Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7431

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
NL17.1720
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van bekeerling, zijnde een baptist met evangeliseringsverplichting, afkomstig uit de Koerdische Autonome Regio (KAR). Bekering- en bekeringsactiviteiten zijn geloofwaardig geacht, maar de aanvraag is afgewezen, onder meer omdat in het ambtsbericht van november 2016 is vermeld dat positie in de KAR lichtelijk beter is dan in federaal Irak. Verweerder heeft zijn standpunt, dat eiser vanwege zijn bekering en bekeringsactiviteiten niet het door hem gestelde risico zou lopen, niet toereikend gemotiveerd. Verder heeft verweerder onder meer eisers stelling dat de situatie in de KAR voor bekeerlingen na 2007 is verslechterd niet beoordeeld en is hij niet ingegaan op het betoog dat voor bekeerlingen nog steeds zou moeten worden uitgegaan van de Eligibility Guidelines van mei 2012. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.1720

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder meer de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was ter zitting aanwezig S.A. Kader. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1969 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij is geboren in de plaats Mergah , gelegen in de provincie Suleymaniya, die wordt gerekend tot de Koerdische autonome regio (KAR). Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Op 3 januari 2016 heeft hij de eerder genoemde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zoals blijkt uit het rapport van nader gehoor en de correcties en aanvullingen van 7 april 2017 heeft eiser aan zijn aanvraag het volgende ten grondslag gelegd.

2. Sinds het overlijden van zijn beide ouders - eisers moeder overleed toen hij een jaar oud was, zijn vader overleed in september 1982 - woonde eiser bij een zus van zijn vader in [woonplaats] . Nadat onbekenden in 1993 een bom of granaat bij eiser naar binnen hadden gegooid, voelde hij zich niet veilig en is hij regelmatig van adres gewisseld. Aanvankelijk heeft hij beurtelings in Mergah en in [woonplaats] gewoond. Verder heeft hij onder meer enige tijd in Diyala , Bagdad en Koya verbleven. Ook heeft hij verschillende periodes in het buitenland gewoond (onder meer in Iran en in Turkije (Istanbul)). In 2007 heeft hij in Arbil gewoond. Hij werkte daar als beveiliger van de [naam kerk] Kerk. In 2008 is hij teruggekeerd naar [woonplaats] . Van 2009 tot 2011 heeft hij in Libanon theologie gestudeerd. Op 29 maart 2011 is hij teruggekeerd naar [woonplaats] . Hij is toen gaan werken bij het ministerie van Cultuur en Media van de Koerdische overheid. Tot aan zijn vertrek op 3 augustus 2015 is hij in [woonplaats] gebleven.

3. Eiser heeft verklaard dat hij zijn land heeft verlaten vanwege de problemen die hij heeft ondervonden in relatie tot zijn bekering tot het christendom in 2007 en de activiteiten die hij in het kader van zijn geloof verrichtte. Hij is bedreigd door zijn oom, een broer van zijn moeder, die uit een Sayyid-familie (afstammelingen van de profeet Mohammed) komt en politie-officier is, te weten een majoor (Raid). In juli 2015 heeft zijn oom hem voor het eerst bedreigd. De oom gaf eiser te verstaan dat als hij zijn activiteiten voor het christendom niet zou stoppen, hij ‘verdere maatregelen’ zou nemen. Eiser zou dan geen neef meer van hem zijn. Eiser heeft tevergeefs geprobeerd om met zijn oom te praten en hem zijn liefde voor zijn godsdienst uit te leggen, maar zijn oom kon het niet begrijpen. Toen de oom enige tijd na die eerste bedreiging ontdekte dat eiser zijn werk als evangelist gewoon voortzette, heeft hij eiser hard in zijn gezicht geslagen en gedreigd hem te vermoorden als hij niet zou stoppen. Na het laatste contact met zijn oom heeft eiser nog twintig dagen in Irak verbleven. Hoewel hij bang was ging hij in die tijd naar zijn werk en naar huis en dacht hij na over wat te doen. Op 3 augustus 2015 is eiser uit zijn woonplaats vertrokken. Op 1 januari 2016 is hij in Nederland aangekomen.

