terroristische) criminele organisatie, verwijst de rechtbank naar het vonnis van 10 december 2015.8

Deelneming aan een (terroristische) criminele organisatie is strafbaar gesteld in de artikelen 140 en 140a Sr. Aan deze strafbaarstelling ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen misdrijven te plegen. Het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Het doet er niet toe of de misdrijven waarop de organisatie het oog heeft zijn gepleegd dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven welke door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Een persoon is strafbaar vanwege alleen maar zijn deelneming aan een misdadige organisatie.

Met een organisatie in de zin van de artikelen 140 en 140a Sr wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.9 Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen.10

Voor een bewezenverklaring van artikel 140 Sr is daarnaast vereist dat de organisatie het oogmerk moet hebben om misdrijven te plegen. Met het oogmerk wordt primair gedoeld op het naaste doel: datgene dat men zich als direct gewild voorstelt.11 De criminele organisatie behoeft niet een louter misdadige hoofddoelstelling te hebben, zij kan ook - mede - een legaal doel hebben.12 De organisatie kan ook het oogmerk hebben om misdrijven te plegen indien deze misdrijven worden gepleegd ter verwezenlijking van een oorbaar of in de voorstelling van de organisatie edel einddoel.13 Het bijzondere aan artikel 140a Sr, het artikel over de terroristische criminele organisatie, is dat er een dubbel oogmerk is vereist: er moet een oogmerk zijn tot het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk. Voor een bewezenverklaring van het bestaan van een terroristische criminele organisatie moet het naaste doel dus zijn gelegen in het plegen van terroristische misdrijven.14

Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan

misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of

gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge

verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers

binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de

organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het

oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.15

Jihadistische strijdgroepen

Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 10 december 2015 vastgesteld dat er in ieder geval

vanaf juli 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict op het gehele

grondgebied van Syrië, tussen het Syrische regeringsleger en verscheidene georganiseerde

gewapende groepen zoals ISIL/ISIS/IS en Jabhat al-Nusra (inmiddels Jabhat Fatah al-Sham).16 Op dat moment waren de gewapende groepen voldoende georganiseerd, waardoor zij de beschikking hadden over militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie en grootschalige militaire operaties konden uitvoeren. Er was aldus sprake van verschillende samenwerkingsverbanden met een grote mate van duurzaamheid en structuur. Dit was ten tijde van de ten laste gelegde periode niet anders. Zoals reeds overwogen, was het naaste doel van deze verscheidene jihadistische strijdgroepen het plegen van terroristische misdrijven en kunnen zij derhalve worden beschouwd als terroristische criminele organisaties. Jabhat Fatah al-Sham en IS zijn dan ook op de sanctielijsten van de EU en VN geplaatst als verboden terroristische organisaties.17 Om tot een dergelijke organisatie te kunnen toetreden, is voorafgaande deelname aan een trainingskamp vereist.18

Deelneming

Vooropgesteld moet worden dat van deelneming aan een (terroristische) criminele

organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het

samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die

strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk.19 Elke dergelijke bijdrage, ook wel deelnemingshandeling genoemd, aan een organisatie kan

strafbaar zijn. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig

misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van

handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of

ondersteuning kan worden gesproken.20 Voorbeelden daarvan zijn het verlenen van

geldelijke bijdragen of andere stoffelijk steun aan alsmede het werven van gelden of

personen ten behoeve van de organisatie.21

Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van

onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische)

misdrijven. Enig vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde concrete

misdrijven is niet vereist.22

Indien wordt aangesloten bij een jihadistische strijdgroep, zal altijd (direct of indirect) een bijdrage worden geleverd aan de strijdgroep en is daarmee sprake van het leveren van een feitelijke bijdrage en dus deelneming aan een terroristische criminele organisatie.

3.4

Juridisch kader voorbereiding en/of bevordering van terroristische misdrijven

Brandstichting, het teweegbrengen van een ontploffing, moord en/of doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk, is strafbaar gesteld in respectievelijk artikel 176b en 289a Sr. Daarin is bepaald dat artikel 96, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing is. Het artikel betreft een lex specialis ten opzichte van artikel 46 Sr.

Ingevolge van artikel 96, tweede lid, Sr is sprake van strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen indien een persoon:

1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.

Deze handelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 96, tweede lid, Sr niet is vereist dat tijd, plaats en wijze van uitvoering van de door verdachte voorbereide misdrijven zouden moeten vaststaan. Aangenomen moet worden dat de voor de toepassing van artikel 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor artikel 96, tweede lid, Sr. Vereist is derhalve slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk omschreven misdrijf de nader aan artikel 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht.23 Indien sprake is van voorbereidingshandelingen die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd, is strikte toetsing noodzakelijk. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen mogen wel in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid. De voorbereiding en bevordering zijn zelfstandig strafbaar gesteld als voltooide delicten. Hiervan is geen vrijwillige terugtred mogelijk.24

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

De verdachte is op 29 oktober 2015 samen met zijn broertje [betrokkene 1] en zijn neef [medeverdachte] vanaf Amsterdam Airport Schiphol naar Istanbul Ataturk Airport gevlogen. Vanaf Istanbul zijn zij vervolgens dezelfde dag, in de avond, gezamenlijk met het vliegtuig naar Adana gereisd, waar zij in een hotel hebben verbleven. Op 30 oktober 2015 zijn [betrokkene 1] en [medeverdachte] met zijn tweeën vertrokken. Zij zijn op 2 november 2015 in een hotel in Gaziantep nabij de grens van Turkije met Syrië geweest en zijn daarvandaan naar Syrië vertrokken. De verdachte is uiteindelijk op

13 november 2015 met het vliegtuig vanaf Istanbul terug naar Nederland gereisd. Deze feiten met betrekking tot de reisbewegingen van de verdachte, zijn broertje en zijn neef hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan. Dat [betrokkene 1] en [medeverdachte] zich in Syrië hebben aangesloten bij IS (waarover de rechtbank hierna meer zal overwegen) heeft evenmin ter discussie gestaan.

