Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7448

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
SGR 17/625
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:236, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het projectplan regelt de wijziging van een waterkering. Het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden heeft met het projectplan af kunnen wijken van het geldende leggerprofiel.

Wetsverwijzingen
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2017/6675
JOM 2017/767
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/625

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),

en

het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. M.P. Terwindt).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het projectplan “ [het projectplan] ” d.d. 13 mei 2016 te [gemeente 1] in de gemeente [gemeente 2] vastgesteld.

Bij besluit van 14 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn – met bericht van verhindering – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts waren namens verweerder aanwezig [persoon 1] , [functie 1] bij het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) en [persoon 2] , [functie 2] bij Delfland. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 16 juni 2017. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts waren namens verweerder aanwezig [persoon 1] en [persoon 2] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 26 oktober 2015 heeft verweerder het projectplan “ [het projectplan] ” vastgesteld (het eerdere projectplan). Het tegen dit besluit door eiser gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 23 juni 2016 gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 26 oktober 2015 ingetrokken. Bij het primaire besluit heeft verweerder een nieuw projectplan “ [het projectplan] ” vastgesteld (het projectplan). Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

2. Het projectplan regelt, samengevat weergegeven, de wijziging van een waterkering langs [de waterweg] in [gemeente 1] ter hoogte van de adressen [adres 1] 1 tot en met 15 oneven en [adres 2] 36. De wijziging heeft als doel de waterkering weer op hoogte en breedte te brengen conform de Legger Regionale Waterkeringen (de legger).

3. De rechtbank stelt vast dat [de waterweg] samen met enkele andere vaarten deel uitmaakt van het ongeveer 10 kilometer lange binnenboezemsysteem van de [de polder] . De binnenboezem verzorgt de afwatering van alle dieper gelegen polders van [gemeente 1] . De waterkering langs het gehele binnenboezemsysteem, waaronder [de waterweg] , betreft een regionale waterkering als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterverordening Zuid-Holland.

4.1.

In artikel 2.1, eerste lid, van de Keur Delfland (de Keur) is bepaald dat onderhoudsplichtig zijn degenen die in de legger of in het tweede of derde lid van dit artikel tot het verrichten van gewoon of buitengewoon onderhoud van waterstaatswerken zijn aangewezen. Volgens de begripsomschrijvingen in artikel 1.1 van de Keur wordt een (regionale) waterkering als een waterstaatswerk aangemerkt.

4.2.

In artikel 2.3 van de Keur is bepaald dat de onderhoudsplichtigen voor buitengewoon onderhoud van waterkeringen of onderdelen daarvan verplicht zijn tot instandhouding daarvan overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie.

4.3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de legger berust het buitengewoon onderhoud van de regionale waterkeringen, voor zover het het in stand houden van het leggerprofiel betreft, bij Delfland, tenzij in het overzicht van deze legger anders is vermeld. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel berust het buitengewoon onderhoud van de regionale waterkeringen, voor zover het het in stand houden van de overdimensionering betreft, bij de eigenaren van de regionale waterkering, tenzij in het overzicht van deze legger anders is vermeld. Blijkens het derde lid van voormeld artikel berust het gewoon onderhoud van de regionale waterkeringen bij de eigenaren van de regionale waterkering.

5. Niet in geschil is dat Delfland onderhoudsplichtig is om de waterkering langs [de waterweg] in [gemeente 1] , ook ter hoogte van de woning van eiser aan het [adres 1] , op hoogte en sterkte te houden conform het minimale leggerprofiel.

6. Uit de geldende leggerkaart blijkt dat leggerprofiel 11 (het standaard ophoogprofiel) van toepassing is op de waterkering ter hoogte van het [adres 1] , waarbij een kruinhoogte van 0,50 meter (m) boven zomerpeil dient te worden aangehouden.

7. In het vigerende Peilbesluit [de polder] uit 2007 is door Delfland het waterpeil in de vaart vastgesteld op NAP -2,66 m. Gelet op de vereiste kruinhoogte dient de waterkering ter plaatse derhalve thans minimaal NAP -2,16 m te zijn.

