Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7283

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
5069821 RL EXPL 16-14147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het pensioenfonds is voor wat betreft de hoogte van de pensioenaanspraken van de werknemer gebonden aan zijn verklaring, die de werknemer heeft mogen opvatten als een eenzijdige rechtshandeling en waarop hij gerechtvaardigd heeft vertrouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3477
PJ 2018/152
AR-Updates.nl 2017-0845
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage

FJ

Rolnr.: 5069821 RL EXPL 16-14147

10 mei 2017

[jw.sys.rolnummer]

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. C.F.F. Wilms-aan ‘t Goor,

tegen

de stichting Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,
gedaagde partij,
gemachtigden: prof. mr. R.H. Maatman en mr. E.M.T. Huijzer.

Partijen worden aangeduid als “ [eiser] ” en “PMT”.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

  • -

    het tussenvonnis van 30 november 2016 en de daarin vermelde processtukken (hierna: het tussenvonnis);

  • -

    de akte uitlaten vonnis van de zijde van [eiser] ;

  • -

    de antwoordakte uitlaten vonnis en tevens verzoek tot pleidooi van de zijde van PMT;

1.2

Vervolgens hebben partijen de zaak door mr. Huijzer en mr. Wilms-aan ’t Goor, mede aan de hand van pleitaantekeningen, op 22 maart 2017 laten bepleiten. Ten slotte is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Allereerst wordt overwogen dat geen aanleiding wordt gezien om terug te komen op de rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 van het tussenvonnis zoals namens PMT gemotiveerd is bepleit. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

2.2

Artikel 3:35 BW bepaalt dat tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

2.3

Of PMT met het aanvraagformulier behorende bij zijn brief aan [eiser] van 21 april 2010 (hierna: het aanvraagformulier) al dan niet de subjectieve wil heeft gehad gericht op het doen van een concreet tot hem gericht aanbod met een bepaalde inhoud, acht de kantonrechter niet relevant in het licht van het bepaalde in artikel 3:35 BW. De essentie van dit artikel is immers dat PMT zich tegenover [eiser] niet op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende subjectieve wil kan beroepen, wanneer [eiser] het aanvraagformulier onder de gegeven omstandigheden heeft mogen opvatten als een door PMT tot hem gerichte rechtshandeling, een aanbod of toezegging. Dat PMT naar eigen zeggen niet de beleidsvrijheid heeft om van de bedrijfstakpensioenregeling af te wijken, acht de kantonrechter in dit verband in het geheel niet van belang. Dat PMT niet met zoveel woorden heeft verklaard in het aanvraagformulier dat hij een van het pensioenreglement afwijkend aanbod heeft willen doen, acht de kantonrechter evenmin relevant. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [eiser] destijds niet in staat was om te beoordelen of de inhoud van de tot hem gerichte verklaring al dan niet afweek van het pensioenreglement.

2.4

De vraag is dan of in casu van PMT gevergd kan worden dat hij zijn verklaring, die [eiser] heeft kunnen opvatten als een eenzijdige rechtshandeling, nakomt of dat PMT zich met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8462, op het standpunt kan stellen dat zijn verklaring geen enkele consequentie heeft en dat de pensioenrechten van [eiser] uitsluitend uit het pensioenreglement voortvloeien.