De vragen waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of bewezen kan worden dat de verdachte eveneens de reis naar Syrië wilde maken om zich aldaar aan te sluiten bij de gewelddadige jihadstrijd en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan:

 ( (medeplegen van) poging tot deelname aan IS, Jabhat Fatah al-Sham (voorheen: Jabhat al-Nusra) of al-Qaeda, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen (feit 1 primair);

 ( voorbereiding van (medeplegen van) deelname aan een dergelijke organisatie, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen (feit 1 subsidiair);

 ( (medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van terroristische misdrijven (feit 2).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Bij de beoordeling van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging zal de rechtbank, voor zover relevant, weergeven wat de officier van justitie ter onderbouwing heeft aangevoerd.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft hiertoe in het algemeen aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte naar Turkije is gereisd met het oogmerk om door te reizen naar Syrië om zich daar aan te sluiten bij één van de jihadistische strijdgroepen. Zelfs indien de verschillende handelingen kunnen worden bewezen, kunnen deze zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, niet leiden tot een bewezenverklaring van een poging tot deelname dan wel van voorbereiding van terroristische misdrijven, aldus de verdediging. Bij de beoordeling van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging zal de rechtbank, voor zover relevant, weergeven wat de verdediging ter onderbouwing heeft aangevoerd.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging25

4.4.1.

Inleiding

De rechtbank zal hieronder eerst beoordelen of de feitelijke handelingen, zoals deze aan de verdachte onder feit 1 primair en onder feit 2 zijn ten laste gelegd, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Indien dit het geval is, zal de rechtbank aansluitend hieraan beoordelen met welk oogmerk de verdachte de bewezenverklaarde handelingen heeft verricht.

4.4.2

Verweten handelingen onder feit 1 primair en onder feit 2: onderdelen A - E

De verdachte worden onder feit 1 primair, onderdelen A - E diverse feitelijke handelingen verweten die hij zou hebben verricht met het oogmerk om deel te nemen aan IS, Jabhat Fatah al-Sham (voorheen Jabhat Al-Nusra) of al-Qaeda, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen. Nu de verdachte niet in Syrië is geweest en vanuit Turkije weer is teruggevlogen naar Nederland, levert dit volgens de steller van de tenlastelegging een poging daartoe op. Onder feit 2, onderdelen A - E wordt de verdachte verweten dat hij deze handelingen (waarvan de onderdelen B - E overeenkomen met die opgenomen onder feit 1 primair) zou hebben verricht met het oogmerk om terroristische misdrijven voor te bereiden en/of te bevorderen (feit 2).

In de eerste plaats zou hij zich “het radicale extremistische gedachtegoed van de gewelddadige jihadstrijd” eigen hebben gemaakt (onderdeel A, feit 1 primair), dan wel samen met anderen hebben deelgenomen aan een airsoftactiviteit (onderdeel A, feit 2). Vervolgens zou hij één of meerdere vliegtickets voor een vlucht naar Turkije hebben geboekt (onderdeel B), kort voor zijn vertrek naar Turkije een totaalbedrag van € 2.340,- hebben opgenomen (onderdeel C), op de dag van vertrek naar Turkije een afscheidsbericht aan zijn ouders hebben geschreven waarin, kort gezegd, staat dat hij vertrekt om martelaar te worden en op het pad van God zijn leven te offeren, dat de training zes weken duurt, dat hij samen met zijn broeder en [medeverdachte] vertrekt, dat zij opletten/zichzelf verdedigen en waarin hij vraagt om vergiffenis en de zegen van zijn ouders (onderdeel D) en tenslotte zou hij het vliegtuig naar Turkije hebben genomen (onderdeel E). Gelet op de wijze van bespreking van deze feitelijke handelingen zullen de ten laste gelegde toevoegingen met betrekking tot de (door)reis naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of de gewelddadige jihadstrijd in Syrië bij de onderdelen B, C en E eerst bij de bespreking van het oogmerk van de verdachte aan de orde komen.

De rechtbank zal de onderdelen A - E in de tenlastelegging lezen zoals deze logischerwijs zijn bedoeld, te weten in chronologische volgorde.

Ten aanzien van onderdeel A, feit 1 primair, overweegt de rechtbank het volgende.

De opsteller van de tenlastelegging heeft kennelijk bedoeld dat de verdachte zich voor zijn vertrek naar Syrië en met het oogmerk om terroristische misdrijven te gaan plegen, is gaan verdiepen in het radicale extremistische gedachtegoed en het gedachtegoed zich met dat oogmerk eigen heeft gemaakt. Maar op deze wijze is het natuurlijk niet gegaan. De verdachte zal zich eerst het radicaal extremistische gedachtegoed moeten hebben eigen gemaakt en vervolgens zal het idee bij hem moeten hebben postgevat dat hij op grond van dit gedachtegoed verplicht was naar Syrië af te reizen om daar deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd. Er kan dus niet bewezen worden dat het oogmerk van de verdachte op het plegen van terroristische misdrijven al aanwezig was op het moment dat hij zich het radicale extremistische gedachtegoed zou hebben eigen heeft gemaakt. Op grond hiervan wordt de verdachte vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging. De rechtbank overweegt daarbij dat genoemd gedachtegoed, indien het bestaan daarvan kan worden bewezen, wel een rol kan spelen bij de (bewijsbaarheid) van de tenlastelegging. Bedoeld gedachtegoed kan immers dienen als inkleuring van de tenlastegelegde feitelijke handelingen.

Ten aanzien van onderdeel A, feit 2 overweegt de rechtbank het volgende.

De verdachte heeft verklaard dat hij op 9 oktober 2015 samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] en een groep anderen is gaan “airsoften”. Dit vindt bevestiging in het onderzoek van de politie.26 De rechtbank acht dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van onderdeel B overweegt de rechtbank het volgende.

Uit onderzoek is gebleken dat er op 27 oktober 2015 drie tickets voor een vlucht met Onur Air op 29 oktober 2015 van Amsterdam naar Istanbul Ataturk Airport en een (terug)vlucht met Onur Air op 13 november 2015 van Istanbul Ataturk Airport naar Amsterdam zijn geboekt. De tickets stonden op naam van [verdachte] , [betrokkene 1] en [medeverdachte] waarbij de tickets op naam van [verdachte] en [betrokkene 1] naar het [e-mailadres 1] waren gemaild en het ticket op naam van [medeverdachte] naar het
[e-mailadres 2] .27 De verdachte heeft verklaard dat hij samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] deze (retour)tickets heeft geboekt voor een vlucht naar Turkije. Ze hebben dit van tevoren besproken en [betrokkene 1] en [medeverdachte] hebben de verdachte telefonisch op de hoogte gesteld dat zij in een internetcafé tickets aan het zoeken waren en na overleg hebben zij deze geboekt.28 De rechtbank acht ook onderdeel B wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van onderdeel C overweegt de rechtbank het volgende.

