Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7335

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
C/09/530932 / FA RK 17-2942
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering.

De rechtbank overweegt dat de vraag naar de tussen de ouders geldende gezagsverhouding naar Australisch recht dient te worden beoordeeld, nu de kinderen onmiddellijk voor de overbrenging hun gewone verblijfplaats in Australië hadden. Nu de ouders naar Australisch recht gezamenlijk belast zijn met het gezag over de kinderen en vaststaat dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de kinderen naar (en vasthouding in) Nederland, is er sprake van ongeoorloofde overbrenging van de kinderen naar Nederland.

Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag slaagt niet.

De rechtbank gaat ook voorbij aan het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.

De rechtbank gelast de terugkeer van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat het Verdrag niet uitsluit dat in een specifiek geval teruggeleiding naar een bepaalde regio van een Verdragsluitende Staat kan worden gelast indien deze regio valt onder de jurisdictie van deze Staat. De rechtbank ziet in de specifieke omstandigheden van dit geval aanleiding om de teruggeleiding naar Tasmanië te gelasten, gelet op het feit dat niet alleen Australië qua oppervlakte een zeer omvangrijk land is, maar ook de afstand tussen het Australische vasteland en Tasmanië groot is en de kinderen alleen in Tasmanië hebben gewoond sinds de emigratie in 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-2942

Zaaknummer: C/09/530932

Datum beschikking: 26 juni 2017

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 14 april 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoeker] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] , Tasmanië, Australië,

advocaat: mr. M. van Yperen-Groenleer te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] (gemeente [woonplaats] ),

advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief van 5 mei 2017, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    het faxbericht van 16 mei 2017 van de zijde van de moeder;

  • -

    de brief van 23 mei 2017, inhoudende het gewijzigde verzoek van de zijde van de vader;

  • -

    het verslag van de bijzondere curator van 30 mei 2017;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het aanvullend verweerschrift;

  • -

    de brief van 7 juni 2017, met bijlagen, van de zijde van de vader, tevens inhoudende het gewijzigde verzoek van de zijde van de vader;

  • -

    het faxbericht van 8 juni 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    het faxbericht van 9 juni 2017, met bijlage, van de zijde van de moeder;

  • -

    de brief van 9 juni 2017, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    faxbericht van 9 juni 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 11 mei 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. H.M. Boone. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 15 mei 2017 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd.

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2017 is drs. J.A.M. (Annelies) Hendriks benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen [1. minderjarige] en [2. minderjarige] . De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Wat geven [1. minderjarige] en [2. minderjarige] zelf aan over een eventueel verblijf in Australië en een eventueel verblijf in Nederland?

  2. In hoeverre lijken [1. minderjarige] en [2. minderjarige] zich vrij te kunnen uiten?

  3. In hoeverre lijken [1. minderjarige] en [2. minderjarige] de gevolgen van het verblijf in Australië of het verblijf in Nederland te overzien?

  4. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?

Het verzoek om voor de minderjarige [mj kind van belanghebbende] , de minderjarige dochter van de moeder uit een eerdere relatie, een bijzondere curator te benoemen is afgewezen.


Op 12 juni 2017 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bijzondere curator mevrouw J.A.M. Hendriks.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt thans – uitvoerbaar bij voorraad – :

de onmiddellijke teruggeleiding te gelasten van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] primair naar de

vader, subsidiair naar [adres] te [woonplaats] , Tasmanië (Australië), meer subsidiair maar Australië, uiterlijk 16 juni 2017, althans 18 juni 2017, althans zo spoedig mogelijk, althans op een datum die de rechtbank juist acht,

waarbij in geval van teruggeleiding naar de vader conform het primair verzochte,

wordt bepaald dat de kinderen met de vader mee terug naar [woonplaats] reizen, voor zover de teruggeleiding wordt gelast voor 18 juni 2017 en voor zover de teruggeleiding wordt gelast na 18 juni 2017, wordt bepaald dat de vader de kinderen in Nederland zo spoedig mogelijk komt ophalen om vervolgens samen met hen naar [woonplaats] te Reizen,

in welk kader de moeder wordt veroordeeld te zorgen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] , per omgaande, en in het geval zij dit nalaat aan de vader vervangende toestemming te verlenen ex artikel 34 Paspoortwet om zorg te dragen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] ,

