Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7435

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
17/2687
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nigeria, 31, eerste lid, persoonlijke vrees voor vervolging, Boko Haram

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/2687

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 14 juni 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. J.J.J. Jansen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. R.P.G. van Bel.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 januari 2017 waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig N. Nyaki, tolk in het Pidgin-Engels. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, [geboortedatum] en van Nigeriaanse nationaliteit, heeft gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan de aanvraag ligt ten grondslag dat eiser is gevlucht omdat hij op 23 januari 2015 in zijn woonplaats Benin City door leden van Boko Haram is ontvoerd. Eiser was die dag op de markt, waar hij door twee gewapende mannen is bedreigd en samen met meerdere jonge mensen is meegenomen in een vrachtwagen. Onderweg stopte de vrachtwagen. Eiser is toen samen met een stuk of vier andere jongens ontsnapt. In Nigeria woonde eiser bij zijn overgrootmoeder (oma), oom en tante.

2. Bij het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en afkomst geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser door onbekenden is ontvoerd. Niet geloofwaardig wordt echter geacht dat eiser is ontvoerd door leden van Boko Haram. Gelet hierop wordt eiser ook niet gevolgd in zijn vrees nogmaals te worden ontvoerd door leden van Boko Haram. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt op grond van persoonlijke feiten en omstandigheden te vrezen voor vervolging.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk heeft te vrezen ten grondslag gelegd dat de gestelde ontvoering door leden van Boko Haram niet geloofwaardig is. Verweerder wijst hierbij onder meer op het feit dat het standpunt van eiser uitsluitend gebaseerd is op zijn eigen vermoedens en omdat zijn familie hem heeft verteld dat het Boko Haram was die hem heeft ontvoerd. Blijkens zijn verklaringen heeft eiser niet met zijn ontvoerders gesproken. Hem is niet verteld waarom hij is meegenomen en evenmin is hem door de ontvoerders verteld dat zij behoorden tot Boko Haram. De ontvoerders hebben hem niet gevraagd naar zijn personalia. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat de ontvoering een op hem persoonlijk gerichte actie was. Bovendien heeft eiser in de negen maanden na zijn ontvoering geen problemen meer ondervonden in Benin City, terwijl hij in deze periode wel naar school is gegaan en examens heeft gedaan. Dat de gebeurtenissen overeenkomen met de werkwijze van Boko Haram maakt dit niet anders. Daarnaast is eiser in Benin City ontvoerd, wat ver verwijderd is van het gebied waarin Boko Haram actief is. Verweerder verwijst hiertoe naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Nigeria van 2015. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het slachtoffer is geworden van op zijn persoon gericht geweld van de zijde van een militante groepering komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, aldus verweerder.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de voormelde motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk heeft te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft hieraan terecht ten grondslag gelegd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij in de negatieve aandacht staat van Boko Haram. De verwijzing naar het rapport van B.N. Lawrance van het Rochester Institute of Technology van 20 april 2017 maakt dit niet anders. Voor zover het rapport ziet op incidenten in Benin City heeft het vooral betrekking op aanslagen en op een andere doelgroep, namelijk prominente personen. Daar komt bij dat ook de inhoud van dit document noch de andere documenten die in zijn algemeenheid zien op Boko Haram de door eiser gestelde persoonlijke vrees niet onderbouwen. Voorts heeft eiser na de ontvoering zonder problemen nog negen maanden in Benin City verbleven. Het standpunt van eiser dat zijn verklaringen worden ondersteund door het voornoemde rapport en dat verweerder dat cumulatief had moeten beoordelen, kan niet slagen. Het is immers aan eiser om zijn relaas en vrees aannemelijk te maken. Hierin is hij niet geslaagd. Het enkele feit dat zijn relaas past in een algemeen beeld, maakt zijn individuele vrees niet aannemelijk. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer te maken zal krijgen met problemen van de zijde van Boko Haram.

6. Voor zover eiser stelt dat hij niet kan terugkeren naar Benin City omdat zijn oma noch andere familieleden daar nog woonachtig zijn, kan dit beroep niet slagen. Eiser heeft dit standpunt op geen enkele wijze met objectieve gegevens onderbouwd dan wel anderszins aannemelijk gemaakt.

7. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en daarmee een verdragsvluchteling is als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van deze wet. De aanvraag is dan ook terecht afgewezen.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.