Uit onderzoek naar het bankrekeningnummer dat op naam van de verdachte staat is gebleken dat de verdachte zowel op 27 oktober 2015 als op 28 oktober 2015 een geldbedrag van € 1000,- heeft opgenomen en dat hij op 29 oktober 2015 nog een geldbedrag van € 340,- heeft opgenomen.29 De verdachte heeft bevestigd dat hij voorafgaand aan de reis naar Turkije geld heeft opgenomen.30 De rechtbank acht dit onderdeel gelet hierop wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van onderdeel D overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de doorzoeking van de woning aan de [adres] te Den Haag, het adres van de ouders van verdachte, waar hij regelmatig verbleef31, is onder andere een iPhone 6 in beslag genomen.32 Met deze telefoon werd gebruik gemaakt van het [telefoonnummer]

.33 De verdachte heeft verklaard dat dit zijn telefoon en zijn telefoonnummer was.34 De verdachte heeft bovendien ten aanzien van de telefoon verklaard dat hij deze voor zijn vertrek naar Turkije heeft achtergelaten.35

In de map ‘Notities’ op de telefoon van de verdachte is een notitie aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat op 30 oktober 2015 een WhatsApp-gesprek plaatsvond tussen [betrokkene 2] , een neef van de verdachte, en [betrokkene 3] , de echtgenote van [betrokkene 1] . In dit gesprek werd de notitie op 30 oktober 2015 vanaf de telefoon van de verdachte, die op dat moment in Turkije was, door [betrokkene 3] naar [betrokkene 2] gestuurd. In dit gesprek schrijft [betrokkene 2] het volgende:

‘ [betrokkene 3] . Stuur die notitie ff naar mij. Kopie(e)r en plak. Niks bewerken’. [betrokkene 3] antwoordt met ‘Oke’ en verstuurde hierop het bericht naar [betrokkene 2] . Het bericht was in de Turkse taal en is vertaald door een beëdigde tolk. De inhoud van de notitie luidt als volgt:

“Vrede en genade van God zij met u mijn mooie moeder, ik ga/vertrek in sha Allah (als God het wil) om een martelaar te worden, om op het pad van God mijn leven op te offeren, ik ga met ziel, hebben en houwen. Maak je verder geen zorgen om mij mijn mooie moeder, bid alleen tot God en alles komt goed. Mijn (lieve) vader, jij hebt mij grootgebracht en een man van mij gemaakt, denk alsjeblieft niet dat ik jullie in de steek heb gelaten. God is met jullie. Bid voor mij en tot God want God verhoort, ziet en beloont. Jullie moeten niet treuren. We gaan inshallah zien/spreken. Ik ga jullie bellen. De training duurt 6 weken, maar zodra ik daar ben ga ik jullie bellen in sha allah. Houd je sterk vader. Ik hou heel veel van jullie. Ik ga/vertrek met mijn broeder en [medeverdachte] . Wij letten op/verdedigen onszelf, maar jullie geen zorgen. We gaan elkaar spoedig zien/spreken in sha allah. Geef mijn [koosnaam] (liefkozend voor [koosnaam] ) veel kusjes namens mij, de reden waarom ik ga, jullie moeten die foto’s in het album en die ayat (verzen uit de Koran) goed lezen. Ik vraag jullie om vergiffenis voor alles wat ik ongewild fout heb gedaan en vraag jullie zegen. We zullen elkaar nog zien/spreken. Vrede en genade van God zij met jullie”. 36

Uit het proces-verbaal van bevindingen aangaande onderzoek naar de herkomst van de notitie blijkt dat die notitie op 29 oktober 2015 om 10:05:35 uur is aangemaakt op de telefoon van de verdachte.37

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek naar de vraag of de notitie op de telefoon van de verdachte is aangemaakt onvolledig is geweest en dat de onderbouwing van de conclusie niet overtuigend is. De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de notitie heeft geschreven. Meerdere familieleden hadden immers toegang tot verdachtes telefoon en het kan dan ook niet worden uitgesloten dat een andere persoon dan de verdachte de notitie heeft geschreven.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank volgt de verdediging in deze niet en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de politie dat de notitie is aangemaakt op verdachtes telefoon. Deze conclusie is voldoende onderbouwd en volgt logisch uit de door de politie opgeschreven bevindingen. Aldus stelt de rechtbank vast dat de notitie is aangemaakt op de telefoon van de verdachte.

Gelet op de inhoud van de notitie, in het bijzonder de gedeeltes waarin wordt gerefereerd aan het vertrek met ‘mijn broeder en [medeverdachte] ’ en de verwijzingen naar de vader, moeder en zus [koosnaam] ( [koosnaam] ), is de rechtbank van oordeel dat de notitie afkomstig moet zijn van de verdachte of van zijn broer [betrokkene 1] . Dat een willekeurig familielid een dergelijke notitie zou hebben gemaakt, is gelet op de inhoud, volstrekt onaannemelijk.

De omstandigheden dat de notitie is aangemaakt op de iPhone 6 van de verdachte, die hij in gebruik had en die hij bij zijn vertrek naar Turkije heeft achtergelaten in de woning van zijn ouders en zus aan de [adres] , duiden er op dat de verdachte de tekst zelf heeft geschreven. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat [betrokkene 1] ook een telefoon in gebruik had. De rechtbank acht het volstrekt onlogisch dat [betrokkene 1] deze tekst niet op zijn eigen telefoon - die ook hij heeft achtergelaten - maar op de telefoon van de verdachte zou schrijven. Dit geldt temeer nu er geen afzender onder de notitie staat en het een notitie is waarin om vergeving en zegen wordt gevraagd. Er is geen enkele invoelbare of voorstelbare reden om aan te nemen dat [betrokkene 1] een dergelijke belangrijke afscheidsbrief op deze wijze zou hebben achtergelaten, waardoor er bij zijn ouders en zus gemakkelijk verwarring zou kunnen ontstaan wie de brief heeft geschreven.

Gelet op het voorgaande zijn er voor het alternatieve scenario dat niet de verdachte, maar zijn broer [betrokkene 1] de notitie zou hebben gemaakt alleen maar contra-indicaties en acht de rechtbank dit alternatieve scenario onaannemelijk. De rechtbank wordt bovendien gesterkt in haar overtuiging dat de verdachte deze notitie zelf heeft geschreven doordat hij later tegenover anderen uitlatingen doet die precies passen bij de inhoud van de notitie. Zo zegt hij tegen ene “ [betrokkene 4] ” dat het martelaarschap mooi is38 en tegen “ [betrokkene 5] ” (later geïdentificeerd als de vermoedelijk naar Syrië uitgereisde [betrokkene 5] ) dat hij “blij is” over het martelaarschap van [betrokkene 1]39. De rechtbank is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de tekst in de notitie heeft geschreven.