waarbij in geval van teruggeleiding naar [adres] te [woonplaats] , Tasmanië

(Australië), conform het subsidiair verzochte, wordt bepaald dat de kinderen met de vader mee terug naar [woonplaats] reizen, voor zover de teruggeleiding wordt gelast voor 18 juni 2017 en voor zover de teruggeleiding wordt gelast na 18 juni 2017, wordt bepaald dat de vader de kinderen in Nederland zo spoedig mogelijk komt ophalen om vervolgens samen met hen naar [woonplaats] af te reizen,

in welk kader de moeder wordt veroordeeld te zorgen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] , per omgaande, en in het geval zij dit nalaat de vader vervangende toestemming te verlenen ex artikel 34 Paspoortwet om zorg te dragen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] ,

waarbij in geval van teruggeleiding naar Australië, conform het meer subsidiair

verzochte, wordt bepaald dat de kinderen met de vader mee terug naar [woonplaats] reizen, voor zover de teruggeleiding wordt gelast voor 18 juni 2017 en voor zover de teruggeleiding wordt gelast na 18 juni 2017, wordt bepaald dat de vader de kinderen in Nederland zo spoedig mogelijk komt ophalen om vervolgens samen met hen naar [woonplaats] te reizen,

in welk kader de moeder wordt veroordeeld te zorgen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] , per omgaande, en in het geval zij dit nalaat de vader vervangende toestemming te verlenen ex artikel 34 Paspoortwet om zorg te dragen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] ,

waarbij in alle gevallen de moeder wordt veroordeeld [2. minderjarige] en [1. minderjarige] met de

benodigde geldige reisdocumenten aan de vader af te geven op eerste verzoek van de vader,

in welk kader de moeder wordt veroordeeld te zorgen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] , per omgaande, en in het geval zij dit niet doet de vader vervangende toestemming te verlenen ex artikel 34 Paspoortwet om zorg te dragen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] , opdat de vader [1. minderjarige] en [2. minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar [woonplaats] ,

waarbij in geval de rechtbank van oordeel is dat de moeder de kinderen moet

teruggeleiden de moeder wordt veroordeeld en wordt bevolen primair [1. minderjarige] en [2. minderjarige] terug te brengen naar de vader, subsidiair naar [adres] te [woonplaats] , Tasmanië (Australië), en meer subsidiair naar Australië,

in welk kader de moeder wordt veroordeeld te zorgen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] , per omgaande, en in het geval zij dit nalaat de vader vervangende toestemming te verlenen ex artikel 34 Paspoortwet om zorg te dragen voor verlenging van het paspoort van [1. minderjarige] ,

de moeder te veroordelen al datgene te doen wat nodig is om ervoor te zorgen dat

[2. minderjarige] en [1. minderjarige] terug kunnen reizen naar [woonplaats] en Australië binnenkomen.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Australië zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Gewone verblijfplaats

Niet in geschil is dat [1. minderjarige] en [2. minderjarige] onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Australië hadden.

Gezagsrecht en toestemming

Tussen de ouders is in geschil of zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over de kinderen.

De vader stelt dat de ouders naar Australisch recht gezamenlijk het gezag hebben over de kinderen en dat de ouders ook daadwerkelijk gezamenlijk het gezag uitoefenden op het moment van vertrek van de kinderen naar Nederland.

De moeder betwist dat de vader mede met het gezag over de kinderen is belast. De moeder stelt hierbij dat de ouders in Nederland geen aantekening van gezamenlijk gezag in het gezagsregister hebben laten plaatsen. Op het moment dat de ouders in augustus 2015 naar Australië vertrokken had de moeder dus het eenhoofdig gezag. Volgens de moeder heeft zij momenteel (naar Nederlands recht) nog steeds het eenhoofdig gezag over de kinderen.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3 van het Verdrag bepaalt het recht van de staat waar de kinderen onmiddellijk voorafgaand aan het moment van de overbrenging hun gewone verblijfplaats hadden aan wie het gezagsrecht toekomt.

Zoals hiervoor aangegeven is tussen de ouders niet in geschil dat de kinderen onmiddellijk voor de overbrenging hun gewone verblijfplaats in Australië hadden. Gelet hierop dient de vraag naar de tussen de ouders geldende gezagsverhouding naar Australisch recht te worden beoordeeld. De rechtbank merkt hierbij op dat het bepaalde in artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) niet tot een ander oordeel leidt. De regelgeving inzake het Australisch familierecht is geregeld in de Family Law Act 1975. Op grond van section 61 C juncto Division 2, section 111B Family Law Act berust het gezag (parental responsibility) ten aanzien van kinderen bij beide ouders. Het gezag omvat volgens section 61B ‘…all the duties, powers, responsibilities and authority which, by law, parents have in relation to children’. Dit verandert niet door wijzigingen in de relatie van de ouders, zoals het verbreken van de relatie en/of (her)trouwen van (één van) de ouders.

