Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7494

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
09-755080-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt verdachten vrij van mensenhandel en financiële uitbuiting en fraude

Drie bewoners van een woonwagenkamp in Delft en twee anderen zijn door de rechtbank vrijgesproken van mensenhandel, financiële uitbuiting en oplichting.

Wat was de verdenking?

Het Openbaar Ministerie verdacht de vijf ervan een 53-jarige man financieel te hebben uitgekleed. De man werd in december 2013 onder vervuilde omstandigheden aangetroffen in het kamp in Delft. Zijn bankrekeningen waren leeg, en zijn woning en een stuk grasland bleken te zijn verkocht.

De verdachten zouden hebben geprofiteerd van de kwetsbaarheid van de minder intelligente man en hem zo tot het verkopen van zijn woning en land hebben aangezet.

Oordeel rechtbank

De rechtbank vindt dit scenario van het Openbaar Ministerie echter niet bewezen.

De man heeft volgens de rechtbank niet goed en consequent uitgelegd wat er precies volgens hem is gebeurd, wat zijn rol daarin is geweest en wat hij zelf heeft gewild. Niet duidelijk is verder of de man, toen dit allemaal zou zijn gebeurd, wel kwetsbaar was en of verdachten dit toen wisten of konden weten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de man, tot hij op het kampje ging wonen, vrijwel alles zelfstandig deed en alleen wat praktische hulp kreeg van bekenden. Hij had ook gewoon werk, ging op (verre) vakanties en stond niet onder bewind.

Het is voor de rechtbank duidelijk dat de man er (financieel) erg slecht van is geworden, maar de rechtbank concludeert bij gebrek aan voldoende bewijs dat de verdachten daarin een strafrechtelijk verwijtbaar aandeel hebben gehad. Voor een schadevergoeding voor de man is dan ook geen ruimte.

Wel werd een van de verdachten veroordeeld voor valsheid in geschrift, een andere verdachte voor het hebben van munitie. Omdat de beide mannen al zo lang op een beslissing van de rechtbank hebben moeten wachten en ook nog een tijd hebben vastgezeten, legde de rechtbank hun echter geen straf meer op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/755080-14

Datum uitspraak: 7 juli 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[voornaam] [verdachte] ,

[geboortedatum] 1969 [geboorteplaats] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Deze strafzaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten A.C. [medeverdachte 1] (parketnummer 09/767301-14), [medeverdachte 2] (parketnummer 09/767302-14), J. [medeverdachte 3] (parketnummer 09/755078-14) en L.C. [medeverdachte 4] (parketnummer 09/755079-14).

De verdachten zullen hierna allen (ook) met hun achternaam worden aangeduid.

De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op

  • -

    16 juni 2017: horen van getuige-deskundige D. van Etten en de behandeling van het dossier;

  • -

    20 juni 2017: het verhoor van [getuige] , behandeling van de persoonlijke omstandigheden van de verdachten, behandeling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , de uitoefening van het spreekrecht van [benadeelde] en het requisitoir van de officier van justitie;

  • -

    22 juni 2017: pleidooi in de zaken van verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , re- en dupliek in de zaken van verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en het laatste woord van de hiervoor genoemde verdachten;

  • -

    23 juni 2017: pleidooi in de zaak van verdachte [medeverdachte 1] , re- en dupliek in de zaak van verdachte [medeverdachte 1] en sluiten van het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.P.E. van de Rivière en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. H. Weisfelt, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Wat de verdachte wordt verweten is omschreven in de (deels gewijzigde) tenlastelegging, die als bijlage I onderdeel uitmaakt van dit vonnis. De beschuldigingen komen kort samengevat op het volgende neer:

  1. het medio 2012-2013 (medeplegen) van mensenhandel van [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ), waarbij verdachte in het bijzonder wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen zoals genoemd in artikel 273f Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onder lid 1 sub 1, 4 en 6;

  2. het medio 2012-2013 tezamen en in vereniging met andere(n) oplichten van [benadeelde] door hem zijn woning aan de [adres 2] 99 te Delft en zijn perceel land aan de [adres 3] te Nootdorp onder de marktwaarde te laten verkopen;

  3. het (medeplegen van) verduistering van een bedrag van ongeveer € 40.000, subsidiair als diefstal ten laste gelegd;

  4. het (medeplegen) van valsheid in geschrift;

  5. het (medeplegen van) oplichting van de Rabobank Zuid-Holland-Midden.

3. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de feiten 4 en 5

3.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zake van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit. De raadsman heeft – kort samengevat – betoogd dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel nu verdachte wel voor deze feiten wordt vervolgd en [benadeelde] niet. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat er op grond van artikel 63 Sr geen ruimte meer is voor bestraffing. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde aangevoerd dat geen redelijk doel is gediend met vervolging nu de Rabobank geen aangifte heeft gedaan.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien hiervan op het standpunt gesteld dat de persoon van verdachte in zijn geheel niet kan worden vergeleken met de persoon van [benadeelde] en dat er aldus geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat artikel 63 Sr de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet raakt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het OM de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan dient marginaal en terughoudend te worden getoetst.