Ten aanzien van onderdeel E overweegt de rechtbank het volgende.

De verdachte heeft verklaard dat hij op 29 oktober 2015 samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] vanaf Schiphol naar Istanbul is gevlogen.40 De rechtbank acht onderdeel E eveneens wettig en overtuigend bewezen.

Tussenconclusie verweten handelingen

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten is verwezen, is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke handelingen in de onderdelen A (feit 2), B, C, D en E wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.4.3

Oogmerk

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden met welk oogmerk de verdachte deze gedragingen heeft verricht. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank leidt uit tekst en inhoud van het voormelde door de verdachte geschreven afscheidsbericht af dat hij samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] wilde afreizen naar een strijdgebied en het oogmerk had om deel te nemen aan de gewelddadige jihadstrijd. Immers, zo schrijft hij in het afscheidsbericht dat hij vertrekt ‘om een martelaar te worden, om op het pad van God mijn leven op te offeren’ en schrijft hij “de training duurt zes weken”.

Voor het bewijs dat de verdachte naar het strijdgebied van Syrië wilde gaan om zich daar aan te sluiten bij de jihadistische strijdgroep IS, neemt de rechtbank nog het volgende in aanmerking. De medereizigers [betrokkene 1] en [medeverdachte] zijn daadwerkelijk doorgereisd naar Syrië, hebben zich daar aangesloten bij IS en hebben deelgenomen aan de gewelddadige jihadstrijd. Dit blijkt uit de inhoud van verschillende gesprekken tussen familieleden die zijn afgeluisterd of op gegevensdragers zijn aangetroffen. Immers, in die gesprekken bevestigt [medeverdachte] dat hij in Syrië is aangekomen, wordt gezegd dat de profielnaam van [medeverdachte] is “een strijder die in islamitische staat woont”, zegt [medeverdachte] dat er sprake is van gevechten waar hij bij betrokken is en wordt duidelijk dat [betrokkene 1] is omgekomen in een vuurgevecht waar [medeverdachte] ook bij betrokken was.41 Bovendien zijn verschillende video’s en afbeeldingen aangetroffen, waaruit blijkt dat [betrokkene 1] en [medeverdachte] zich in Syrië bevonden.42 Ten slotte hebben de verdachte en onder andere zijn vader hier eveneens een verklaring over afgelegd.43 Deze bevindingen in samenhang bezien met de gezamenlijk ondernomen reis en de inhoud van de afscheidsnotitie, brengen de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich, net als [betrokkene 1] en [medeverdachte] , wilde aansluiten bij IS in Syrië. De rechtbank ziet in het dossier geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de verdachte zich wilde aansluiten bij een andere organisatie dan IS. Dit brengt mee dat de onderdelen B, C en E ook bewezen kunnen worden verklaard, voorzover zij betrekking hebben op de doorreis naar Syrië en/of zijn toekomstig verblijf aldaar en de gewelddadige jihadstrijd in Syrië.

Ten aanzien van het airsoften (onderdeel A, feit 2) overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank is van oordeel dat ook het airsoften is gedaan met het bovengenoemde oogmerk. Airsoften is een veldslagsimulatiesport waarbij gebruik wordt gemaakt van replica’s van bestaande wapens die moeilijk van echt te onderscheiden zijn en waarmee 6 mm grote biologisch afbreekbare balletjes worden verschoten.44 De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de andere deelnemers er ‘anders’ uitzagen: ze hadden een baard, lang haar en droegen een wijde djellaba. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij dit ziet als uitingen van een extreme moslim. Daarnaast werd er ook ‘Allahu akbar’ geroepen.45 Volgens informatie van de politie kunnen negen van de overige tien deelnemers aan het airsoften (naast de verdachte, [betrokkene 1] en [medeverdachte] ) in verband worden gebracht met radicalisering en terrorisme. Eén van hen zou in november 2015 zijn uitgereisd naar Syrië.46 Nu het airsoften op 9 oktober 2015 plaatsvond, derhalve korte tijd voor de reis naar Turkije eind oktober, is de rechtbank van oordeel dat het gezamenlijke airsoften niet anders bedoeld kan zijn dan als training voor de beoogde reis naar Syrië.

Verklaringen verdachte

De verklaringen van verdachte - kort gezegd - inhoudende dat hij met legale intenties naar Turkije is gereisd voor vakantie en dat [betrokkene 1] en [medeverdachte] hem eerst in Adana hebben verrast door aan te geven dat zij naar Syrië zouden doorreizen, worden door de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen weerlegd en behoeven daarom geen nadere bespreking.

4.4.4

Conclusie ten aanzien van feit 2

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde handelingen A tot en met E heeft verricht met het oogmerk om samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] af te reizen naar Syrië om zich daar aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep (IS) en deel te nemen aan de gewelddadige jihadstrijd, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van terroristische misdrijven. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor reeds onder 3.1 tot en met 3.4 heeft overwogen. Hieruit volgt dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van een jihadistische strijdgroep altijd het plegen van terroristische misdrijven inhoudt. De voorbereiding van de verdachte was daarom gericht op het plegen van terroristische misdrijven. Hierbij was bovendien sprake van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte, [betrokkene 1] en [medeverdachte] , dat dit medeplegen oplevert. Er was een gezamenlijk plan om zich met [betrokkene 1] en [medeverdachte] aan te sluiten bij IS, en hiervoor zijn gezamenlijk voorbereidingshandelingen verricht: het airsoften, het boeken van de tickets en het naar Turkije reizen.

Hoewel de voorbereidingshandelingen op zichzelf staand als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd, kan uit de combinatie van de handelingen, het doel van de handelingen en het oogmerk van de verdachte het oogmerk op de voorbereiding worden afgeleid. De bewezenverklaarde handelingen van de verdachte voldoen naar het oordeel van de rechtbank tevens aan - voormelde - vereisten van concreetheid als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr, nu vaststaat dat de verdachte het plan had opgevat om (1) aan het einde van zijn reis (2) in Syrië (3) als strijder deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd en in dat kader anderen te doden.47

4.4.5

Poging tot deelneming aan een terroristische criminele organisatie?

De rechtbank heeft vastgesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde handelingen B tot en met E heeft verricht met het oogmerk om samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] af te reizen naar Syrië om zich daar aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep (IS) en deel te nemen aan de gewelddadige jihadstrijd. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of ook kan worden bewezen dat de verdachte, al dan niet samen met anderen, door aldus te handelen, daadwerkelijk heeft gepoogd deel te nemen aan (één van) de ten laste gelegde organisaties, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie.