4. Eiser heeft verder verklaard dat de situatie in Iraaks Koerdistan steeds gevaarlijker is geworden, vooral voor christenen zoals hij. In 2007 was het veiliger dan later. Vanaf 2013 gingen kerken meer en meer ondergronds en hielden ze bijeenkomsten bij mensen thuis vanwege de veiligheid. Behalve voor zijn oom vreest eiser ook voor de extremistische moslims, zoals IS en de jongeren moslimbeweging, die in Iraaks Koerdistan in het geheim actief zijn en afvalligen zullen doden.

5. Wat betreft de wijze waarop hij invulling geeft aan zijn geloof heeft eiser verklaard dat hij zichzelf beschouwt als volledig christen sinds zijn eerste handoplegging bij een man die pijn in zijn rug had, tot genezing heeft geleid. Hij heeft verklaard dat hij in 2007 van [woonplaats] naar Arbil is gegaan. In Arbil studeerde hij zes maanden bij de Evangelische Culturele Commissie. Ook werkte hij aldaar als beveiliger bij de [naam kerk] Kerk. Op 15 november 2007 is hij in die kerk gedoopt. Na een jaar in Arbil verbleven te hebben is hij teruggekeerd naar [woonplaats] . Eiser heeft verklaard dat in Koerdistan bekend was dat hij tot het christendom was bekeerd. Hij is baptist. Op grond van dit geloof is hij verplicht te evangeliseren. Sinds 2007 heeft hij evangelisch werk verricht in Mergah , Koysanjaq en [woonplaats] . Hij reed rond en verspreidde bijbels, vooral bij de universiteit van Koysanyak. Hij sprak mensen over de bijbel en het christendom. Hij heeft verklaard dat zijn christelijk geloof zijn leven beheerst en dat hij het als een levenstaak ziet om het christendom te verkondigen. Hij bidt veel en leest veel over het christendom. Hij heeft vijf boeken over het christendom geschreven, die hij nog wil publiceren. Naar eigen zeggen heeft hij veel bijgedragen aan het christelijk geloof in Koerdistan. Hij was heel actief voor christenen en voor de verspreiding van het woord van christenen in [woonplaats] en omgeving. Hij deelde cadeaus van de kerk uit zoals speelgoed bij scholen en voetbalschoenen bij voetbalclubs. Waar mogelijk deelde hij ook bijbels uit en als er voldoende animo was vertelde hij wat over het christendom. Ook verspreidde hij boeken van Joyce Meyer, het bijbelverhaal van Lucas en boeken over de wonderen van Jezus. Sinds 2013 bezocht hij ongeveer maandelijks christelijke thuisbijeenkomsten.

6. Zoals blijkt uit het bestreden besluit en het voornemen dat daarvan onderdeel uitmaakt, heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw 2000. Verweerder heeft in het asielrelaas van eiser drie relevante elementen onderscheiden, te weten: de door eiser gestelde identiteit, herkomst en nationaliteit, de gestelde bekering tot het christendom, alsmede de gestelde bedreiging door de oom in relatie tot eisers activiteiten in het kader van zijn christelijk geloof. Verweerder heeft genoemde drie relevante elementen geloofwaardig geacht, maar heeft vervolgens geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiser persoonlijk gevaar zal lopen vanwege zijn bekering, het uitdragen hiervan en het evangeliseren van anderen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat er voor het gebied waar eiser vandaan komt geen uitzonderlijke situatie geldt. Evenmin is gebleken dat eiser behoort tot een risicogroep, een kwetsbare minderheidsgroep of tot een groep die systematisch aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt blootgesteld. Het is daarom aan eiser om zijn persoonlijke vrees aannemelijk te maken. Volgens verweerder is eiser daar niet in geslaagd. De vermoedens van eiser over wat hem bij terugkeer te wachten staat in relatie tot de bedreiging door zijn oom, heeft verweerder niet aannemelijk geacht. Nog afgezien daarvan kan eiser volgens verweerder tegen de gestelde problemen de bescherming van de autoriteiten van de KAR inroepen. Niet is gebleken dat de autoriteiten in de KAR deze bescherming niet kunnen of willen bieden. Wat betreft eisers vrees voor radicale islamitische groeperingen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees hiervoor niet voldoende heeft geconcretiseerd. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding gevonden om hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000 te verlenen.

7. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat zijn standpunt over de bescherming van de autoriteiten niet de kern van zijn standpunt vormt. Het gaat verweerder er naar zijn zeggen vooral om dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar de KAR te vrezen heeft vanwege zijn geloofwaardig geachte bekering en bekeringsactiviteiten.

8. Eiser heeft weersproken dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het land van herkomst gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin, dan wel voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij heeft ook weersproken dat bekeerlingen die evangeliseren bescherming zouden krijgen in de KAR. Hij heeft betoogd dat verweerder te weinig onderzoek heeft gedaan naar de situatie van bekeerlingen die evangeliseren in de KAR. De informatie die verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, heeft volgens eiser betrekking op christenen in het algemeen en niet specifiek op bekeerlingen en op hen die evangeliseren. Volgens eiser is juist de positie van laatstgenoemde groep extra kwetsbaar omdat zij zich van de islam hebben afgekeerd. Hij heeft bij de zienswijze verschillende stukken overgelegd over de positie van christenen, bekeerlingen, afvalligen dan wel atheïsten in de KAR. Daarnaast heeft hij betoogd dat het in de Eligiblility Guidelines voor Irak van 31 mei 2012 vervatte standpunt van de UNHCR over bekeerlingen nog steeds geldig is. In die guidelines is onder meer vermeld dat: “(…) christian converts are likely to be in need of international refugee protection in the whole country, including the Kurdistan Region..”. In zijn visie heeft verweerder hetgeen hij heeft aangevoerd in zijn zienswijze van 11 april 2017 onvoldoende weerlegd. In beroep heeft hij een e-mail van Irak-deskundige Rebwar Fatah overgelegd, waarin antwoord wordt gegeven op een aantal vragen over bekeerlingen in de KAR. Verder heeft hij aangevoerd dat er bij verweerder tot voor kort sprake was van een (kennelijke) beslispraktijk waarbij aan vrijwel alle geloofwaardige bekeerlingen uit Irak, incluis de KAR een asielstatus werd verleend. De in het bestreden besluit besloten liggende afwijking van die kennelijke beslispraktijk zou volgens eiser nader onderbouwd moeten worden.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

10. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 – voor zover van belang – kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie; of

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige of individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

11. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

12. De rechtbank begrijpt uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen dat verweerder het asielrelaas van eiser weliswaar geloofwaardig heeft geacht, maar zich op het standpunt heeft gesteld dat het door eiser aan de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoeden dat hij vanwege zijn bekering en zijn bekeringsactiviteiten bij terugkeer naar de KAR zal worden vermoord door zijn oom, niet plausibel is en daarom niet kwalificeert als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder heeft daarvoor redengevend geacht dat de omstandigheden waaronder de oom van eiser hem heeft bedreigd, er niet op duiden dat die oom hem dood zou willen hebben. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen (1) dat eiser vanaf 2007 met het christendom bezig is en pas in 2015 door zijn oom is bedreigd, (2) dat de oom eerder in 2015 al eens tegen eiser had gezegd dat hij met zijn activiteiten moest stoppen en eiser ermee weg heeft laten komen toen hij geen gevolg gaf aan dit gebod. Ook (3) de omstandigheid dat eiser geprobeerd heeft zijn oom de liefde voor zijn geloof uit te leggen geeft volgens verweerder geen blijk van een reële vrees om gedood te zullen worden. Daarnaast heeft verweerder betekenis gehecht aan (4) de omstandigheid dat eiser twintig dagen na de bedreiging uit Irak is vertrokken en in die periode gewoon naar zijn werk is gegaan, waarbij niet is gebleken van enige beperkingen van vrijheid. Volledigheidshalve heeft verweerder daaraan toegevoegd dat eiser legaal de grens van Irak naar Turkije is gepasseerd, waardoor niet aannemelijk wordt geacht dat de autoriteiten van de KAR hem zochten.

13. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet alle uit het relaas van eiser naar voren komende omstandigheden, die samenhangen met de relevante elementen die verweerder in de besluitvorming heeft onderscheiden, kenbaar bij vorenstaande beoordeling betrokken heeft. Dit betreft bijvoorbeeld de omstandigheid dat eiser niet de gehele bij (1) genoemde periode vanaf zijn bekering in 2007 tot aan de bedreiging in 2015 op dezelfde plaats heeft verbleven. Eiser heeft immers verklaard dat hij in de periode tot 2011 zeer regelmatig van woonplaats is gewisseld, geruime tijd in het buitenland heeft verbleven en zijn activiteiten voor zijn geloof in verschillende plaatsen heeft verricht. Ook eisers verklaring dat zijn oom een hoge positie binnen de politie had en dat de familie van eisers moeder tot de afstammelingen van de profeet Mohammed behoorde heeft verweerder onbesproken gelaten. Dat geldt ook voor eisers verklaring dat zijn moeder door een van haar andere broers vermoord zou zijn. Naar dezerzijds oordeel had verweerder ook deze omstandigheden bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moeten betrekken, dan wel had verweerder moeten aangeven waarom aan die omstandigheden in het licht van de onder (1) tot en met (4) genoemde omstandigheden geen betekenis zou toekomen.

14. De rechtbank merkt verder op dat de feitelijke toedracht van de bedreigingen en van het gesprek tussen eiser en zijn oom over eisers liefde voor het geloof niet conform het nader gehoor en de daarop ingediende correcties en aanvullingen is weergegeven. Nog afgezien daarvan heeft eiser verklaard dat zijn oom met de bedreigingen aan zijn adres beoogde dat eiser zou stoppen met zijn geloofsactiviteiten. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom de omstandigheid dat eiser in de twintig dagen na de bedreiging gewoon naar zijn werk is geweest, maatgevend zou zijn voor de plausibiliteit van zijn vrees voor zijn oom. Of eiser in die periode van twintig dagen de geloofsactiviteiten die zijn oom hem verboden had heeft voortgezet, is niet in aanmerking genomen. Nu verweerder geen verweerschrift heeft ingediend en ook ter zitting niet heeft verduidelijkt dat, en om welke reden, deze omstandigheden buiten beschouwing zouden moeten blijven, is de rechtbank van oordeel dat de in het voorgaande weergegeven motivering niet toereikend is om aan te nemen dat eisers vermoeden dat hij bij terugkeer in de KAR risico loopt om door zijn oom vermoord te worden, niet plausibel zou zijn.

15. Wat betreft eisers vrees voor radicale islamitische groeperingen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees hiervoor niet voldoende heeft geconcretiseerd. Ook voor het overige is volgens verweerder niet gebleken dat eiser persoonlijk gevaar zal lopen vanwege zijn bekering, het uitdragen hiervan en het evangeliseren van anderen. Verweerder heeft zijn standpunt dienaangaande gebaseerd op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van november 2016 en het daarop gebaseerde landgebonden asielbeleid neergelegd in WBV 2017/2.

16. In het door eiser in de zienswijze geciteerde informatieoverzicht van de Canadese Immigration and Refugee Board van 2 september 2016, dat betrekking heeft op de behandeling van atheïsten en afvalligen in de KAR, wordt melding gemaakt van incidenten waarin atheïsten en afvalligen bedreigd zijn door radicale islamieten dan wel islamitische groeperingen. Daarnaast wordt in dit stuk gerefereerd aan min of meer eensluidende informatie uit een rapport van de fact finding mission naar Erbil die in september en oktober 2015 is uitgevoerd door the Danish Refugee Council (DRC) en de Deens immigratiedienst. De rechtbank overweegt dat die informatie op zichzelf niet op gespannen voet staat met de informatie uit het door verweerder gehanteerde ambtsbericht op dit punt. In het genoemd ambtsbericht (p. 68) is immers op dit punt het volgende vermeld:

“Atheïsten kunnen zich in Irak niet vrij uiten uit angst voor geweldpleging of zelfs vermoord te worden door conservatieve moslims of medeburgers en in het geheim samenkomen. Dit hangt samen met de ongewenstheid in de Islamitische samenleving om kritiek te uiten op de islam. Hoewel ook beperkt, zou men in de Koerdische regio een lichtelijk betere positie hebben dan in federaal Irak vanwege een minder prominente rol van religie in de Koerdische samenleving. Afvalligheid is niet expliciet strafbaar in de Iraakse wetgeving, hoewel er wetten zijn die zodanig uitgelegd kunnen worden dat ze in geval van blasfemie of afvalligheid tegen iemand gebruikt kunnen worden. (…) Dezerzijds is niet bekend dat in de verslagperiode sprake is geweest van juridische vervolging wegens afvalligheid of blasfemie. (…)”