2.5

De kantonrechter onderschrijft op zichzelf dat primair het pensioenreglement bepalend is voor de omvang van de pensioenaanspraken van de deelnemer. Dit brengt mee dat niet elke, niet geheel met het pensioenreglement overeenstemmende mededeling van de zijde van het pensioenfonds een voldoende grondslag kan opleveren voor pensioenaanspraken die afwijken van het pensioenreglement, reeds omdat niet elke mededeling tot een rechtshandeling herleid kan worden. In deze zaak kan het aanvraagformulier naar het oordeel van de kantonrechter wél worden aangemerkt als een rechtshandeling. Met deze opgave beoogt de pensioenuitvoerder immers duidelijk te maken welk concreet bedrag de dan pensioengerechtigde daadwerkelijk gaat ontvangen, of anders gezegd: op welk bedrag de gepensioneerde jegens het pensioenfonds, gelet op het reglement, aanspraak heeft. Dat het pensioenfonds daarbij nog een uitdrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt voor het geval gegevens onjuist zijn verwerkt, ontneemt dit bericht niet het karakter van een toezegging, zij het een voorwaardelijke. Daarmee is, anders dan bij de eerdere jaarlijkse pensioenoverzichten, sprake van een rechtshandeling. Indien [eiser] daarop gerechtvaardigd heeft vertrouwd, kan hij, op grond van vaste jurisprudentie, zich beroepen op het verbindend karakter van deze toezegging en heeft hij recht op betaling van de toegezegde uitkering, ook al staat inmiddels vast dat de daaraan ten grondslag liggende berekening niet juist was. Gelet op deze vergaande gevolgen mag niet al te snel mag worden aangenomen dat er inderdaad sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, maar dient voldaan te zijn aan strenge eisen. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, zijn alle omstandigheden van het geval beslissend. De kantonrechter is van oordeel, zoals reeds in het tussenvonnis is overwogen, dat [eiser] er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat het aanvraagformulier gegevens bevatte over zijn pensioenaanspraken die in overeenstemming waren met het pensioenreglement - dat is ook wat [eiser] gesteld heeft in zijn dagvaarding en conclusie van repliek - en dat, ook indien de omstandigheden van het onderhavige geval langs een strenge maatstaf worden gelegd, de conclusie dient te luiden dat [eiser] zich kan beroepen op het gerechtvaardigd vertrouwen dat bij hem door die omstandigheden is ontstaan.

2.6

De kantonrechter stelt voorop dat PMT in dezen beschouwd moet worden als de professionele partij, die over de noodzakelijke kennis beschikte om uit te rekenen op welk(e) bedrag(en) aan pensioen [eiser] recht had. Hij beschikt ook over de geavanceerde apparatuur om dit bedrag precies uit te rekenen. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij een leek is op het terrein van pensioenen en niet beschikt over de kennis en rekenhulpmiddelen om de toezeggingen van PMT precies te verifiëren. Gelet op dit verschil in deskundigheid tussen [eiser] en PMT kan enerzijds aan PMT de eis worden gesteld om bij de berekening van de pensioenuitkeringen van zijn deelnemers de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten en zijn uitlatingen over die rechten uitgebreid te controleren en kan anderzijds niet te snel worden aangenomen dat een pensioengerechtigde had kunnen en moeten begrijpen dat de hem toegezegde uitkering te hoog is. Dat laatste lijdt slechts uitzondering indien er sprake is van een evidente – voor iedere leek begrijpelijke – fout, of indien er door het pensioenfonds eerder informatie is verstrekt op basis waarvan de pensioengerechtigde moet begrijpen dat de pensioentoezegging niet juist kán zijn. Daarvan is in deze zaak echter geen sprake.

2.7

Verder geldt dat blijkens de brief van 21 april 2010 op het aanvraagformulier een voorstel is opgenomen voor de wijze waarop [eiser] zijn opgebouwde pensioenrechten kan gebruiken voor zijn pensioen. Het aanvraagformulier bevat een concreet overzicht van de verschillende pensioenaanspraken van [eiser] berekend per 1 augustus 2010, dat is de door hem opgegeven, gewenste ingangsdatum van het pensioen. In de latere brief van PMT van

2 juli 2010, die [eiser] aanduidt als “pensioentoezeggingsbrief”, wordt overigens nog een iets hoger ouderdomspensioen per 1 augustus 2010 vermeld en blijven de eerder opgegeven bedragen aan ouderdomspensioen en partnerpensioen ongewijzigd. Dat [eiser] zeven maanden later in 2011 werd medegedeeld dat door PMT een fout was gemaakt, maakt niet dat hij het aanvraagformulier ten tijde van de ontvangst daarvan niet heeft kunnen en mogen opvatten als een aanbod of toezegging van pensioenaanspraken als daarin vermeld. Het voorbehoud dat in de brief van 21 april 2010 is opgenomen, leidt ook niet tot een andere conclusie omdat [eiser] als ondeskundige leek niet had kunnen weten dat de bedragen op het aanvraagformulier niet juist waren. Vast staat dat [eiser] het aanvraagformulier heeft ingevuld en met bewijsstukken heeft teruggestuurd aan PMT. Aldus heeft [eiser] het aanbod van PMT aanvaard. Vervolgens heeft [eiser] op basis van de verklaring van PMT als vervat in de brief van 21 april 2010 en het aanvraagformulier de onomkeerbare beslissing genomen om ontslag te nemen bij zijn werkgever en per 1 augustus 2010 met pensioen te gaan. Pas in maart 2011 heeft [eiser] bericht gekregen van PMT dat men een fout heeft gemaakt en dat het door [eiser] te ontvangen pensioen lager is dan hem eerder per brief van 21 april 2010 was medegedeeld.

