Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7349

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
C-09-532866-KG ZA 17-638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing van de vordering om te bepalen dat het COA gehouden is om eiser over te plaatsen naar een AZC in (de buurt van) Amsterdam, dan wel een ander AZC dan waar hij thans verblijft. De vordering ontbeert voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/532866 / KG ZA 17/638

Vonnis in kort geding van 16 juni 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.B.G. Gelissen te Sittard,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Centraal Bureau COA,

zetelende te Rijswijk (Zuid-Holland),

gedaagde,

advocaat mr. W.H.J. Semeijn te Zwolle.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘het COA’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door het COA overgelegde producties;

- de op 8 juni 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is een asielzoeker uit Iran, die vanwege zijn seksuele geaardheid naar Nederland is gevlucht om hier asiel aan te vragen.

2.2.

[eiser] verblijft thans in een asielzoekerscentrum (AZC) te [stad 1] . Op 2 augustus 2016 heeft aldaar een intake plaatsgevonden. Na een eerste plaatsing in een appartement met alleenstaande mannen, is [eiser] korte tijd daarna, nadat hij aangaf homoseksueel te zijn, binnen het AZC overgeplaatst naar een zogenoemd LHBT-appartement.

2.3.

Na die overplaatsing heeft [eiser] in september en oktober 2016 bij het COA klachten geuit van diverse aard en verzocht om overplaatsing naar een andere kamer. Het COA heeft [eiser] daarop een aanbod gedaan, waarvan [eiser] geen gebruik heeft gemaakt.

2.4.

Op 13 januari 2017 heeft er een incident plaatsgevonden tussen [eiser] en een persoon (hierna: [A] ), die in het AZC verbleef in de kamer naast [eiser] . [eiser] heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Verkort weergegeven staat in de aangifte vermeld dat [eiser] meermaals erover heeft geklaagd dat [A] overlast veroorzaakte. Op 13 januari 2017 heeft [A] , nadat [eiser] bij de receptie over hem is gaan klagen, [eiser] bedreigd met de dood, waarbij hij een groot keukenmes tegen de keel van [eiser] heeft gehouden, zo is in de aangifte opgenomen. [A] is na dit incident door het COA overgeplaatst naar een ander AZC. [A] is voor het vorenstaande onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaar.

2.5.

Na voormeld incident heeft [eiser] nog enkele malen bij het COA klachten geuit van diverse aard. In mei 2017 heeft (de advocaat van) [eiser] meermaals verzocht om [eiser] over te plaatsen naar het AZC te [stad 2] . Deze verzoeken zijn door het COA geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat het COA gehouden is om hem binnen een week na betekening van dit vonnis over te plaatsen naar een AZC, dan wel een andere opvangvoorziening, primair te [stad 2] subsidiair in de buurt van [stad 2] en meer subsidiair op een andere plek dan waar hij thans verblijft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag en met veroordeling van het COA in alle kosten die [eiser] in en buiten rechte heeft gemaakt, waaronder van deze procedure.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Hij wordt stelselmatig lastig gevallen door medebewoners vanwege zijn seksuele geaardheid. Na het ernstige incident van 13 januari 2017 en de overplaatsing van [A] naar een ander AZC, zijn de beledigingen en bedreigingen door vrienden en kennissen van [A] toegenomen. [eiser] heeft hierover meermaals geklaagd bij het COA, maar het COA weigert in te grijpen. De argumenten daarvoor van het COA gaan niet op. [eiser] woont weliswaar in een LHBT-appartement, maar hij begeeft zich in het AZC ook buiten zijn appartement en hij komt ook in de stad [stad 1] , waar hij andere bewoners van het AZC tegenkomt. De aanleiding voor de bedreigingen en provocaties is overigens niet relevant. De ernst van de bedreigingen is door [eiser] voldoende onderbouwd met de aangifte en de daarop volgende strafrechtelijke veroordeling. Het COA laat na te bewerkstelligen dat haar huisreglement, meer specifiek het verbod op discriminatie en intimidatie, jegens [eiser] wordt nageleefd. Het COA dient [eiser] over te plaatsen, nu er sprake is van een noodzaak als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onder b van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva), te weten de waarborging van zijn veiligheid.

3.3.

Het COA voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter volgt het COA in zijn verweer dat [eiser] niet aannemelijk heeft weten te maken dat hij stelselmatig wordt beledigd en bedreigd vanwege zijn seksuele geaardheid en dat het COA daarop onvoldoende actie onderneemt, zoals [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Van stelselmatige beledigingen en bedreigingen vanwege een andere reden is overigens evenmin gebleken. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.2.