Nu de ouders naar Australisch recht gezamenlijk belast zijn met het gezag over de kinderen, welk gezag de vader ook daadwerkelijk uitoefende, diende de moeder toestemming van de vader te hebben voor de overbrenging van de kinderen naar (en vasthouding in) Nederland. Vaststaat dat de vader deze toestemming niet heeft gegeven.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de kinderen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de kinderen in Nederland zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de kinderen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

De moeder heeft gesteld dat er sprake is van de weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel

13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder stelt dat er bij terugkeer naar Australië een ernstig risico bestaat dat de kinderen worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel dat zij in een ondragelijke toestand worden gebracht. De moeder voert hiertoe het volgende aan. Gedurende de gehele relatie van de ouders is er sprake geweest van huiselijk geweld. Zij hadden (in Nederland en in Australië) veel ruzies die gepaard gingen met verbaal geweld. De vader had agressieve buien en heeft de moeder ook fysiek mishandeld. De dochter van de moeder, [mj kind van belanghebbende] , is getuige en slachtoffer geweest van verbaal en fysiek geweld door de vader. De moeder heeft vlak voor haar vertrek naar Nederland hulp gezocht bij Family Violence Australia en Anglicare.

Bij terugkeer naar [woonplaats] of een plaats in de buurt van [woonplaats] zal de moeder – vanwege het ontbreken van een sociaal vangnet, een woning en geschikt werk – afhankelijk zijn van de vader. Dat de vader aangeeft dat hij bereid is alles voor de moeder te regelen is gelet op de slechte verstandhouding tussen de ouders geen optie. Het (verbale) geweld zal daarmee niet eindigen. In dat geval zou het tussen de ouders bestaande ongezonde patroon waarbij de kinderen worden blootgesteld aan huiselijk geweld en ruzies weer herleven. De kinderen mogen niet teruggestuurd worden naar een plaats waar ze het risico lopen om aan deze vorm van kindermishandeling te worden blootgesteld. De kinderen raken dan klem en verloren.

Bovendien heeft de vader aangegeven dat hij bij de Australische autoriteiten aangifte van ontvoering zal doen indien de moeder niet met de kinderen naar [woonplaats] dan wel de directe omgeving van [woonplaats] terugkeert. Nu het voor de moeder geen optie is om naar [woonplaats] terug te keren, is het gevolg dat de moeder het risico loopt om vervolgd en gestraft te worden in Australië.

Hiernaast is de moeder altijd de hoofdverzorger van de kinderen geweest. Als de kinderen bij de vader wonen en hij de volledige zorg op zich moet nemen, zal dit een gevaar zijn voor de ontwikkeling van de kinderen. De stabiliteit die de kinderen nu (met de moeder) hebben in Nederland, dient behouden te blijven. De moeder, [1. minderjarige] , [2. minderjarige] en [mj kind van belanghebbende] vormen bovendien nu weer een gezin. [1. minderjarige] en [2. minderjarige] worden, als zij moeten terugkeren naar Australië, weer gescheiden van hun halfzusje [mj kind van belanghebbende] , die niet zal terugkeren naar Australië. Dit zou betekenen dat zij in een ondragelijke toestand worden gebracht. Instandhouding van het gezinsleven met [mj kind van belanghebbende] dient voorop te staan, aldus de moeder.

