Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7443

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
17 5331
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek pkv kennelijk gegrond, 8:54, 8:75(a) van de Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/5331

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 juni 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls,

en

het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA), verweerder.

Procesverloop

De gemachtigde van eiser heeft op 13 maart 2017 beroep ingesteld naar aanleiding van een e-mailbericht van casemanager van het AZC Almere, waarbij het uitschrijven van eiser bij het COA en het stopzetten van de voorzieningen onder de Regeling verstrekkingen asielzoekers (RVA) 2005 per 15 maart 2017 is medegedeeld. Tevens heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot het continueren van de RVA-voorzieningen (AWB 17/5332).

Bij faxbrief van 13 maart 2017 heeft verweerder bericht dat de RVA-verstrekkingen worden gecontinueerd.

Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser het beroep ingetrokken, met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.

De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Uit artikel 5 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers volgt dat beroep mogelijk is tegen het bij wijze van besluit of feitelijke handeling beëindigen van verstrekkingen onder de RVA 2005.

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank – bij afzonderlijke uitspraak en met toepassing van artikel 8:75 – een bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen, indien daarom bij de intrekking van het beroep wordt verzocht en verweerder geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen.

Op grond van artikel 8:75a, derde lid, van de Awb is met toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigde behandeling van het verzoek om een proceskostenveroordeling, zonder mondelinge behandeling ter zitting, mogelijk, indien dit verzoek kennelijk gegrond is.

2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit voornoemde brief van verweerder van 13 maart 2017 dat verweerder (in ieder geval gedeeltelijk) aan eiser is tegemoet gekomen: verweerder erkent in die brief dat de RVA-verstrekkingen per 15 maart 2017 zouden worden beëindigd en stelt, naar aanleiding van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker, hier alsnog van af te zien.

3. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek om een proceskostenveroordeling kennelijk gegrond is en zal zij verweerder veroordelen in de proceskosten die eiser tijdens de beroepsfase heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 247,50. (één punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt van € 495, wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 247,50 (tweehonderdzevenenveertig euro en vijftig eurocent), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.