De rechtbank stelt voorop dat een poging strafbaar is wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Gedragingen zijn als een begin van uitvoering aan te merken als zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachtes voornemen om deel te nemen aan een terroristische criminele organisatie door een begin van uitvoering is geopenbaard. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte de reis naar Turkije heeft geboekt, geld heeft opgenomen, naar Istanbul is gereisd en van daaruit verder is gereisd naar Adana. Het ticket voor Adana is pas in Istanbul geboekt, wat past bij een door uitreizgers gehanteerde methode die bekend staat als ‘broken travel’. De verdachte heeft bovendien kort verbleven in Adana, waar [medeverdachte] contact heeft gehad met iemand van IS om door te reizen, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat op basis van de eventueel bewezenverklaarde handelingen hooguit kan worden gesteld dat de verdachte de bedoeling had om naar Syrië te reizen, maar dat dit voornemen onvoldoende is om te kunnen beschouwen als een begin van uitvoering en daarmee dus onvoldoende voor bewezenverklaring van een poging. De gedragingen staan te ver af van het gronddelict, nu de verdachte niet naar Syrië of Irak is gereisd. In dit verband heeft de verdediging verwezen naar het Grenswisselkantoor-arrest van de Hoge Raad van 8 september 1987.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het verrichten van de bewezenverklaarde handelingen, in het bijzonder de reis naar Istanbul en het daarvandaan doorreizen naar Adana (hetgeen overigens niet onder feit 1 primair is ten laste gelegd) onvoldoende is om te kunnen spreken van een zodanig handelen van de verdachte dat deze gedragingen als een begin van uitvoering van zijn voornemen kunnen worden aangemerkt. De handelingen dienen objectief te worden beoordeeld zonder hierbij het subjectieve oogmerk van de verdachte te betrekken.

De verdachte had het voornemen opgevat om samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] af te reizen naar Syrië om zich daar aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep (een terroristische criminele organisatie) en deel te nemen aan de gewelddadige jihadstrijd en daarmee dus terroristische misdrijven te plegen. Echter, niet kan worden gezegd dat de verdachte aan dat voorgenomen misdrijf een begin van uitvoering heeft gegeven. De verdachte heeft zich naar Turkije begeven, maar is - om welke reden dan ook - niet verder gereisd dan Adana. Deze verrichte handelingen kunnen, ook in combinatie met de overige bewezenverklaarde handelingen, los van de intenties waarmee deze zijn begaan, naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn, indien bijvoorbeeld uit het dossier zou blijken dat er in aanwezigheid van de verdachte concreet contact is geweest met een smokkelaar, afspraken zijn gemaakt met betrekking tot een tijd en een plaats om de grens over te steken of indien de verdachte daadwerkelijk zou zijn vervoerd naar de grens of een plaats nabij de grens, zoals bijvoorbeeld Gaziantep. Deze omstandigheden doen zich in onderhavige zaak niet voor. Niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] contact had met de smokkelaar waar de verdachte bij was, noch blijkt uit het dossier dat de verdachte daar op enige andere wijze van op de hoogte was.

De route van de verdachte past bij zijn voornemen om naar Syrië af te reizen. De provincie Adana grenst aan de provincie Hatay, die op haar beurt grenst aan de Syrische provincies Aleppo en Idlib, en zowel de provincie Hatay als de stad Adana worden genoemd als route om naar Syrië te reizen (zie het rapport [deskundige] van 14 april 2017, p. 97). IS had tussen september en december 2015 het gebied ten zuiden van de twee Turkse provincies Gaziantep en Kilis (ten oosten van Adana) in handen en de route om naar Syrië te reizen en zich aan te sluiten bij IS liep voornamelijk hierlangs (zie het rapport [deskundige] van 14 april 2017, p. 97-100). Hieraan kan echter niet de conclusie worden verbonden dat er sprake was van een begin van uitvoering.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

4.4.6

Verweten handelingen onder feit 1 subsidiair

De verdachte worden onder feit 1 subsidiair diverse handelingen verweten die hij ter voorbereiding zou hebben gepleegd om, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, deel te nemen aan IS, Jabhat Fatah al-Sham (voorheen: Jabhat Al-Nusra) of al-Qaeda, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen.

De verdachte zou ten behoeve van zijn reis naar en/of verblijf in een strijdgebied een of meer geldbedragen (1e gedachtestreepje) en/of een of meer warme kledingstukken (2e gedachtestreepje) hebben verworven en/of voorhanden gehad. Daarnaast zou de verdachte een vliegticket van Amsterdam naar Istanbul en/of van Istanbul naar Adana hebben verworven en/of voorhanden gehad (3e gedachtestreepje).

De drie gedachtestreepjes

Ten aanzien van het 1e gedachtestreepje overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals hierboven onder 4.4.2 met betrekking tot onderdeel C is overwogen heeft de verdachte kort voor de reis - in totaal - € 2.340,- van zijn rekening opgenomen en meegenomen naar Turkije. Dit onderdeel kan dan ook op grond van de aldaar genoemde bewijsmiddelen48 wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van het 2e gedachtestreepje overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank kan op basis van het onderzoek ter terechtzitting en het dossier niet vaststellen dat de verdachte warme kledingstukken heeft verworven of voorhanden gehad ten behoeve van zijn reis. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.

Ten aanzien van het 3e gedachtestreepje overweegt de rechtbank dat hierboven onder 4.4.2 met betrekking tot onderdeel B bewezen is verklaard dat de verdachte (samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] ) (retour)tickets heeft geboekt voor een vlucht naar Turkije en dat zijn ticket naar zijn mailadres is gestuurd.49 De verdachte heeft voorts verklaard dat hij samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] van Istanbul naar Adana is gevlogen en dat zij de tickets daarvoor in Istanbul hebben gekocht.50 De rechtbank acht dit onderdeel, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen.

4.4.7

Voorbereiding van deelname aan een terroristische criminele organisatie?

Met betrekking tot het oogmerk van de verdachte verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover reeds onder 4.4.3 heeft overwogen en de daarin gebezigde bewijsmiddelen, in combinatie met hetgeen is overwogen onder 4.4.2 ten aanzien van het afscheidsbericht op de iPhone van de verdachte. Gelet daarop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder het 1e en 3e gedachtestreepje ten laste gelegde handelingen onder feit 1 subsidiair heeft verricht met het oogmerk om samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] af te reizen naar Syrië om zich daar aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep (IS) en deel te nemen aan de gewelddadige jihadstrijd. Dat alles betekent dat eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van medeplegen van deelneming aan een terroristische criminele organisatie.