De vader betwist dat er sprake is van lichamelijk of geestelijk gevaar indien de kinderen terugkeren naar Australië. De vader betwist dat hij de moeder en/of [mj kind van belanghebbende] heeft mishandeld en dat er sprake is geweest van huiselijk geweld. Volgens de vader zijn er zeker pittige ruzies tussen de ouders geweest (in het kader van de relatiebreuk), maar van fysiek geweld van vader is geen sprake geweest. Er is ook geen sprake van een risico op huiselijk geweld bij terugkeer naar Australië, aldus de vader. De vader heeft een warme en liefdevolle band met de kinderen. De vader is in staat (alleen) voor de kinderen te zorgen en hen een stabiele thuisomgeving te bieden. Volgens hem kunnen de moeder en de kinderen probleemloos terugkeren naar Australië. De moeder en de kinderen hebben nog altijd hun verblijfsvergunning (perminent residency) en recht op dezelfde medische behandelingen als voor hun vertrek. Voorts heeft de vader gesteld dat hij de moeder, indien nodig, financieel zal ondersteunen in alle opzichten. De vader zal de terugvlucht voor de moeder en de kinderen betalen en de vader zal en kan voor de moeder een huurwoning in Australië regelen en (voorlopig) bekostigen. Volgens de vader zijn er voor zowel de korte als de lange termijn voldoende mogelijkheden voor de moeder om in Australië te werken. Zo heeft de moeder een aanbod gekregen voor een PhD-traject aan de universiteit van Tasmanië en kan zij eventueel bij de werkgever van de vader (Tastfoods) gaan werken. Bovendien had de moeder een sociaal netwerk. De vader stelt voorts dat hij geen aangifte heeft gedaan tegen de moeder en dit ook niet zal doen, zodat zij bij terugkeer naar Australië geen risico loopt op vervolging. Er is dus geen enkel beletsel voor de moeder om naar [woonplaats] en omgeving terug te keren, aldus de vader. De vader stelt tot slot dat de belangen van [mj kind van belanghebbende] zeker een rol spelen, maar niet maken dat het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] afgewezen kan worden. De band tussen [1. minderjarige] en [2. minderjarige] en [mj kind van belanghebbende] is niet bijzonder sterk. De jongens zien zichzelf en hun ouders als het vaste gezin waar [mj kind van belanghebbende] regelmatig op bezoek komt.

De rechtbank stelt voorop dat het doel en de strekking van het Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond genoemd in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd. Als uitgangspunt geldt dat terugkeer in het belang van de kinderen is en dat terugkeer alleen bij bijzondere omstandigheden wordt geweigerd. Dit houdt in dat de rechter van de aangezochte staat de in dit artikel gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten, enkel op grond van haar oordeel dat het belang van de kinderen in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar de kinderen hun uiteindelijke hoofdverblijf dienen te hebben, dient immers plaats te vinden in een bodemprocedure – in het land van herkomst – en past niet in deze procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen. Ook kan de dreigende scheiding van de kinderen van één van de ouders slechts gerechtvaardigd worden geacht indien sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot de conclusie dat er sprake is van een ernstig risico dat zij worden blootgesteld aan het gevaar zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vader niet, althans onvoldoende heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet. Niet is komen vast te staan dat er daadwerkelijk sprake is geweest van huiselijk geweld, waar de kinderen getuige van zijn geweest. De door de moeder overgelegde foto’s van blauwe plekken vormen reeds daarom onvoldoende bewijs, nu niet kan worden vastgesteld wat de oorzaak van deze blauwe plekken is. Dat de moeder zich voor haar vertrek met de kinderen naar Nederland heeft gewend tot Australische instanties die hulp bieden in geval van huiselijk geweld, vormt evenzeer onvoldoende bewijs nu niet is gebleken dat daarbij onderzoek is gedaan naar de door de moeder gestelde gebeurtenissen. De stelling van de moeder dat er tussen de ouders (opnieuw) sprake zal zijn van hoogoplopende ruzies (in het bijzijn van de kinderen) indien zij in dezelfde omgeving wonen en regelmatig contact met elkaar dienen te hebben in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken staat naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan terugkeer van de kinderen naar Australië. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de vader ter zitting onweersproken heeft gesteld dat – indien hier mogelijk problemen bij ontstaan – dit te bestrijden en te vermijden is door het inschakelen van hulp van bijvoorbeeld de buurvrouw als tussenpersoon en/of mediation via professionele instanties. Dit maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding is om te veronderstellen dat de kinderen bij terugkeer worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat er voor de moeder sprake is van een belemmering om terug te keren naar Australië door een aangifte jegens haar wegens ontvoering. De vader heeft immers ter zitting onweersproken gesteld dat hij geen aangifte heeft gedaan en dit ook niet zal gaan doen. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de andere door de moeder naar voren gebrachte omstandigheden – zoals het gebrek aan inkomen en het ontbreken van huisvesting in de omgeving [woonplaats] – op zichzelf niet tot een ondragelijke toestand voor de kinderen bij terugkeer naar Australië. De rechtbank merkt hierbij op dat de vader (meerdere malen) heeft aangeboden om de moeder in alle opzichten financieel te ondersteunen, door onder meer een huurwoning in Australië te regelen en (voorlopig) te bekostigen. De rechtbank gaat er vanuit dat de vader deze beloftes ook zal nakomen bij een eventuele terugkeer van de moeder.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt de omstandigheid dat [1. minderjarige] en [2. minderjarige] bij terugkeer (met hun moeder) naar Australië worden gescheiden van hun halfzusje [mj kind van belanghebbende] ook niet dat de kinderen in een ondragelijke toestand zullen komen te verkeren. Blijkens het verslag van de bijzondere curator vervult hun (half)zus [mj kind van belanghebbende] voor [1. minderjarige] en [2. minderjarige] wat meer een rol in de achtergrond van hun leven. Als zij praten over hun gezin, duiden ze beiden op mama, papa, [1. minderjarige] en [2. minderjarige] . Bovendien heeft [mj kind van belanghebbende] in de afgelopen jaren niet ononderbroken deel uitgemaakt van het ‘basisgezin’ van de ouders en [1. minderjarige] en [2. minderjarige] .