De rechtbank overweegt verder dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om verdachte wel te vervolgen en [benadeelde] niet, geen schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. In het stadium dat het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen om tot vervolging van verdachte over te gaan, is [benadeelde] immers aangemerkt als slachtoffer, zodat reeds daarom al niet gesproken kan worden van gelijke gevallen. Het standpunt van de raadsman dat aangifte noodzakelijk is om tot vervolging van een strafbaar feit over te gaan vindt geen steun in het recht en kan dus niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Tot slot overweegt de rechtbank dat de eventuele toepasselijkheid van artikel 63 Sr evenmin van belang is voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie worden dus verworpen.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 18 december 2013 heeft de politie in het kader van het onderzoek ‘Delft 1447’ een inval gedaan op het woonwagenkamp op [adres 4] Delft. Tijdens deze doorzoeking is in de woonwagen met nummer 12 onder vervuilde en verwaarloosde omstandigheden een man, naar later bleek aangever [benadeelde] , aangetroffen. Naar aanleiding van de informatie van onder meer de wijkagent is vervolgens een onderzoek gestart onder de naam ‘Tokkeh14’. Gedurende dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [benadeelde] tijdens zijn verblijf op het woonwagenkamp, waar [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (ook) wonen, (financieel) is uitgebuit. Dit vermoeden is gebaseerd op de veronderstelling dat de woning van [benadeelde] voor een ‘belachelijk laag’ bedrag is verkocht aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] , terwijl [benadeelde] niets wist van een verkoop en dacht dat hij een lening op zijn huis had afgesloten. Hetzelfde wordt verondersteld met betrekking tot een aan [benadeelde] toebehorend stukje land. Daarnaast zou de bankrekening van [benadeelde] ‘geplunderd’ zijn door het opnemen of overschrijven van grote bedragen van zijn bankrekening. [benadeelde] zelf wordt verstandelijk beperkt genoemd. Uit nader onderzoek bleek dat een vrouw genaamd M.S. [naam] (hierna: [naam] ), al in januari 2013 melding heeft gedaan dat zij al maanden niets van [benadeelde] had vernomen.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of sprake is van (het oogmerk van financiële) uitbuiting van [benadeelde] . Wanneer die vraag bevestigend wordt beantwoord, is de volgende vraag of verdachte, samen met medeverdachte(n), zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel en of hij heeft geprofiteerd van die uitbuiting. Los daarvan dient de vraag te worden beantwoord of verdachte, samen met medeverdachte(n), [benadeelde] heeft opgelicht door behulpzaam te zijn bij de verkoop van de woning en het stuk land van [benadeelde] .

Verder dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte zich wederrechtelijk heeft verrijkt ten nadele van [benadeelde] en of hij zich samen met medeverdachte(n), schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift van salarisstroken, een arbeidscontract en ontvangstbewijzen van loon. En tot slot of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de Rabobank.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, zoals verwoord in zijn schriftelijke requisitoir, gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren de onder 1 (voor zover dit ziet op sub a, b in de vorm van dienstverlening en c), 2, 3 primair (met uitzondering van het onderdeel ‘in vereniging’), 4 en 5 ten laste gelegde feiten. Voor het overige heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

De officier van justitie heeft daartoe – samengevat – onder meer betoogd dat de bewegingsvrijheid van [benadeelde] op het kamp waar hij woonde, sterk beperkt was en dat [benadeelde] verantwoording moest afleggen en toestemming moest vragen voor bewegingsvrijheid. [benadeelde] , die een kenbare verstandelijke beperking heeft, is langzaam maar zeker in een positie gemanoeuvreerd waarbij hij volledig onder controle werd gehouden en afhankelijk was. Onder die omstandigheden is [benadeelde] wijsgemaakt dat hij samen met medeverdachte [verdachte] een bedrijf zou beginnen en dat [benadeelde] daarvoor geld moest investeren. Medeverdachte [medeverdachte 1] , die volgens de officier van justitie contacten onderhield met zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 3] , heeft vervolgens zowel het huis als het stukje grasland van [benadeelde] te koop aangeboden voor een veel te laag bedrag. [benadeelde] is vervolgens onder druk gezet om bij de notaris voor de verkoop te tekenen. Verdachte heeft samen met medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bij dit alles een belangrijke rol gespeeld. Medeplegen van oplichting kan dan ook bewezen worden. Daarnaast heeft verdachte een bedrag van ongeveer € 40.000 verduisterd van [benadeelde] . [benadeelde] heeft zijn geld aan verdachte gegeven terwijl hij dacht investeringen te doen in het nog op te starten bedrijf. Deze verklaring van [benadeelde] acht de officier van justitie veel aannemelijker nu verdachte niet kan verklaren waar hij het geld aan heeft uitgegeven.

Met betrekking tot de (valse) salarisstroken, het arbeidscontract en de ontvangstbewijzen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte deze samen met medeverdachte [medeverdachte 2] heeft opgesteld en ondertekend. Niet is gebleken dat [benadeelde] ooit in dienst is geweest bij het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 2] , dat door verdachte gerund werd. Verdachte heeft vervolgens met de vals opgemaakte stukken op naam van [benadeelde] een lening aangevraagd bij de Rabobank.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig de overgelegde pleitnota – integrale vrijspraak bepleit nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd:

  • -

    de verklaringen van [benadeelde] kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat deze onvoldoende betrouwbaar zijn. De inhoud van de verklaringen is innerlijk tegenstrijdig en in strijd met feitelijke gebeurtenissen. Bovendien zijn de verklaringen van [benadeelde] vaak het enige bewijsmiddel;

  • -

    van (financiële) uitbuiting zoals bedoeld in artikel 273f Sr was geen sprake aangezien uit niets blijkt dat [benadeelde] werd gedwongen om op het woonwagenkamp te verblijven, daar te werken en dat hij werd gedwongen om leningen af te sluiten en zijn woning en land te verkopen; het tegenovergestelde was juist aan de orde;

  • -

    Van enige betrokkenheid van verdachte bij de verkoop van de woning en de grond is niet gebleken.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Algemene overwegingen

De persoon van aangever [benadeelde]

In het onderzoek Tokkeh14 wordt een centrale plaats ingenomen door de verklaringen van [benadeelde] , de mate van de verstandelijke beperking van [benadeelde] en de mate van kenbaarheid hiervan bij de verdachten.