2.8

Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter PMT gehouden om aan [eiser] de bedragen uit te keren die in de brief van 21 april 2010 en het bijbehorende aanvraagformulier zijn vermeld. De door PMT aangehaalde jurisprudentie van lagere rechters acht de kantonrechter in deze zaak niet van belang omdat al deze uitspraken zien op de verstrekking van jaarlijkse pensioenoverzichten, waar het in casu niet om gaat.

2.9

Dan dient te worden beoordeeld of en in hoeverre de subsidiaire vordering van [eiser] toewijsbaar is. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat de pensioenaanspraken ouderdomspensioen vóór 65 jaar en ouderdomspensioen door PMT - eenzijdig - herschikt zijn. Tevens dient rekening te worden gehouden met (algemene) pensioenkortingen. [eiser] heeft bij akte een aangepaste berekening van zijn subsidiaire vordering ingediend en zijn eis daarmee gewijzigd. PMT heeft hiertegen geen zelfstandig verweer gevoerd. Hieruit volgt dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiser] berekend over de periode tot en met 31 december 2016 een bedrag van € 13.096,31 bruto te weinig heeft ontvangen aan pensioenuitkering, gelet op de bedragen die in de brief van 21 april 2010 en het bijbehorende aanvraagformulier zijn vermeld. Vanaf 1 januari 2017 ontvangt [eiser] in plaats van € 2.356,24 bruto per maand slechts € 2.214,40 bruto per maand aan ouderdomspensioen, dat is een verschil van € 141,84 bruto per maand. Het partnerpensioen van [eiser] dient te worden gesteld op een bedrag van € 15.991,07 bruto per jaar. Gezien wat hiervoor reeds is overwogen, acht de kantonrechter de gewijzigde subsidiaire vordering van [eiser] als hierna te melden toewijsbaar.

2.10

De wettelijke rente en de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zullen als onweersproken en op de wet gegrond eveneens worden toegewezen.

2.11

Wat partijen overigens nog naar voren hebben gebracht, leidt niet tot een andere beslissing en zal daarom onbesproken blijven.

2.12

PMT zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

3 Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat [eiser] jegens PMT met terugwerkende kracht aanspraak heeft op betaling van de in het aanvraagformulier vermelde pensioenbedragen, rekening houdende met het feit dat de pensioenaanspraken ouderdomspensioen vóór 65 jaar en ouderdomspensioen door PMT - eenzijdig - herschikt zijn en met de algemene pensioenkortingen van 6,3 procent per 1 april 2013 en 0,4 procent per 1 mei 2014;

- veroordeelt PMT tot betaling aan [eiser] van € 13.096,31 bruto wegens ouderdomspensioen vóór 65 jaar en ouderdomspensioen over de periode tot en met 31 december 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt PMT tot betaling aan [eiser] van € 2.356,24 bruto per maand wegens ouderdomspensioen over de periode vanaf 1 januari 2017 onder aftrek van reeds betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt PMT tot betaling aan [eiser] van € 875,- aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;

- veroordeelt PMT in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 1.465,08, waaronder begrepen een bedrag van € 900,- als het aan de gemachtigde van [eiser] toekomende salaris, en veroordeelt PMT tot betaling van € 100,- aan nasalaris, voor zover [eiser] daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad behoudens de verklaring voor recht;

- wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.J. Verbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 mei 2017.