Mocht de moeder toch niet kunnen of willen terugkeren naar Australië, dan staat dit niet in de weg aan terugkeer van de kinderen naar (hun vader in) Australië. De rechtbank is niet gebleken dat de vader niet in staat is om naar behoren zorg te dragen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Een eventueel verblijf van de kinderen bij de vader in Australië levert daarom evenmin voor de kinderen een ondragelijke toestand in de zin van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag op.

Gelet op al het voorgaande slaagt het beroep van de moeder op deze weigeringsgrond niet.

Artikel 3 IVRK en artikel 8 EVRM

De moeder stelt dat de gevolgen van de teruggeleiding ook dienen te worden getoetst aan artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu deze verdragen in juridische zin van gelijke orde zijn als het HKOV. Het belang van het kind bij een beslissing dient altijd voorop te staan en bij elke beslissing dient family life als bedoeld in artikel 8 EVRM meegewogen te worden. De moeder verwijst hierbij naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1714).

De vader betwist dat teruggeleiding strijdigheid met artikel 3 IVRK en artikel 8 EVRM oplevert. Dit kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden en daar is in dit geval geen sprake van, aldus de vader.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 11 van het IVRK verplicht de staten die partij zijn bij het verdrag maatregelen te nemen ter bestrijding van de ongeoorloofde overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland (lid 1) en spoort de staten aan daartoe verdragen te sluiten of toe te treden tot bestaande verdragen (lid 2). Hieruit volgt dat het IVRK, evenals het HKOV, berust op het uitgangspunt dat internationale kinderontvoering geacht moet worden in het algemeen in strijd te zijn met het belang van het kind, zodat teruggeleiding van het kind op de voet van het HKOV als zodanig niet in strijd is met artikel 3 lid 1 IVRK (zie ook conclusie A-G Strikwerda bij HR 28 september 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB3192). Een aparte toetsing van het belang van de kinderen in het kader van het IVRK of artikel 8 EVRM in samenhang met het Verdrag kan niet aan de orde zijn. De rechtbank is bovendien niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek tot teruggeleiding afbreuk wordt gedaan aan het belang van de kinderen, dat ook in zaken van internationale kinderontvoering voorop staat. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.

Conclusie

Nu er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de kinderen en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de kinderen te volgen.

Uitvoerbaar bij voorraad

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank ziet in hetgeen de vader heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. De rechtbank acht het wenselijk dat de kinderen een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten. De rechtbank zal het verzoek van de vader om de teruggeleiding uiterlijk 16 juni 2017 althans 18 juni 2017 te gelasten alsmede het verzoek om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan ook afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 11 juli 2017, zijnde de eerste dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Wijze van terugkeer

De vader verzoekt primair de teruggeleiding van de kinderen te gelasten naar hemzelf, subsidiair de teruggeleiding van de kinderen te gelasten naar het adres van de voormalig gezamenlijke woning – [adres] te [woonplaats] , Tasmanië – en meer subsidiair de teruggeleiding van de kinderen te gelasten naar Australië.