Door D. van Etten, orthopedagoog werkzaam bij de stichting MEE, is in 2014 twee keer onderzoek gedaan naar het niveau van functioneren van [benadeelde] . Uit dit onderzoek is gebleken dat bij [benadeelde] sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel. Dat wil zeggen dat er geen betrouwbaar totaal IQ kan worden vastgesteld. Indicatief wordt echter aangegeven dat [benadeelde] functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Van Etten is van mening dat het intelligentieprofiel van [benadeelde] van invloed is op zijn dagelijks functioneren. Zo heeft [benadeelde] moeite met het begrijpen van (ingewikkelde) taal, maar kan hij zich waar het gaat om (eenvoudige) praktische zaken voldoende redden. Daarnaast lijkt [benadeelde] moeite te hebben met het inschatten van de intenties van anderen, wat hem enerzijds beïnvloedbaar en anderzijds wantrouwend maakt. Met zekerheid kan worden gesteld dat [benadeelde] nu (lees: anno 2014) niet in staat is om te voldoen aan alle eisen die het dagelijks leven aan hem stelt, aldus Van Etten.

Uit het intakeformulier van GGZ Delfland van 20 augustus 2014 blijkt dat [benadeelde] moeite heeft met organiseren van huishoudelijke en administratieve taken, dat hij een verstandelijke beperking en een posttraumatische stressstoornis heeft.

Door verschillende buurtbewoners van de [adres 2] te Pijnacker en familieleden van [benadeelde] is onder meer verklaard dat [benadeelde] leefde als een verzamelaar in zijn eigen woning, dat zijn woning hierdoor een grote rommel was en niet bewoonbaar. Door een aantal buurtbewoners wordt [benadeelde] omschreven als een eenling, ‘malle pietje’, ‘gekke jan’, een bijzondere man en iemand met het verstand van een klein kind.

Anderzijds blijkt uit het dossier inhoudende dat [benadeelde] voorafgaand aan de periode die hij op het woonwagenkamp heeft gewoond, lange tijd, vanaf 1991, zijn eigen huishouden heeft gerund. [benadeelde] heeft de woning gekocht met hulp van zijn ouders en heeft stappen ondernomen om de woning hierna samen met zijn vader op te knappen. Ook ging [benadeelde] regelmatig op vakantie, reed hij zelfstandig in een (vracht)auto en is hij tot de periode dat hij op het woonwagenkamp ging wonen in staat geweest om normale werkzaamheden in dienstbetrekking te verrichten. Uit de verklaring van [naam] blijkt dat hij, met enige hulp, zelfstandig zijn administratie voerde. Pas in juli 2016 is [benadeelde] onder bewind gesteld. Voor deze datum kwam [benadeelde] niet voor in het curatele- of bewind register en was hij niet bekend bij hulpverleningsinstanties.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [benadeelde] in de periode dat hij onderzocht is door stichting MEE en GGZ Delfland en dat hij onder bewind is gesteld, kan worden omschreven als een kwetsbaar persoon. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende objectieve bewijsmiddelen om vast te kunnen stellen dat hiervan ook sprake is geweest in de ten laste gelegde periode. De verklaring van Van Etten, ter terechtzitting als deskundige gehoord, heeft hierin geen nader inzicht gegeven. Het feit dat [benadeelde] volgens Van Etten functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau, en dat [benadeelde] door enkele getuigen wordt omschreven als ‘malle pietje’ en ‘gekke jan’ maakt dit niet anders.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde]

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen afgelegd door [benadeelde] niet als redengevend bewijs kunnen worden gebruikt. [benadeelde] heeft dermate wisselende en niet consistente – soms ook op onderdelen tegenstrijdige – verklaringen afgelegd dat aan zijn verklaringen geen zelfstandige bewijswaarde kan worden gehecht. Zo heeft [benadeelde] niet consistent verklaard over of hij na de inval van de politie nog op het woonwagenkamp is geweest. Ook heeft hij wisselend verklaard over het afsluiten van een lening en het al dan niet cash ontvangen van een bedrag van de notaris. Daarnaast verklaarde [benadeelde] wisselend over het al dan niet tekenen van stukken, over het opnemen van grote bedragen van zijn rekening, over door wie en wanneer het contante geld is opgenomen en over zijn aanwezigheid bij bepaalde gebeurtenissen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de sinds 2014 verkregen informatie over het functioneren van [benadeelde] onvoldoende redengevend is om deze wisselende en niet consistente verklaringen te kunnen verklaren. Deze conclusie brengt mee dat voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten niet de verklaringen van [benadeelde] als uitgangspunt kunnen en zullen worden genomen, maar dat er voldoende objectief (steun)bewijs is vereist dat specifiek ziet op de rol van verdachte. Bij het ontbreken daarvan zal naar het oordeel van de rechtbank het bewijs niet zijn geleverd, zodat vrijspraak zal moeten volgen. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen hierna volgt, geen reden om [benadeelde] (nader) als getuige te horen.

In het licht van het voorgaande heeft de rechtbank de ten laste gelegde feiten beoordeeld. Gelet op de aanname van het Openbaar Ministerie dat de (financiële) uitbuiting onder meer zou hebben bestaan uit het oplichten van [benadeelde] door de manier waarop zijn woning en stuk land zijn verkocht, de verduistering van geld van [benadeelde] en het laten afsluiten van een lening bij de Rabobank, zoals ook zelfstandig ten laste is gelegd onder feiten 2, 3, 4 en 5, zal de rechtbank eerst deze feiten bespreken alvorens zij toekomt aan de bespreking van feit 1.