8.1.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet geschiedt de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Met de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt gelijkgesteld de uitvoering van een werk tot beïnvloeding van een grondwaterlichaam.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat het plan ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk. Voor in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen bevat het plan een inventarisatie van maatschappelijke functies en ambities en mogelijke innovaties waarmee de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk gecombineerd zou kunnen worden, inclusief de mogelijkheden om het desbetreffende werk middels een concessie voor werken of andere vorm van publiek-private samenwerking te realiseren.

8.2.

Nu verweerder de in geding zijnde waterkering niet wenst te onderhouden conform het standaard ophoogprofiel maar op andere wijze invulling wenst te geven aan de eisen die de legger stelt, is een projectplan nodig op grond van artikel 5.4 van de Waterwet.

9. Aan het projectplan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit de toetsing van de waterkering langs het [adres 1] is gebleken dat deze voldoende stabiel is, maar niet voldoet aan de voorgeschreven afmetingen qua hoogte en breedte zoals vastgesteld in de legger. In de specifieke situatie van de kade langs het [adres 1] heeft Delfland gekozen om af te wijken van de legger. Vanwege de relatief kleine tuinen is er in dit kadetraject onvoldoende ruimte om de kade conform de legger op te hogen en te verbreden. Het ophogen van de kade conform de legger zou een grote impact hebben op de relatief kleine tuinen. Als de kade conform de legger zou worden opgehoogd, zou een strook van ongeveer 4 m van de gemiddeld 8 m diepe tuinen worden leeggehaald en voorzien van een klei-rug met grasmat. Vanwege de krappe doorstroomcapaciteit van het binnenboezemsysteem in de [de polder] kan de kade niet worden verbreed richting de vaart. Om die reden heeft Delfland ervoor gekozen een hoge damwand van 60 centimeter (cm) te plaatsen langs de vaart, en waar nodig een grondkering in de tuinen. Deze oplossing bespaart ruimte, omdat de taluds langs de kade niet meer nodig zijn. Voor het gehele traject is gekozen voor een nieuwe houten damwand langs de vaart. De houten damwand komt op een hoogte van NAP -2,06 m. Vanaf de houten damwand wordt een 2 m brede kruin van klei aangebracht. Ook de kruin van de kade ligt op een hoogte van NAP -2,06 m. Deze hoogtemaat geldt voor het gehele traject en is 10 cm hoger dan de minimale leggerhoogte. Die 10 cm extra hoogte is nodig om de zettingen voor de komende 10 jaar op te vangen. De ondergrond en daarmee de kade zakken ongeveer met 1 cm per jaar. De extra hoogte voorkomt dat Delfland elk jaar de kade weer moet ophogen om te voldoen aan de minimale leggerhoogte.

10. Met uitzondering van het gedeelte ter hoogte van [adres 1] zijn de werkzaamheden ter wijzing van de waterkering zoals opgenomen in het projectplan inmiddels uitgevoerd. De buren aan weerszijden van [adres 1] hebben hun tuinen aangeheeld overeenkomstig voorschrift 9 van de keurvergunning uit 1995. Deze keurvergunning is van toepassing op 8 woningen aan het [adres 1] , waaronder [adres 1] . In voorschrift 9 van deze vergunning is opgenomen dat de waterkering tussen de oeverlijn van [de waterweg] en de woningen over de gehele breedte op een hoogte van ten minste 0,50 m boven het peil van [de waterweg] (= NAP -2,57 m) dient te worden aangelegd en onderhouden.

11. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat de bij zijn woning bestaande wateroverlast door het projectplan zal toenemen en de door verweerder gehanteerde damwandhoogte met daarin begrepen de overhoogte van 10 cm ondeugdelijk gemotiveerd en onnodig is. Volgens eiser bestaat de meest optimale waterkering uit een damwand van 30 cm boven het waterpeil met een aanleghoogte van NAP -1,96 m conform het standaard ophoogprofiel van de legger. Deze door eiser gewenste constructie is weergegeven als eerste plaatje van bijlage 2 bij het projectplan.

12. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij tijdens het besluitvormingstraject onvoldoende is gehoord. Uit de stukken blijkt dat verweerder met alle bewoners van het [adres 1] , zo ook met eiser, in aanloop naar het eerdere projectplan overleg heeft gevoerd. Dit heeft geleid tot overeenstemming met alle bewoners, op eiser na. Anders dan eiser meent, bestond er voor verweerder in het kader van genoemd overleg geen verplichting om alle bewoners van het [adres 1] op de hoogte te stellen van elkaars bedenkingen, nu daartoe geen wettelijke grondslag bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor verweerder ook geen noodzaak om na intrekking van het eerdere projectplan en vóór het nemen van het primaire besluit opnieuw met eiser in overleg te treden. Het projectplan is immers gelijk aan het eerdere, zij het dat daarin nu ook het perceel van eiser is betrokken. Het is ten slotte niet gebleken dat de voorbereiding van het projectplan in strijd is met de Inspraakverordening Delfland. De door eiser gemaakte bezwaren tegen de vaststelling van het projectplan zijn vervolgens behandeld in een bezwaarprocedure, waarbij eiser is gehoord door de bezwaarschriftencommissie. Dat eiser zich niet gehoord voelt, betekent niet dat hij daartoe onvoldoende in de gelegenheid is gesteld. Het betoog faalt dan ook.

13. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn betoog dat met het bestreden besluit leggerprofiel 11 is gewijzigd. Met het projectplan is verweerder weliswaar afgeweken van het geldende leggerprofiel, maar dat betekent niet dat dit daarmee is gewijzigd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder voornemens is het leggerprofiel 11 aan te passen aan de gewijzigde situatie overeenkomstig het projectplan. Daartoe is een separaat besluit nodig dat nog niet door verweerder is genomen. Voor zover eiser betoogt dat verweerder leggerprofiel 11 ten onrechte niet aan hem kenbaar heeft gemaakt, overweegt de rechtbank dat dit profiel onderdeel uitmaakt van de legger en dat eiser hiermee geacht kan worden bekend te zijn.

14.1.

Ten aanzien van de gestelde toenemende wateroverlast, stelt de rechtbank voorop dat, voor zover eiser benedendijkse wateroverlast door de gestelde te lage bouw van zijn woning ondervindt, deze zijn oorzaak niet in het bestreden besluit vindt. Dit geldt ook voor de gestelde wateroverlast als gevolg van het besluit van zijn buren om hun tuinen aan te helen.

14.2.

Ten aanzien van eisers betoog dat de wateroverlast toeneemt doordat hemelwater niet bovendijks richting de vaart zou kunnen afvloeien, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van voorschrift 9 van de keurvergunning dient eiser de waterkering tussen de oeverlijn en zijn woning aan te helen op een hoogte van ten minste 0,50 m boven het peil van [de waterweg] . Dit zorgt ervoor dat er geen kuil ontstaat tussen de waterkering en eisers woning. Uitgaande van die (verplichte) aanheling heeft verweerder bij monde van zijn [functie 2] ter zitting toegelicht dat de gestelde wateroverlast door hemelwater minimaal zal zijn en dat het overgrote deel daarvan niet bovengronds richting de vaart zal afvloeien, maar direct in de (tuin)grond zal zakken.

Gelet op deze toelichting en bij gebreke van een onderbouwing van eisers betoog, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er desalniettemin wateroverlast zal ontstaan door hemelwater dat niet zou kunnen afvloeien. Eisers betoog faalt dan ook.

15.1.

De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn betoog dat de door verweerder in acht genomen overhoogte van 10 cm overbodig is. Door eiser wordt niet bestreden dat de grond jaarlijks met 1 cm verzakt. Gelet hierop en om te voorkomen dat verweerder jaarlijks ophoogwerkzaamheden moet verrichten, acht de rechtbank het niet onredelijk dat een overhoogte van 10 cm is aangehouden. Daarbij wordt opgemerkt dat verweerder te kennen heeft gegeven dat doorgaans een overhoogte van 20 cm in aanmerking wordt genomen.

15.2.