Hoewel de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen op zichzelf staand als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat ook hier geldt dat de verdachte - gelet op zijn oogmerk - de geldbedragen en de vliegtickets heeft verworven en voorhanden gehad ter voorbereiding op het zich samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] aansluiten bij IS. De voorbereiding van de verdachte was daarom gericht op een concreet misdrijf, te weten deelneming aan een terroristische criminele organisatie in Syrië. Hierbij was bovendien sprake van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte, [betrokkene 1] en [medeverdachte] , dat dit medeplegen oplevert. De verdachte heeft de voorbereidingshandelingen immers verricht met de uitvoering van hun gezamenlijke plan als doel: het met zijn drieën aansluiten bij IS.

4.5

De bewezenverklaring

De bewezenverklaring is opgenomen in bijlage II.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

voorbereiding van medeplegen van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van met het oogmerk om moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden zich gelegenheid en middelen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in het rapport van 23 juni 2017 geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod met verdachtes broertje [betrokkene 1] . De officier van justitie heeft verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, in het geval van een bewezenverklaring, kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het aantal dagen dat de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de feiten inmiddels bijna twee jaar geleden hebben plaatsgevonden, dat de verdachte pas anderhalf jaar later in voorlopige hechtenis is geplaatst en dat er in de tussentijd gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die voor de rest van zijn leven littekens bij hem zullen achterlaten. Daarnaast is de verdachte financieel verantwoordelijk voor heel het gezin, is hij first offender en hoeft niet voor herhaling te worden gevreesd. De verdediging heeft ten slotte aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest ook vanuit generaal preventief oogpunt passend is. Voor potentiële uitreizigers kan het helpen dat zij weten dat het loont om uiteindelijk af te zien van hun voorgenomen plannen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Strijd in Syrië

Zoals hiervoor in dit vonnis reeds kort is beschreven, heeft het regime van president al-Assad op uiterst gewelddadige wijze geprobeerd vreedzame protesten de kop in te drukken. Verzet tegen dit dictatoriale regime ontmoette dan ook in Nederland in brede kring sympathie. Dat geldt evenwel niet voor het deelnemen aan de gewapende strijd. De jihadistische strijdgroepen hebben naast het verjagen van het regime van president al-Assad ook tot doel het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden - christenen, joden, sjiieten, alawieten en ook niet fundamentalistische soennieten - op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze jihadistische strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan, zoals standrechtelijke executies, moord, marteling, deportatie, verminking en verkrachting van krijgsgevangenen en burgers. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Daarmee zijn het ontegenzeggelijk terroristische misdrijven.

Op Nederland rust de internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Zoals hiervoor overwogen is het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië een terroristisch misdrijf. Terroristische misdrijven worden - ook internationaal - gezien als één van de ernstigste misdrijven die er zijn. Het afreizen naar Syrië met het doel om dergelijke misdrijven te begaan, moet daarom ontmoedigd worden.

Handelen verdachte

De jihadistische strijdgroepen in Syrië maken zich op grootschalige en systematische wijze schuldig aan gruwelijke terroristische misdrijven. Gezien de organisatiestructuren en vele strijders van deze groepen, hun werkwijzen en talloze slachtoffers lijkt het predicaat ‘terroristische criminele organisatie’ voor deze groepen geschreven. De verdachte wilde samen met zijn broertje en zijn neef naar Syrië afreizen om zich daar aan te sluiten bij een dergelijke jihadistische strijdgroep en aldus deel te nemen aan een terroristische criminele organisatie. De rechtbank neemt dit de verdachte bijzonder kwalijk. In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank evenwel ook in aanmerking dat de verdachte - naar het ervoor moet worden gehouden - zelf zijn reis in Adana heeft afgebroken.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad van de verdachte van 16 februari 2017 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft eveneens kennis genomen van het (beknopte) reclasseringsadvies van

15 mei 2017 en het reclasseringsadvies van 23 juni 2017. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een locatieverbod rondom de landsgrenzen en de internationale luchthavens (te monitoren middels GPS controle) en een contactverbod met [betrokkene 1] en [medeverdachte] . Daarnaast wordt als bijzondere voorwaarde geadviseerd dat de verdachte - indien de reclassering dit noodzakelijk acht - meewerkt aan contact met een externe deskundige op het gebied van transculturele problematiek/theologie en aan de gedragsinterventie SOLO, een individuele training door de reclassering, gericht op denkpatronen en -vaardigheden. Hoewel de reclassering geen inschatting kan maken van het recidiverisico, adviseert zij ten slotte de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dit omdat er nog veel vragen onbeantwoord blijven wat - zo begrijpt de rechtbank - op zichzelf een risico met zich brengt.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard zich te zullen houden aan eventueel op te leggen voorwaarden.

Straf en bijzondere voorwaarden

In het licht van de ernst van de feiten dient van de strafoplegging in deze zaak een duidelijk signaal van afschrikking uit te gaan aan anderen die voornemens zijn naar Syrië af te reizen om zich daar aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom slechts worden volstaan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Voor een mislukte uitreis naar Syrië of Irak neemt de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van vierentwintig maanden als uitgangspunt. De omstandigheid dat de verdachte zich kennelijk op enig moment heeft bedacht en uit zichzelf de reis naar Syrië heeft afgeblazen en niet is tegengehouden door de autoriteiten, geeft de rechtbank aanleiding om het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf enigszins te matigen. Die matiging kan echter niet zover gaan dat uitsluitend met een onvoorwaardelijk strafdeel dat gelijk is aan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd kan worden volstaan. De rechtbank weegt voorts mee dat het onbekend is of, en zo ja, welk geweld tegen mensenlevens (of dreiging daarmee) de verdachte tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd, als het zo ver was gekomen, daadwerkelijk zou hebben gepleegd. Alles afwegende en mede omdat de rechtbank in tegenstelling tot de officier van justitie niet komt tot een bewezenverklaring van de poging tot deelname, komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van een aanzienlijk kortere duur dan de officier van justitie heeft geëist.

Ook de rechtbank ziet de noodzaak van toezicht en begeleiding van de reclassering om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw aan dit soort feiten schuldig zal maken. De rechtbank zal daarom een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod met verdachtes broertje, nu het aannemelijk is dat deze inmiddels is overleden. De rechtbank zal hieraan een proeftijd van drie jaren verbinden.