Feit 2: oplichting van [benadeelde] door verkoop woning en grasland

De rechtbank stelt vast dat het merendeel van de ten laste gelegde (oplichtings)handelingen – voor zover al kan worden vastgesteld dat deze handelingen daadwerkelijk zijn uitgevoerd – in elk geval niet door verdachte zijn uitgevoerd. Evenmin is vast te stellen dat verdachte ter zake van de uitvoeringshandelingen nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt. De verdenking dat verdachte iets te maken heeft gehad met de verkoop van de woning en het grasland is bovendien slechts gebaseerd op de verklaringen van [benadeelde] en wordt op dit punt niet ondersteund door ander objectief bewijs.

Uit het voorgaande volgt dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Feit 3: verduistering dan wel diefstal van (contant) geld van [benadeelde]

Verdachte wordt ook verweten dat hij een geldbedrag van ongeveer € 40.000 van [benadeelde] heeft verduisterd, dan wel dat hij deze bedragen heeft gestolen.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ongeveer € 40.000 contant geld heeft gekregen van [benadeelde] , een keer € 30.000 en een keer € 10.000. Dit geld heeft hij in samenspraak met [benadeelde] bewaard in het kantoortje in zijn woonwagen. Het geld heeft verdachte gekregen om investeringen te doen in het nog op te starten bedrijf met [benadeelde] . Met het geld heeft verdachte onder andere een heftruck, stelconplaten, een vrachtauto, zeecontainers en meerdere auto’s voor een totaal bedrag van ongeveer € 16.000 gekocht. Van deze aankopen heeft verdachte geen administratie meer, alle administratie is meegenomen door de politie na de inval op het woonwagenkamp in december 2013, aldus verdachte. Van het geld dat over was heeft verdachte andere dingen gekocht die niet bestemd waren voor het nog op te starten bedrijf, maar altijd deed hij dit in samenspraak met [benadeelde] . Omdat verdachte in de gevangenis terecht kwam voor andere feiten is het bedrijf met [benadeelde] nooit van de grond gekomen.

Op grond van de inhoud van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting –mede gelet op de waarde die de rechtbank aan de verklaringen van [benadeelde] geeft – kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat verdachte zich de hiervoor genoemde bedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Verdachte heeft blijkens zijn eigen verklaringen het geld immers onder zich gehad en gebruikt met toestemming van [benadeelde] , hetgeen ook nergens, in elk geval niet in voldoende mate, wordt weersproken. Voor zover het geld aan andere dingen is uitgegeven overweegt de rechtbank nog dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat om te kunnen vast stellen dat daarbij sprake is geweest van de ten laste gelegde verduistering. Het voorgaande leidt ertoe dat het dossier evenmin voldoende bewijs bevat om tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde diefstal te komen. Ook is niet gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte in dit verband met (een) ander(en).Verdachte zal daarom van het onder feit 3 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Feit 4: valsheid in geschrift van een arbeidsovereenkomst, loonstroken en ontvangstbewijzen

Onder feit 4 wordt verdachte weten dat hij een valse arbeidsovereenkomst, valse loonstroken en valse ontvangstbewijzen van contant uitbetaald loon heeft opgemaakt.

Op 28 april 2015 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden op het [adres 4] te Delft. Dit betreft de woonwagen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Tijdens de doorzoeking zijn onder andere de volgende documenten aangetroffen:2

  • -

    een arbeidsovereenkomst d.d. 28 juli 2012 gesloten tussen [benadeelde] en [medeverdachte 2] . In deze arbeidsovereenkomst staat vermeld dat [benadeelde] per 1 augustus 2012 als monteur in loondienst zal treden voor onbepaalde tijd met een brutosalaris van € 2.015,00 per maand. De arbeidsovereenkomst is ondertekend door [medeverdachte 2] en [benadeelde] ;

  • -

    twee salarisstroken van de maanden augustus en september 2012 op naam van [benadeelde] als monteur in dienst bij [medeverdachte 2] met een brutosalaris van € 2.015,00 per maand. Het salaris zal worden uitbetaald op rekeningnummer 1992943;

  • -

    drie ontvangstbewijzen voor salaris van de maanden augustus, september en oktober 2012 van € 1.536,45 per maand en ondertekend door [benadeelde] en [medeverdachte 2] .

Over de aangetroffen documenten heeft medeverdachte [medeverdachte 2] verklaard dat zij de arbeidsovereenkomst nog nooit heeft gezien en dat de handtekening op de overeenkomst niet van haar is. Voor zover zij weet staat er op de laptop, die ook in beslag is genomen, alleen een programma om facturen op te maken en geen programma om loonstroken mee te maken. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat de handtekeningen onder de ontvangstbewijzen wel van haar zijn. Zij denkt dat zij deze heeft ondertekend in opdracht van verdachte. Wanneer zij dat heeft gedaan kan zij zich niet meer herinneren.3

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat de arbeidsovereenkomst echt is en dat hij de overeenkomst heeft ondertekend met de naam van medeverdachte [medeverdachte 2] . Dit heeft hij gedaan omdat zij er op dat moment niet was en hij dacht dat hij ook de bevoegdheid had om de overeenkomst te ondertekenen. De arbeidsovereenkomst is opgemaakt op verzoek van [benadeelde] omdat hij graag op de loonlijst wilde staan. [verdachte] heeft daarnaast verklaard dat de loonstroken automatisch worden opgemaakt en dat er één keer loon is uitbetaald aan [benadeelde] .4