De rechtbank ziet evenmin in dat de overhoogte van 10 cm niet nodig is, omdat voorschrift 9 van de keurvergunning daarin al zou voorzien. Weliswaar wordt in dat voorschrift uitgegaan van een peil van [de waterweg] van toentertijd NAP -2.57 m en een aanheling van ten minste 0,50 m boven dit peil, maar genoemd peil is inmiddels gezakt tot NAP -2,66 m. Nu de hoogte van de kruin van de waterkering op 0,50 m van laatstgenoemd peil dient te liggen, te weten op NAP -2,16 m, concludeert de rechtbank dat daarin nog geen overhoogte van 10 cm is verdisconteerd. Gelet op het voorgaande en rekening houdend met een overhoogte van 10 cm, heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten tot een damwandhoogte van NAP -2,06 m. Verweerder heeft zijn besluit ook voldoende gemotiveerd. Het aanhelen overeenkomstig voorschrift 9 van de keurvergunning staat verder los van de wijze waarop de waterkering wordt vormgegeven en ingericht. Het projectplan levert derhalve in zoverre ook geen strijd op met voormeld voorschrift. Ter zitting heeft verweerder overigens te kennen gegeven dat uit coulanceoverwegingen vooralsnog niet op voorschrift 9 van de keurvergunning zal worden gehandhaafd.

16. Eiser stelt dat het bestreden besluit de gebruiksmogelijkheden in zijn bovendijkse tuin inperkt. Naar het oordeel van de rechtbank wijzigt het bestreden besluit niet direct het regime dat regelt wat wel en niet is toegestaan op de waterkering. Dit regime wordt bepaald door de Keur. Blijkens de Keur mag geen gebruik worden gemaakt van de waterkering, tenzij bij vergunning anders is besloten. Gelet hierop en de van toepassing zijnde voorschriften in de keurvergunning, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder niet te volgen in zijn standpunt dat geen sprake is van een verslechtering van de gebruiksmogelijkheden van zijn tuin. Bovendien geldt dat, voor zover al sprake zou zijn van een verslechtering, het eiser vrij staat om op grond van artikel 7.14 van de Waterwet een verzoek tot nadeelcompensatie bij verweerder in te dienen.

17.1.

Eiser stelt dat het projectplan strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel, aangezien de (gevolg)kosten van het wijzigen van de waterkering alleen voor rekening van de bewoners van het projectgebied worden gebracht, terwijl alle inwoners van de polder van de dijkverbetering profiteren. Eiser stelt verder dat ook sprake is van een ongelijkheid tussen hem en de andere bewoners van het projectgebied.

17.2.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiser met elkaar vergeleken gevallen – een bewoner van de polder met en zonder waterstaatswerk – feitelijk en rechtens niet te beschouwen als gelijke gevallen. Reeds hierom kan het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel in zoverre niet slagen.

17.3.

Voor zover het de andere bewoners binnen het projectgebied betreft, stelt de rechtbank vast dat het projectplan als zodanig op alle bewoners binnen het projectgebied van toepassing is. Niet gebleken is dat verweerder in dat verband anders met eiser is omgegaan dan de andere bewoners binnen het projectgebied. Verweerder heeft daarmee de vergelijkbare gevallen op gelijke wijze behandeld. Dat eiser wellicht andere gevolgen ervaart van het projectplan dan de overige bewoners, maakt niet dat daardoor sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve ook voor het overige.

18. Gelet op al het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank met het projectplan af kunnen wijken van het geldende leggerprofiel. De omstandigheid dat eiser de voorkeur geeft aan een waterkering overeenkomstig het standaard ophoogprofiel, zoals omschreven onder rechtsoverweging 11, betekent niet dat verweerder niet tot wijziging van de waterkering conform het projectplan heeft kunnen besluiten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder ten gunste van de bewoners van dat standaard ophoogprofiel is afgeweken. Met het projectplan wordt immers meer tuinruimte bespaard dan door toepassing te geven aan het standaard ophoogprofiel.

19. Anders dan eiser betoogt, bestond er naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder geen verplichting om in plaats van een houten, een stalen damwand te plaatsen. Op grond van de Beleidsregels Veendijken 2008 is een stalen damwand pas aan de orde indien een vervangende waterkering wordt aangelegd, zijnde een constructie die de gehele waterkering overneemt. Het projectplan voorziet niet in een dergelijke vervangende waterkering. De rechtbank acht het voorts niet onredelijk dat verweerder vanwege de aanzienlijke hogere kosten niet heeft gekozen voor een stalen damwand.

20. Het beroep is ongegrond.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, voorzitter, en mr. H.P.M. Meskers en mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.