De moeder stelt dat uitsluitend teruggeleiding naar Australië kan plaatsvinden.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 12 van het Verdrag is niet opgenomen naar welke plaats het kind dient te worden teruggeleid. De moeder verwijst in dit verband naar het Toelichtend Rapport op het Verdrag van Elisa Pérez-Vera waarin het volgende is opgenomen:

One problem common to both of these situations was determining the place to which the child had to be returned. The Convention did not accept a proposal to the effect that the return of the child should always be to the State of its habitual residence before its removal. Admittedly, one of the underlying reasons for requiring the return of the child was the desire to prevent the 'natural' jurisdiction of the courts of the State of the child's residence being evaded with impunity, by force. However, including such a provision in the Convention would have made its application so inflexible as to be useless. In fact, we must not forget that it is the right of children not to be removed from a particular environment which sometimes is a basically family one, which the fight against international child abductions seeks to protect. Now, when the applicant no longer lives in what was the State of the child's habitual residence prior to its removal, the return of the child to that State might cause practical problems which would be difficult to resolve. The Convention's silence on this matter must therefore be understood as allowing the authorities of the State of refuge to return the child directly to the applicant, regardless of the latter's present place of residence’.

In deze passage wordt klaarblijkelijk gedoeld op de situatie waarin de achtergebleven ouder niet meer woonachtig is in het land van de gewone verblijfplaats van de kinderen vóór de ongeoorloofde overbrenging. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor.

De strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) is dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst zodat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. Het is niet de bedoeling van het Verdrag dat in een teruggeleidingsprocedure wordt beslist over het hoofdverblijf van het kind. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om teruggeleiding naar de vader dan wel de woning van de vader in [woonplaats] te gelasten. Wel is de rechtbank van oordeel dat het Verdrag niet uitsluit dat in een specifiek geval teruggeleiding naar een bepaalde regio van een Verdagsluitende Staat kan worden gelast indien deze regio valt onder de jurisdictie van deze Staat. De rechtbank ziet in de specifieke omstandigheden van dit geval aanleiding om de teruggeleiding naar Tasmanië te gelasten. De rechtbank ziet hiertoe aanleiding gelet op het feit dat niet alleen Australië qua oppervlakte een zeer omvangrijk land is, maar ook de afstand tussen het Australische vasteland en Tasmanië groot is en de kinderen alleen in Tasmanië hebben gewoond sinds de emigratie in 2015.

De rechtbank zal primair bepalen dat de moeder de kinderen – die beiden in het bezit dienen te zijn van een geldig reisdocument – terug dient te brengen naar Tasmanië, nu de moeder ter zitting heeft gesteld dat, indien de teruggeleiding wordt gelast, zij wel zelf met de kinderen mee terug zal gaan naar Australië. Indien de moeder nalaat om de kinderen terug te brengen naar Australië dient de moeder de kinderen, met de benodigde geldige reisdocumenten, aan de vader af te geven zodat de vader de kinderen zelf mee terug kan geleiden naar Tasmanië. Uit voorgaande beslissing volgt dat het op de weg van de moeder ligt om er – voor zover zij dit nog niet heeft gedaan – zorg voor te dragen dat [1. minderjarige] , net als [2. minderjarige] , beschikt over een geldig paspoort.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank hetgeen de vader meer of anders heeft verzocht – waaronder zijn verzoeken in het kader van artikel 34 Paspoortwet – afwijzen.

Bijzondere curator

De rechtbank acht het – zoals ter zitting besproken – in het belang van de kinderen dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en de eventuele uitspraak van het Gerechtshof) met hen bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan wordt de bijzondere curator één maand na datum van deze beschikking ontslagen van haar taak.

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

*

gelast de terugkeer van de minderjarigen:

- [1. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [2. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

naar Tasmanië (Australië) uiterlijk op 11 juli 2017, waarbij de moeder [1. minderjarige] en [2. minderjarige] – die beiden in het bezit dienen te zijn van een geldig reisdocument – dient terug te brengen naar Tasmanië (Australië) en beveelt, indien de moeder nalaat [1. minderjarige] en [2. minderjarige] terug te brengen naar Tasmanië (Australië), dat de moeder [1. minderjarige] en [2. minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 11 juli 2017, opdat de vader [1. minderjarige] en [2. minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Tasmanië (Australië);

*

wijst af het meer of anders verzochte;

*

ontslaat – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de bijzondere curator drs. J.A.M. (Annelies) Hendriks met ingang van 26 juli 2017 van haar taak.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, H. Dragtsma en E.M.M. Engbers, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2017.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.