Het op de salarisstrook vermelde rekeningnummer 1992943 op naam van [benadeelde] is geanalyseerd. Uit deze analyse is gebleken dat op deze rekening geen salaris is gestort door [medeverdachte 2] .5 Uit onderzoek bij de Belastingdienst is evenmin gebleken dat [benadeelde] in loondienst is geweest bij [medeverdachte 2] .6

Op grond van voormelde bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank dat voldoende duidelijk is vast komen te staan dat de arbeidsovereenkomst fictief was en daarmee valselijk is opgemaakt. Nu de arbeidsverhouding een fictieve was, zijn de loonstroken en de documenten waarop staat dat aan [benadeelde] loon contant is uitbetaald eveneens valselijk opgemaakt. De verklaring van verdachte dat [benadeelde] heeft gevraagd om het opmaken van de arbeidsovereenkomst acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet aannemelijk. Nu de hiervoor beschreven vals opgemaakte documenten naar hun aard bedoeld zijn om te dienen als bewijs (namelijk voor het bestaan van een dienstverband en uitbetaling van loon in dat verband) acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde feit. Van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging’ zal de rechtbank verdachte echter vrijspreken nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte nauw en bewust met medeverdachte [medeverdachte 2] (of met iemand anders) heeft samengewerkt.

Feit 5: oplichting van de Rabobank

Onder feit 5 wordt verdachte verweten dat hij (met één of meer anderen) de Rabobank Zuid-Holland-Midden (hierna: Rabobank) heeft bewogen tot afgifte van een krediet van € 7.000 door één of meermalen te bellen met de Rabobank, door het verstrekken van meerdere ontvangstbewijzen voor salaris, door de Rabobank te bezoeken en te spreken met het personeel dan wel door het ondertekenen van de kredietovereenkomst. Daarmee zou hij zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting van de Rabobank.

Vast staat dat door de Rabobank aan [benadeelde] een kredietfaciliteit zonder onderpand van € 7.000 is verstrekt. Dit bedrag is op 22, 23 en 25 november 2012 in delen overgemaakt naar bankrekeningnummer [bankrekening] op naam van [benadeelde] . Ten behoeve van de aanvraag is met het [e-mailadres] een e-mail gestuurd naar de Rabobank. Als bijlage bij deze e-mail zijn drie bewijzen gevoegd waaruit blijkt dat [benadeelde] zijn salaris contant heeft ontvangen van [medeverdachte 2] . Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 28 april 2015 is een handgeschreven notitie aangetroffen met op de voorzijde het e-mailadres [e-mailadres] en de naam ‘Zabina’ en op de andere zijde het e-mailadres [e-mailadres] met daarbij ‘ [verdachte] en ‘Welkom02’. Verdachte heeft verklaard dat het handschrift op de notitie zijn handschrift is en dat hij in opdracht van [benadeelde] in ieder geval twee keer met de Rabobank heeft gebeld.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld wie de Rabobank heeft bezocht en door wie en wanneer de kredietovereenkomst is ondertekend. Daarbij overweegt de rechtbank bovendien dat een bezoek aan de bank voor het afsluiten van een krediet niet ongewoon is en op zichzelf dus niet kan worden aangemerkt als oplichtingsmiddel in de zin van artikel 326 Sr. Het aangetroffen briefje bij verdachte en het feit dat hij met de Rabobank heeft gebeld roepen weliswaar vragen op, maar bij gebrek aan concrete gegevens over de invloed van die gesprekken op het verstrekken van het krediet heeft de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat de Rabobank daardoor is bewogen om over te gaan tot het verstrekken van het bedoelde krediet. Want hoewel een aangifte niet is vereist om tot een bewezenverklaring van oplichting te komen, kan de rechtbank bij gebrek aan een verklaring van de Rabobank in deze zaak onvoldoende vaststellen of de Rabobank (mede) door de bezoeken, de telefoongesprekken, de toegezonden ontvangstbewijzen en/of door met Rabobank personeel bespreken van het krediet, als daarvan door verdachte al sprake was, is bewogen tot afgifte van het krediet.

Uit het voorgaande volgt dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor hetgeen verdachte onder feit 5 ten laste is gelegd, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Feit 1: mensenhandel

Verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van 1 januari 2012 tot en met 18 december 2013 schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van mensenhandel, zoals strafbaar gesteld in artikel 273f, eerste lid, onder sub 1, 4 en 6 van het Wetboek van Strafrecht. Meer in het bijzonder is het verwijt aan verdachte dat hij [benadeelde] heeft gehuisvest en vervoerd om hem financieel uit te (kunnen) buiten, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan uitbuiting van [benadeelde] door hem te bewegen zijn huis en grasland te verkopen en dat hij opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die uitbuiting. Verdachte heeft daarbij met name misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van [benadeelde] en steeds nauw en bewust samengewerkt met anderen, aldus de officier van justitie.

Artikel 273f, eerste lid sub 1 Sr

Bij de beoordeling van de vraag of in dit geval mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr bewezen kan worden, dient – gelet op hetgeen ten laste is gelegd – vastgesteld te worden dat sprake was van (een) handeling(en) (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of opnemen), (een) middel(en) (dwang, geweld, bedreiging met geweld, een andere feitelijkheid, misleiding, misbruik uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van de kwetsbare positie), en het oogmerk van uitbuiting.