De rechtbank ziet geen aanleiding de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren, nu onvoldoende gebleken is van een concrete kans op herhaling.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 46, 47, 57, 83, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, 289 en 289a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

voorbereiding van medeplegen van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van met het oogmerk om moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden zich gelegenheid en middelen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, en daarna op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de grensstreken van Nederland met de omringende buurlanden en op de Nederlandse vliegvelden met internationale vluchten (Schiphol, Rotterdam-The Hague, Maastricht-Aachen, Eindhoven en Groningen-Eelde), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen - direct of indirect - met [medeverdachte] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan contact met een externe deskundige op het gebied van transculturele problematiek/theologie, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie SOLO, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de reclassering aan hem worden gegeven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E. Bierling, voorzitter,

mr. J.A. van Steen, rechter,

mr. R.E. Perquin, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juli 2017.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 te Den Haag en/of Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of (elders) in Nederland en/of te Turkije, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om deel te nemen aan een organisatie, te weten

Islamic State (IS) en/of Jabhat Fatah al-Sham (voorheen: Jabhat al-Nusra) en/of Al Qaida, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een) organisatie(s) die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, welke organisatie(s) tot oogmerk heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten:

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven zoals bedoeld in artikel 176a en/of 176b en/of 289a en/of 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht en/of

-het voorhanden hebben van één of meer wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van Wet Wapens en Munitie),

immers heeft hij, verdachte,

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewelddadige Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisaties Islamic State (IS) en/of Jabhat Fatah al-Sham (voorheen: Jabhat al-Nusra) en/of Al Qaida, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, (verder) eigen gemaakt, en/of

B. een of meerdere vliegticket(s) voor een vlucht naar Turkije geboekt/laten boeken, ten behoeve van de (door)reis naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

C. kort voor zijn, verdachtes, vertrek naar Turkije grote contante geldbedragen opgenomen van zijn, verdachtes, bankrekening (te weten een totaal bedrag van ongeveer 2340 euro) ten behoeve van de hierna te noemen reis naar Turkije en/of Syrië en/of Irak en/of zijn, verdachtes, (toekomstig) verblijf in Syrië en/of Irak ten behoeve van de gewelddadige Jihadstrijd en/of

D. op de dag van vertrek naar Turkije een afscheidsbericht geschreven/getypt, gericht aan zijn ouders, waarin wordt geschreven – zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, vertrekt om martelaar te worden en/of om op het pad van God zijn leven te offeren en/of dat de training 6 weken duurt en/of dat hij samen met zijn broeder en [medeverdachte] vertrekt en/of dat zij opletten/zichzelf verdedigen en/of vraagt om vergiffenis en de zegen van zijn ouders en/of

E. vanaf Schiphol/Amsterdam het vliegtuig naar Turkije genomen, ten behoeve van het zich vervolgens begeven naar de gewelddadige jihadstrijd in Syrië en/of Irak,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 te Den Haag en/of Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland en/of in Turkije,

ter voorbereiding van een tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,

te weten het deelnemen aan een organisatie, Islamic State (IS) en/of Jabhat Fatah al-Sham (voorheen: Jabhat al-Nusra) en/of Al Qaida, althans een aan IS en/of Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een) organisatie(s),

welke organisatie tot het oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven:

te weten:

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven zoals bedoeld in artikel 176a en/of 176b en/of 289a en/of 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht en/of

-het voorhanden hebben van één of meer wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van Wet Wapens en Munitie),

(telkens) opzettelijk voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of ruimten en/of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of vervaardigt en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

  • -

    een of meer geldbedragen verworven en/of voorhanden gehad ten behoeve van zijn reis naar en/of verblijf in een strijdgebied en/of

  • -

    een of meer warme kledingstukken verworven en/of voorhanden gehad ten behoeve van zijn reis naar en/of verblijf in een strijdgebied en/of

  • -

    een vliegticket van Amsterdam naar Istanbul en/of van Istanbul naar Adana verworven en/of voorhanden gehad;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 te Den Haag en/of Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of (elders) in Nederland en/of te Turkije, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van de/het misdrij(f)(ven) aan zich of aan anderen heeft verschaft en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van de/het misdrij(f)(ven)

immers heeft hij, verdachte, al dan niet tezamen met zijn medeverdachte(n):

A. samen met anderen deelgenomen aan een airsoft activiteit en/of

B. een of meerdere vliegticket(s) voor een vlucht naar Turkije geboekt/laten boeken, ten behoeve van de (door)reis naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

C. kort voor zijn, verdachtes, vertrek naar Turkije grote contante geldbedragen opgenomen van zijn, verdachtes, bankrekening (te weten een totaal bedrag van ongeveer 2340 euro) ten behoeve van de hierna te noemen reis naar Turkije en/of Syrië en/of Irak en/of zijn, verdachtes, (toekomstig) verblijf in Syrië en/of Irak ten behoeve van de gewelddadige Jihadstrijd en/of

D. op de dag van vertrek naar Turkije een afscheidsbericht geschreven/getypt, gericht aan zijn ouders, waarin wordt geschreven - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, vertrekt om martelaar te worden en/of om op het pad van God zijn leven te offeren en/of dat de training 6 weken duurt en/of dat hij samen met zijn broeder en [medeverdachte] vertrekt en/of dat zij opletten/zichzelf verdedigen en/of vraagt om vergiffenis en de zegen van zijn ouders en/of

E. vanaf Schiphol/Amsterdam het vliegtuig naar Turkije genomen, ten behoeve van het zich vervolgens begeven naar de gewelddadige jihadstrijd in Syrië en/of Irak,

in welke strijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk.

Bijlage II: De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1. subsidiair.

dat hij in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 in Nederland en in Turkije,

ter voorbereiding van een tezamen en in vereniging met anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,

te weten het deelnemen aan een organisatie, Islamic State (IS),

welke organisatie tot het oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven:

te weten:

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven zoals bedoeld in artikel 176a en/of 176b en/of 289a en/of 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht en/of

-het voorhanden hebben van één of meer wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van Wet Wapens en Munitie),

opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en voorhanden heeft gehad,

immers heeft verdachte:

  • -

    geldbedragen verworven en voorhanden gehad ten behoeve van zijn reis naar en verblijf in een strijdgebied en

  • -

    een vliegticket van Amsterdam naar Istanbul en van Istanbul naar Adana verworven en voorhanden gehad;

2.

hij in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 in Nederland en Turkije, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om ter voorbereiding van de te plegen misdrijven omschreven in artikel 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- gelegenheid en middelen tot het plegen van de misdrijven aan zich of aan anderen heeft verschaft en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van de misdrijven

immers heeft hij, verdachte, al dan niet tezamen met zijn medeverdachten:

A. samen met anderen deelgenomen aan een airsoft activiteit en

B. vliegtickets voor een vlucht naar Turkije geboekt, ten behoeve van de doorreis naar het strijdgebied in Syrië en

C. kort voor zijn, verdachtes, vertrek naar Turkije grote contante geldbedragen opgenomen van zijn, verdachtes, bankrekening (te weten een totaal bedrag van ongeveer 2340 euro) ten behoeve van de hierna te noemen reis naar Turkije en Syrië en zijn, verdachtes, toekomstig verblijf in Syrië ten behoeve van de gewelddadige Jihadstrijd en

D. op de dag van vertrek naar Turkije een afscheidsbericht geschreven, gericht aan zijn ouders, waarin wordt geschreven - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, vertrekt om martelaar te worden en om op het pad van God zijn leven te offeren en dat de training 6 weken duurt en dat hij samen met zijn broeder en [medeverdachte] vertrekt en dat zij opletten/zichzelf verdedigen en vraagt om vergiffenis en de zegen van zijn ouders en

E. vanaf Schiphol/Amsterdam het vliegtuig naar Turkije genomen, ten behoeve van het zich vervolgens begeven naar de gewelddadige jihadstrijd in Syrië,

in welke strijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk.

1 Voor een uitgebreide beschrijving van de ontwikkelingen in Syrië, zie rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), hoofdstuk 6.

2 Getiteld ‘Van opstand naar jihad, (Jihadi-)Salafistische groepen en de strijd in Syrië en Irak’, versie van 14 april 2017.

3 [deskundige] , april 2017, p. 14.

4 Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Human Rights Council van de Verenigde Naties (IICIS), 8th Report d.d. 13 augustus 2014.

5 [deskundige] , april 2017, para 2.4.1; [deskundige] , april 2017, paras. 4.1.2 en 4.2.6.

6 Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Human Rights Council van de Verenigde Naties (IICIS), 8th Report d.d. 13 augustus 2014 en [deskundige] , april 2017 paras. 4.1.11 en 4.2.12.

7 IICIS omschrijft dit in een Oral Update op 18 maart 2014 als “imposing their radical ideologies on the civilian population”, zie [deskundige] , april 2017, para. 4.2.6 blz. 154.

8 Rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:RBDHA:2015:14365 (Context), hoofdstuk 18.

9 ECLI:NL:HR:2010:BK5193, r.o. 4.3.

10 ECLI:NL:HR:2007:BA0502, r.o. 3.4.

11 ECLI:NL:GHDHA:2015:1082, r.o. 10.6.1.1.2.

12 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 463, nr. 3, p. 9.

13 HR 6 oktober 1992 NJ 1993, 100 en HR 8 mei 1978 NJ 1978, 314.

14 ECLI:NL:GHDHA:2015:1082, r.o. 10.6.1.1.2.

15 ECLI:NL:HR:2007:BA0502, r.o. 3.4.

16 United Nations Human Rights Council, Third report of the Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic, U.N. Doc. A/HRC/21/50 (16 August 2012); ICRC, Syria: ICRC and Syrian Arab Red Crescent maintain aid effort amid increased fighting, 17 juli 2012.

17 Jabhat Fatah al-Sham (toen nog Jabhat al Nusra) is op 30 mei 2013 en 29 mei 2014 op respectievelijk de VN sanctielijst en de EU sanctielijst geplaatst; IS (toen nog ISIL) is op 30 mei 2013 en 1 juli 2013 op respectievelijk de VN sanctielijst en de EU sanctielijst geplaatst, zie [deskundige] , 14 april 2017, p. 134 en 206.

18 [deskundige] , 14 april 2017, paras. 4.1.8 en 4.2.5.

19 ECLI:NL:HR:2015:264, r.o. 4.3.

20 HR 3 juli 2012 LNJ BW5132, r.o. 2.2.3 en 2.4.

21 Zie: artikel 140a, derde lid Sr jo. 140, vierde lid Sr.

22 HR 8 oktober 2002 NJ 2003, 64 r.o. 3.3.

23 Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416, r.o. 3.4 en 3.5 (vgl. ook ECLI:NL:HR:2002:AE4200 en ECLI:NL:HR:2014:179).

24 Zie ook rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), r.o. 15.6 t/m 15.9.

25 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2016167138 (onderzoek NEVEUX/DH1R016035), van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 1843).

26 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1827; proces-verbaal van bevindingen, p. 1159 t/m 1162, met bijlages (p. 1163 t/m 1193).

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 93 en 94, met bijlage (p. 95 t/m 101).

28 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1750; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1826.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 533 en 534.

30 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1826 en 1827.

31 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017.

32 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1402 en 1403.

33 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1265 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1276.

34 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1754; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1825.

35 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017.

36 Proces-verbaal van bevindingen, p. 507 en 508, met bijlagen (p. 509 t/m 512).

37 Proces-verbaal van onderzoek, p. 513 t/m 516.

38 Proces-verbaal van bevindingen p. 857 en 858, met bijlagen, in het bijzonder p. 860.

39 Proces-verbaal van bevindingen p. 493 t/m 495, met bijlagen, in het bijzonder p. 496.

40 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1748.

41 Proces-verbaal van bevindingen, p. 72 en 73, met bijlagen, in het bijzonder de bijlagen op p. 78 en 79; proces-verbaal van bevindingen p. 376 t/m 378, met bijlagen (p. 379 t/m 471); proces-verbaal van bevindingen, p. 1194 en 1195, met bijlagen (p. 1196 t/m 1239) en proces-verbaal van bevindingen, p. 1295 en 1296, met bijlagen (p. 1297 t/m 1328).

42 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1194 en 1195, met bijlagen (p. 1196 t/m 1239); proces-verbaal van bevindingen, p. 1295 en 1296, met bijlagen (p. 1297 t/m 1328) en proces-verbaal van bevindingen p. 1125 t/m 1127 met bijlagen (p. 1128 t/m 1133).

43 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017; proces-verbaal van verhoor [betrokkene 2] , p. 1578 t/m 1581.

44 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1259.

45 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017.

46 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1240 t/m 1244.

47 Vgl. ECLI:NL:HR:2017:416.

48 Zie proces-verbaal van bevindingen, p. 533 en 534; verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1826 en 1827.

49 Zie proces-verbaal van bevindingen, p. 93 en 94, met bijlage (p. 95 t/m 101); verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1750; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1826.

50 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2017; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1748.