[eiser] heeft ter onderbouwing van voormeld standpunt de aangifte van 13 januari 2017 overgelegd, alsmede het bewijs van de strafrechtelijke veroordeling van [A] . Daarmee heeft [eiser] voldoende aangetoond dat er op 13 januari 2017 sprake was van een ernstig incident, hetgeen het COA overigens ook niet weerspreekt. Wat er ook zij van de reden van de bedreiging, die gezien de tekst van de aangifte niets met de seksuele geaardheid van [eiser] van doen heeft, gebleken is dat het COA hierop adequaat actie heeft ondernomen door [A] direct na het incident over te plaatsen naar een ander AZC.

4.3.

[eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er nadien nog andere (ernstige) incidenten hebben plaatsgevonden, waarop het CAO had moeten ingrijpen. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat vrienden en kennissen van [A] hem na het incident veelvuldig hebben bedreigd en beledigd en dat deze uitlatingen betrekking hebben op zijn seksuele geaardheid, maar hij heeft deze stelling op geen enkele wijze nader geconcretiseerd en/of onderbouwd.

4.4.

De door het COA overgelegde logboeknotities en gespreksverslagen, waarvan de inhoud door [eiser] niet is betwist, bieden ook geen bevestiging voor voormelde stelling van [eiser] . Integendeel, hieruit blijkt dat [eiser] op de hoogte is van de mogelijkheid om bij het COA te klagen over bijvoorbeeld zijn plaatsing en over het gedrag van medebewoners. Van deze mogelijkheid heeft hij immers meermaals gebruik gemaakt. Hieruit blijkt echter niet dat [eiser] in de periode van januari tot en met april 2017 in meldingen en/of gesprekken heeft gerefereerd aan bedreigingen/beledigingen betreffende zijn seksuele geaardheid of anderszins.

4.5.

Uit genoemde stukken blijkt wel dat [eiser] op verschillende manieren last heeft ervaren van medebewoners, maar dat betreft geluidsoverlast, overlast door het niet opruimen van etensresten en het lastig kunnen communiceren met kamergenoten van een andere nationaliteit. Een samenhang met de seksuele geaardheid van [eiser] kan hier niet uit worden afgeleid en een onveilige woonsituatie, die onmiddellijke ingrijpen vergt op de wijze zoals [eiser] die voorstaat, evenmin. Tevens blijkt uit voormelde documenten dat bij [eiser] sprake is van problematiek van andere aard, zoals psychische problemen.

4.6.

Genoegzaam is gebleken dat het COA ook op die problemen serieus is ingegaan en heeft getracht om hiervoor oplossingen te bieden, die in ieder geval voor een groot deel tegemoet komen aan de bezwaren van [eiser] . Zo heeft het COA aangeboden dat [eiser] zelf een ander leegstaand(e) appartement/kamer binnen het AZC zou kiezen en dat hij zelf een kamergenoot zou mogen aandragen. Na tussenkomst van een gemachtigde aan de zijde van [eiser] heeft het COA bovendien aan [eiser] aangeboden om een appartement te betrekken op een andere locatie in [stad 1] . Alhoewel deze locatie in dezelfde stad is gelegen en [eiser] naar eigen zeggen ook in de stad last ondervindt van bewoners van het AZC, vormt dit in de kern wel een oplossing voor de problemen, zoals [eiser] die kennelijk ervaart. Hiermee wordt [eiser] immers in ieder geval een veilig gevoel geboden op zijn woonlocatie en in zijn directe woonomgeving. [eiser] heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

4.7.

Uit de logboeknotities van het AZC blijkt dat [eiser] aan zijn verzoek van 3 mei 2017 om overplaatsing naar een AZC te [stad 2] wel ten grondslag heeft gelegd dat hij gepest wordt door een medebewoner omdat hij homoseksueel is. In het daarop volgende gesprek heeft [eiser] echter diverse andere problemen/redenen voor zijn verzoek tot overplaatsing genoemd en aangegeven alleen een overplaatsing naar [stad 2] te willen. Naar zijn zeggen woont daar een vriend van hem, bij wie hij graag in de buurt wil zijn. Alhoewel die wens begrijpelijk voorkomt, kan het niet onrechtmatig worden geacht dat het COA niet tegemoet komt aan een dergelijk verzoek om op een specifieke locatie te worden geplaatst. Het COA heeft in dit kader overigens nog toegelicht dat zij bewoners wel zoveel mogelijk ter wille wil zijn, maar dat dit niet altijd mogelijk is, mede omdat bepaalde locaties zeer gewild zijn. Dat op haar in dit kader geen verplichting rust, wordt door de voorzieningenrechter gevolgd.

4.8.

De vordering van [eiser] ontbeert gelet op het vorenstaande voldoende feitelijke grondslag, zodat deze niet voor toewijzing vatbaar is. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van het COA begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2017.

ts