De middelen

In zijn requisitoir noemt de officier van justitie ‘misleiding’, ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van kwetsbare positie’ als dwangmiddelen. Met betrekking tot de kwetsbare positie van [benadeelde] verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover bij de algemene overwegingen is overwogen, dat er in de kern op neerkomt dat een kwetsbare positie in de periode waar het hier over gaat, 2012-2013, niet kan worden vastgesteld. Misbruik daarvan dus ook niet.

In het verlengde daarvan zijn eveneens onvoldoende aanknopingspunten aangetroffen om vast te kunnen stellen dat sprake was van misleiding en misbruik (door verdachte of één van de medeverdachten) van feitelijk overwicht. Los daarvan is uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting in voldoende mate gebleken dat verdachte (of één van zijn medeverdachten) zich bewust was van een (mogelijke) kwetsbare positie van [benadeelde] , of van enig feitelijk overwicht op [benadeelde] . De misleiding zou er, zo begrijpt de rechtbank, uit hebben moeten bestaan dat verdachte (of zijn medeverdachten) [benadeelde] onder valse voorwendsels zou hebben bewogen om over te gaan tot verkoop van zijn woning en land. Zoals hiervoor al overwogen ziet de rechtbank daarvoor geen aanwijzingen.

Hoewel uit het requisitoir van de officier van justitie niet volgt dat verdachte concreet één van de overige middelen wordt verweten, stelt de rechtbank vast dat het dossier ook daarvoor geen aanknopingspunten biedt.

Reeds door het ontbreken van bewijs voor het gebruik van (dwang)middelen ten aanzien van [benadeelde] , kan geen sprake zijn van bewezenverklaring van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1, Sr.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt:

De handelingen

Vastgesteld kan worden dat [benadeelde] is vervoerd (naar de notaris door medeverdachte [medeverdachte 1] ) en is gehuisvest (door verdachte [verdachte] ). Niet vastgesteld kan echter worden dat dit is gebeurd met de bedoeling om [benadeelde] uit te buiten. Het dossier biedt daarnaast geen bewijs voor de overige ten laste gelegde handelingen.

Oogmerk van uitbuiting

Om te komen tot een bewezenverklaring van mensenhandel dient tot slot ook sprake te zijn van een oogmerk van uitbuiting. De uitbuiting van [benadeelde] heeft er volgens de officier van justitie uit bestaan dat hij – onder meer door misbruik van zijn kwetsbare positie – is bewogen tot het beschikbaar stellen van diensten in de vorm van het hem ‘laten verkopen’ van zijn huis en percelen grasland voor onredelijk lage bedragen. Reeds vroeg was het oogmerk ontstaan om [benadeelde] financieel ‘uit te kleden’ aldus de officier van justitie.

Uit hetgeen hiervoor onder feit 2 is overwogen, waarbij de rechtbank tot de slotsom komt dat de verkoop van zowel het huis als het land niet strafrechtelijk aan verdachte noch aan zijn medeverdachten kan worden verweten, volgt dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van het oogmerk op een uitbuitingssituatie zoals door de officier van justitie bedoeld. Van opzet aan de kant van verdachte, gericht op het door de officier van justitie geschetste gevolg, het (financieel) uitkleden van [benadeelde] , is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat het niet anders kan dan dat verdachte moet hebben begrepen dat hij profiteerde van de situatie.

Artikel 273f, eerste lid sub 4 Sr

Uit het dossier is evenmin, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gebleken dat verdachte [benadeelde] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten.

Artikel 273f, eerste lid sub 6 Sr

Voor een veroordeling ter zake van het opzettelijk profiteren van de uitbuiting van [benadeelde] is vereist dat het opzet van verdachte behalve op het voordeel trekken ook gericht moet zijn geweest op de uitbuiting van [benadeelde] . Zoals hiervoor reeds overwogen ziet de rechtbank noch in het dossier noch in het verhandelde ter terechtzitting aanwijzingen voor de wetenschap bij verdachte van een – al dan niet door anderen gecreëerde – uitbuiting van [benadeelde] . Naar het oordeel van de rechtbank was reeds hierom geen sprake van opzet op de uitbuiting van [benadeelde] , ook niet in voorwaardelijke zin.

Gelet op het voorgaande dient (steeds al door het ontbreken van middelen, handelingen en (het oogmerk van) uitbuiting afzonderlijk) vrijspraak te volgen voor de ten laste gelegde mensenhandel.

Slotoverweging

Het dossier bevat een aantal merkwaardigheden die vragen bij de rechtbank hebben opgeroepen. Zo heeft bijvoorbeeld medeverdachte [medeverdachte 3] , die betrokken was bij de koop van het stuk grond in februari 2013, al in november 2012 een offerte opgevraagd voor de milieurapportage met betrekking tot het gekochte land, waarop staat vermeld ‘Aanleiding tot dit onderzoek is de voorgenomen nieuwbouw’. Ook ontbreekt – ondanks de getoonde foto’s van de woning ter terechtzitting – deugdelijke administratie met betrekking tot de verbouwing van de woning aan de [adres 2] . Daarnaast is het opmerkelijk dat van een bankrekening op naam van [benadeelde] een bedrag van ongeveer € 1.000 is overgemaakt naar de bankrekening van [echtgenoot] , de overleden moeder van [verdachte] , waarvoor geen enkele verklaring is gegeven. Ook heeft [verdachte] geen schriftelijk bewijs kunnen overhandigen van het samen met [benadeelde] nog op te starten bedrijf en van de verantwoording van de door [benadeelde] daarin geïnvesteerde bedragen, terwijl hij voor de administratie van al zijn andere bedrijven weet te verwijzen naar zijn boekhouder.