17. Ook de in de zienswijze geciteerde passage uit het rapport van het US Department of State uit 2015 getiteld Report on Internatonal Religious Freedom – Iraq van 10 augustus 2016, waaruit blijkt dat de aantallen christenen in Irak de afgelopen jaren gedaald zijn, strookt met het ambtsbericht, waar op p. 72 dienaangaande het volgende is vermeld:

“Het aantal christenen in Irak zou in de afgelopen tien jaar gedaald zijn van anderhalf miljoen tot tussen de driehonderd- en vierhonderdduizend personen. Zij verblijven met name in de Koerdische regio, Ninewa, Bagdad en Basra. De situatie in de Koerdische regio zou aanzienlijk beter zijn dan in Centraal- en Zuid-Irak. (…)”

18. In de zienswijze heeft eiser er voorts uitdrukkelijk op gewezen dat in genoemd rapport van het US Department of State ook is vermeld dat zich in de KAR een aanzienlijke daling van het aantal evangelische christenen voordoet: “Only 50 Evangelical Christian families reportedly remain in the IKR, down from approximately 5,000 in 2013”.

19. Daarnaast heeft eiser in de zienswijze aangevoerd dat in het rapport van het US State Department is vermeld dat: “personal status laws and regulations prohibit the conversion of Muslims to other religions” en dat hetgeen eiser probeerde, te weten het bekeren van moslims, dus ook wettelijk is verboden.

20. Verder heeft eiser gemotiveerd en onder verwijzing naar een gesprek tussen Hans van Oosterhout van Vluchtelingenwerk met Luke Korlaar, Protection Officer van UNHCR Nederland betoogd dat het standpunt over bekeerlingen in de UNHCR Eligibility Guidelines van 31 mei 2012 nog steeds geldig is. In die guidelines is op p. 27 en 28 het volgende vermeld:

“(…) Christian converts are likely to be in need of international refugee protection in the whole country, including the Kurdistan Region. (…) Given the widespread animosity towards converts from Islam and the general climate of religious intolerance, the conversion of a Muslim to Christianity would likely result in ostracism and/or violence at the hands of the convert’s community, tribe or family.”

21. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat reeds omdat de informatie die eiser heeft aangedragen dateert van vòòr het ambtsbericht inzake Iran van 10 november 2016, die informatie niet kan leiden tot een ander oordeel dan verwoord in het voornemen. In de door eiser ingeroepen uitspraak van 13 oktober 2016 heeft verweerder evenmin aanleiding gevonden om tot een andersluidend besluit te komen, omdat de ingeroepen uitspraak een persoon uit Bagdad betreft. Volgens verweerder heeft die uitspraak dan ook geen invloed op de beoordeling van de situatie van bekeerlingen in de KAR. In dit kader heeft verweerder er ook op gewezen dat in de KAR in zijn algemeenheid religie niet een dusdanig grote rol in de samenleving speelt, er vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is met name in de KAR, alsmede dat er in Suleymaniya en in Erbil, twee grote en belangrijke steden in het KAR-gebied, zelfs kerken voor bekeerlingen te vinden zijn waar men het geloof kan belijden. Wat betreft de evangeliseringsactiviteiten van eiser heeft verweerder overwogen dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij in Irak reeds bezig was met evangeliseren (hij deelde bijvoorbeeld al in 2007 bijbels uit) en vanwege die activiteiten enkel problemen van de zijde van zijn oom heeft ondervonden. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiser problemen heeft ondervonden of zal gaan ondervinden omdat hij als afvallige wordt aangemerkt. In het ambtsbericht van november 2016 worden atheïsme en afvalligheid samen behandeld. In dit ambtsbericht is verder vermeld dat men in de KAR een lichtelijk betere positie heeft dan in federaal Irak vanwege een minder prominente rol van religie in de Koerdische samenleving. Verder heeft verweerder onder meer in aanmerking genomen dat uit het desbetreffende ambtsbericht blijkt dat afvalligheid in de Iraakse wetgeving niet expliciet strafbaar is, hoewel er wetten zijn die zodanig uitgelegd kunnen worden dat ze in geval van blasfemie of afvalligheid tegen iemand gebruikt kunnen worden. Dat eiser om voornoemde redenen bij terugkeer hinder kan ervaren valt volgens verweerder niet uit te sluiten. Echter, uit het ambtsbericht blijkt ook dat, voor zover bekend, in de KAR geen sprake is geweest van juridische vervolging wegens afvalligheid of blasfemie. Verweerder heeft geconcludeerd dat niet gebleken is dat bekeerlingen of andere afvalligen zoals atheïsten enkel vanwege hun afvalligheid in de KAR een risico lopen op vervolging of schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft volgens verweerder evenmin onderbouwd dat de informatie in bedoeld ambtsbericht betreffende christenen niet zou opgaan voor baptisten.