De vorenstaande omstandigheden werpen echter geen ander licht op de beoordeling van de bewijsmiddelen. De vragen die bij de rechtbank zijn gerezen, zijn noch door de inhoud van het dossier noch tijdens het onderzoek ter terechtzitting ten nadele van de verdachten beantwoord.

De rechtbank is zich terdege bewust van het feit dat het aangever [benadeelde] is die in dit geval in een uiterst slechte (financiële) positie is terechtgekomen, hetgeen ook door de verdachten is erkend. In strafrechtelijke zin valt dit de verdachten echter niet toe te rekenen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

4.

Hij in de periode van 28 juli 2012 tot en met 28 april 2015 te Delft formulieren, te weten;

- meerdere salarisstroken;

- arbeidscontract (ondertekend door [verdachte] );

- bewijzen van ontvangst (ondertekend door [medeverdachte 2] );

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt immers heeft verdachte, toen en daar, (telkens)

- op deze salarisstroken (gedateerd augustus 2012 en/of september 2012) gegevens vermeld die aangeven dat [benadeelde] salaris zou ontvangen (ten bedrage van ongeveer 1536,45 euro per maand) en dat dit salaris werd gestort op rekening 1992943 van [benadeelde] terwijl dit niet heeft plaatsgevonden en

- een arbeidsovereenkomst opgemaakt op 28 juli 2012 waarin staat vermeld dat [benadeelde] in dienst zou zijn bij [medeverdachte 2] , met een ondertekening door [verdachte] (terwijl [benadeelde] niet bij [medeverdachte 2] in dienst was) en

- meerdere ontvangstbewijzen (gedateerd augustus 2012 en september 2012 en oktober 2012) opgemaakt en ondertekend die aangaven dat er een bedrag van in totaal ongeveer 4609,35 euro in ontvangst is genomen door [benadeelde] , (terwijl deze bedragen niet zijn ontvangen),

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Ten aanzien van feit 4:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie op meerdere manieren ernstig en opzettelijk, dan wel met een aan opzet grenzende grove veronachtzaming de rechten van verdachte op een eerlijk proces heeft geschonden. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie het onderzoek naar verdachte pas in februari 2014 heeft opgestart, terwijl [benadeelde] al in december 2013 op het woonwagenkamp was aangetroffen. Daarnaast was verdachte op het moment van zijn aanhouding in april 2015 net begonnen met detentiefasering van een andere zaak. Zijn aanhouding heeft dit abrupt afgebroken. De raadsman heeft gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is verzocht om bij een eventuele veroordeling van verdachte een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode een valse arbeidsovereenkomst, valse loonstroken en valse ontvangstbewijzen van loon opgemaakt. Daarmee heeft verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer aan de juistheid van dit soort geschriften moet kunnen worden gesteld, geschonden.

Gelet echter op de tijd tussen de aanvang en de afhandeling van deze strafzaak voor verdachte (een periode van bijna vier jaar), de impact die dit op verdachte – die bovendien 72 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht – heeft gehad en gelet op het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is, acht de rechtbank toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aangewezen.

Gelet op het voorgaande is er geen grond om nader in te gaan op het door de verdediging gevoerde artikel 359a Sv verweer.

8 De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] , bijgestaan door mr. W.N. van der Voet, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 180.914,30.

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 37.529,20 ,- ter zake van materiële schade in verband met de woning. Daarnaast dat met betrekking tot de immateriële schade de vordering van € 2.500,- hoofdelijk kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 40.029,20, subsidiair 235 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer, alsmede de wettelijke rente.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de door verdachte geïnvesteerde kosten in het bedrijf van de vordering af te trekken.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu de vordering van de benadeelde partij onvoldoende verband heeft met het (enige) feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld en verdachte van de overige feiten wordt vrijgesproken, brengt dat met zich dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.

Dit brengt voorts mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9a, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierboven onder 4.5 is omschreven, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd;

verklaart de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.A.C. Koster, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. R.G.C. Veneman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Peet, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2017.

Bijlage I

1.

hij in of omstreeks de periode 1 juli 2012 tot en met 18 december 2013 te Den Haag en/of Delft en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a)( telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, en/of door misbruik van een kwetsbare positie, een ander, te weten [benadeelde] heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die ander (als bedoeld in art. 273f sub 1° Sr)

en/of

b) die [benadeelde] met een of meer van de hierboven genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [benadeelde] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4° )

en/of

opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde] (sub 6°)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) onder andere;

  • -

    aan die [benadeelde] verteld dat zijn woning opgeknapt zou worden en/of (vervolgens) die [benadeelde] weer terug kon gaan naar zijn woning en/of

  • -

    die [benadeelde] gehuisvest op het woonwagenkamp en/of

  • -

    die [benadeelde] laten werken maar geen daarmee overeenstemmend salaris uitbetaald en/of

  • -

    die [benadeelde] op het woonwagenkamp in de gaten gehouden en/of

  • -

    die [benadeelde] verboden om het kamp te verlaten en/of

  • -

    die [benadeelde] een of meerdere keren bij zijn kraag beetgepakt en in de auto geduwd op liet moment dat die [benadeelde] zich (ver) van liet kamp verwijderde en/of

  • -

    die [benadeelde] een lening laten afsluiten aan [verdachte] en/of anderen ten behoeve van een autobedrijf en/of

  • -

    die [benadeelde] een lening laten afsluiten bij Santander en/of

  • -

    die [benadeelde] een of meer scooters laten bestellen en/of laten afgeven en/of

  • -

    die [benadeelde] zijn huis en/of percelen grasland laten verkopen en/of tegen die [benadeelde] gezegd “je moet vandaag wel tekenen hoor” en/of je moet tekenen, want het moet rond, vandaag nog” of woorden van gelijke strekking

  • -

    die [benadeelde] begeleid naar de notaris ten tijde van deze onroerend goed transacties en/of

  • -

    de woning van die [benadeelde] onder de marktwaarde gekocht en/of

  • -

    de percelen grasland van die [benadeelde] onder de marktwaarde gekocht,

terwijl bovengenoemde handelingen werden verricht terwijl die [benadeelde]

verstandelijk beperkt is.

2.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en et 18 december 2013 te Den Haag en/of Delft en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met liet oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van zijn woning (gelegen aan de [adres 2] 99 te Delft) en/of percelen grasland (gelegen aan de [adres 3] te Nootdorp), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk — zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- (meermalen) tegen die [benadeelde] gezegd dat de woning van [benadeelde] opgeknapt zou worden en/of

- (meermalen) tegen die [benadeelde] gezegd dat de woning en de percelen

grasland van [benadeelde] dienden als onderpand voor een of neer leningen en/of

- die [benadeelde] in die veronderstellingen laten tekenen voor de verkoop van zijn woning en zijn grasland en/ of

- zich (vervolgens) voorgedaan als bonafide koper (koper met goede bedoelingen), en/of (in die hoedanigheid) die [benadeelde] bezocht om de woning van die [benadeelde] te bekijken, en/of

- (in die hoedanigheid) een verkoopprijs van de woning (ver) onder de (WOZ)-waarde vastgesteld, en/of

- (in die hoedanigheid) die [benadeelde] laten tekenen voor de verkoop van zijn woning en/of het/de perce(e)l(en) grasland

- wetende dat de hoogte van de verkoopprijs genoemd in de koopovereenkomst niet in verhouding stond tot de werkelijke waarde en/of de WOZ-waarde van die woning en/of van het /de perce(e)l(en) grasland en/of

- wetende althans vermoedende dat die [benadeelde] door de verstandelijke

beperking en/of door emotionele labiliteit en/of door afhankelijkheid niet

goed in staat was weloverwogen beslissingen te nemen rond de verkoop van die

woning en/of het/de perce(e)l(en) grasland,

waardoor [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 oktober 2012 tot en met 18 december 2013 te Den Haag en/of Delft en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) ongeveer 30.000,- + 10.000,- = 40.000,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten krachtens een of neer lening(en) en/of als investering in een bedrijf, en/of voor betaling van een of meer auto’s, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Subsidiair, indien liet vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 26 oktober 2012 tot en met 18 december 2013 te Den Haag en/of te Delft en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) 30.000,- + 10.000,- = 40.000, - euro in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders).

4.

hij, op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 28 juli 2012 tot en net 28 april 2015 te s-Gravenhage en/of Delft en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, één of meer formulier(en), te weten;

  • -

    Meerdere salarisstroken

  • -

    Arbeidscontract (ondertekend door AC. [verdachte] )

  • -

    Bewijzen van ontvangst (ondertekend door [medeverdachte 2]

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen en daar, (telkens)

  • -

    op deze salarisstroken (gedateerd augustus 2012 en/of september 2012) gegevens vermeld die aangeven dat [benadeelde] salaris zou ontvangen (ten bedrage van ongeveer 1536,45 euro per maand) en/of dat dit salaris werd gestort op rekening 1992943 van [benadeelde] (terwijl dit niet heeft plaatsgevonden) en/of

  • -

    een arbeidsovereenkomst opgemaakt op 28 juli 2012 waarin staat vermeld dat [benadeelde] in dienst zou zijn bij [medeverdachte 2] , net een ondertekening door [verdachte] (terwijl [benadeelde] niet bij [medeverdachte 2] in dienst was) en/of

  • -

    meerdere ontvangstbewijzen (gedateerd augustus 2012 en/of september 2012 en/of oktober 2012) opgemaakt en/of ondertekend (met [medeverdachte 2] ) die aangaven dat er een bedrag van in totaal ongeveer 4609,35 euro in ontvangst is genomen door [benadeelde] (terwijl deze bedragen niet zijn ontvangen),

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en . onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 1 juli 2013 te Delft, althans in Nederland meermalen althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Rabobank Zuid-Holland-Midden heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, liet verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het verstrekken van een krediet (7000,00 euro) op naam van [benadeelde] , door een of meermalen onder valse naam te bellen met de Rabobank en/of het verstrekken van meerdere valse ontvangstbewijzen voor salaris en/of het bezoeken van de Rabobank en het met Rabobank personeel bespreken van het krediet en/of het ondertekenen van een Kredietovereenkomst.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014031027, van de politie eenheid Den Haag, district Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 4545) alsmede naar het 2e en 3e vervolg van het algemeen dossier (respectievelijk blz. 1 t/m 183 en ongenummerd).

2 Lokatiedossier; Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, blz. 93-94; Proces-verbaal van bevindingen – loonstroken en arbeidsovereenkomst [benadeelde] , blz. 1902-1907, met bijlagen.

3 Verdachtendossier; Proces-verbaal van verhoor verdachte ( [medeverdachte 2] ) d.d. 30 april 2015, blz. 57-58.

4 Proces verbaal van het verhandelde ter zitting d.d. 16 juni 2017.

5 Proces-verbaal aanvullende info ING2943 t.n.v. [benadeelde] , blz. 998 en proces-verbaal van bevindingen – loonstroken en arbeidscontract [benadeelde] , blz. 1903.

6 Proces-verbaal Icov gegevens [benadeelde] , blz. 801 en proces-verbaal van bevindingen – loonstroken en arbeidscontract [benadeelde] , blz. 1903.