22. Het betoog van eiser komt er in de kern op neer dat eiser een meer dan gemiddeld risico loopt omdat hij zich als een in Irak bekeerde christen bezig houdt met evangeliseringsactiviteiten en dit volgens eiser, samen met de omstandigheid dat hij niet als christen is geboren, maar zich in Irak bekeerd heeft, als verzwarende omstandigheid heeft te gelden. Met eiser stelt de rechtbank vast dat in de door verweerder aangehaalde passages uit het ambtsbericht van november 2016 als zodanig weinig wordt gezegd over de positie van bekeerlingen en niet wordt ingegaan op de positie van christenbekeerlingen die, zoals de baptisten waartoe eiser behoort, op grond van hun geloof een verplichting tot evangeliseren hebben. In het landgebonden beleid ten aanzien van Irak, neergelegd in WBV 2017/2 (13.4.3) zijn – voor zover thans van belang - christenen afkomstig uit Centraal- en Zuid-Irak aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Ter zitting is verweerder het antwoord schuldig gebleven op de vraag wat het gestelde in het ambtsbericht dat de situatie in de KAR “lichtelijk beter zou zijn” dan in federaal Irak in die context concreet betekent. Wel heeft verweerder ter zitting te kennen gegeven dat de positie van christenen in de KAR iets rooskleuriger is dan in de rest van Irak en dat uit het ambtsbericht blijkt dat christenen uit de rest van Irak in de KAR opgevangen worden, maar dat verweerder bekend is dat de bereidheid in de KAR om christenen op te vangen minder wordt en de positie van de KAR als ‘safe haven’ onder druk komt te staan.

23. Zoals blijkt uit werkinstructie 2014/10 zal ten aanzien van een vreemdeling die behoort tot een risicogroep (vluchtelingschap) of een kwetsbare minderheid (artikel 3 EVRM) eerder worden geconcludeerd dat de vermoedens over wat hem bij terugkeer zal overkomen reëel zijn, dan ten aanzien van een vreemdeling die niet tot zodanige groep behoort. Onder de aldus gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt, dat eiser vanwege zijn bekering en bekeringsactiviteiten niet het door hem gestelde risico zou lopen, niet toereikend heeft gemotiveerd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het activiteitenpatroon dat eiser aan de dag legt (zie onder punt 5 van deze uitspraak) als meer dan gemiddeld kan worden gekwalificeerd. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verweerder eisers stelling in de zienswijze dat de situatie in de KAR voor bekeerlingen na 2007 is verslechterd, dat de invloed van Salafistische en extremistische moslims ernstig is vergroot en dat eiser voor hen een afvallige is, die volgens de Sharia wetgeving gedood moet worden, als zodanig niet heeft beoordeeld. Evenmin is verweerder ingegaan op het betoog dat voor bekeerlingen nog steeds zou moeten worden uitgegaan van de Eligibility Guidelines van mei 2012, noch op de in beroep overgelegde e-mail van Irak deskundige Rebwar Fatah, waarin antwoord wordt gegeven op een aantal vragen over bekeerlingen in de KAR en waarin onder meer wordt vermeld dat bekeerlingen mogelijk worden uitgesloten en dat indien bekeerlingen zich bezig houden met het actief bekeren van anderen geweld zeker niet valt uit te sluiten.

24. Het beroep is gegrond, de rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien omdat nader onderzoek naar de positie van evangeliserende bekeerlingen als eiser in de KAR meer licht kan werpen op de door eiser afgelegde verklaringen. Omdat niet duidelijk is hoeveel tijd met een dergelijk onderzoek gemoeid zal zijn acht de rechtbank ook geen termen aanwezig om een bestuurlijke lus toe te passen.

25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 7 juni 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.