Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7230

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
NL17.3256
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

servië veilig lvh - beroep ogg

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. R.P. Duijn),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. van Beers).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder aan eiser, ambtshalve toetsend, geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend en evenmin uitstel van vertrek. Het bestreden besluit omvat ook een terugkeerbesluit (0 dagen) en een inreisverbod (2 jaar).

Eiser heeft tegen het bestreden beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens verschenen is A.M.R. Zeevaarder, tolk.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan zijn aanvraag -samengevat weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is Roma, hij is geboren op [geboortedatum] 1962 en in het bezit van de Servische nationaliteit. In augustus 2013 is eiser, na een verblijf in Canada van meer dan 24 jaar, naar Servië teruggekeerd. Een dag na terugkeer kwam de politie naar eiser toe om hem, onder bedreiging, om geld te vragen. Begin 2015 is eiser door drie Serviërs, die ook geld van hem wilden, bedreigd, geschopt en met vuisten en stokken geslagen. Toen eiser vervolgens naar een politieagent ging voor hulp werd hij door hem uitgemaakt voor ‘vuile Amerikaan’ en ‘vuile Roma’ en met de achterkant van een pistool geslagen. Na de mishandeling door de drie Servische mannen heeft eiser 3 à 4 maanden in een bos geleefd. Toen heeft hij zijn land van herkomst tijdelijk verlaten. In december 2015 of januari 2016 is eiser weer naar Servië teruggekeerd, waarna hij daar nog ongeveer een jaar heeft verbleven. Gedurende dat jaar is eiser steeds bedreigd. Op 25 januari 2017 heeft eiser Servië opnieuw verlaten. Eiser had in Servië geen inkomsten en de uitkering die hij ontving van 50 euro per maand was onvoldoende voor medische zorg, onderdak en levensonderhoud.

2. Verweerder heeft in eisers verklaringen de volgende relevante elementen onderscheiden:

  • -

    Eiser heeft verklaard dat hij [naam] heet, dat hij op [geboortedatum] 1962 is geboren te [geboorteplaats] , dat hij tot de Roma bevolkingsgroep behoort en Burger van Servië is.

  • -

    Verder heeft eiser verklaard dat de politie in 2013 heeft getracht hem geld afhandig te maken en dat hij tevens door hen is bedreigd.

  • -

    In 2015 is eiser naar zijn zeggen benaderd door drie Servische mannen die geld van hem eisten. Deze mannen hebben hem mishandeld en met de dood bedreigd.

3. Verweerder volgt eiser wel in de door hem opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst, maar de overige relevante elementen acht verweerder ongeloofwaardig. Omdat Servië volgens verweerder als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd wordt hieronder -voor zover relevant- ingegaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank acht verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig dat politieagenten in augustus 2013 hebben getracht eiser geld afhandig te maken en dat hij daarbij door hen is bedreigd, nu eiser te dien aanzien slechts vage en oppervlakkige verklaringen heeft afgelegd. Eiser kan niet de exacte datum noemen waarop hij in augustus 2013 door politieagenten zou zijn bedreigd en hij weet niet wie de agenten waren en waar zij hem van kenden. Op de vragen op welke manier en met welk doel de politieagenten eiser bedreigden heeft hij desgevraagd slechts geantwoord dat zij dit deden ‘persoonlijk met woorden’ omdat hij ‘(..) het geld moest geven aan hen’.

5.2.

Verweerder acht naar het oordeel van de rechtbank ook niet ten onrechte ongeloofwaardig dat eiser in 2015 is bedreigd en mishandeld door drie Servische mannen die geld van hem wilden. Eiser heeft niet de datum kunnen noemen waarop hij in 2015 mishandeld zou zijn, hij weet niet wie de mannen waren die hem toen mishandelden en evenmin hoe zij hem kenden. Eiser heeft voorts geen inzicht kunnen verschaffen ten aanzien van de reden voor en de toedracht van de mishandeling. Verweerder overweegt ook niet ten onrechte dat niet valt in te zien waarom eiser, terwijl hij enkele maanden na de mishandeling zijn land van herkomst zou hebben verlaten, in december 2015 of januari 2016 weer naar Servië zou zijn teruggekeerd. De terugkeer van eiser valt niet te rijmen met zijn gestelde vrees. Daarbij heeft verweerder tegenstrijdig mogen achten dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij na de mishandeling door de drie Servische mannen geen problemen meer van hen ondervonden heeft, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat zij hem gedurende zijn laatste jaar in Servië van december 2015 of januari 2017 tot 25 januari 2017 steeds hebben bedreigd.

5.3.

Eiser stelt in beroep dat hij lichamelijke klachten heeft en slecht slaapt doordat hij het slachtoffer is geweest van ‘mishandeling of andere ernstige vormen van geweld’. Ter onderbouwing heeft eiser overgelegd een afschrift van het patiëntdossier van zijn huisarts bij het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA) te Budel over de periode 9-13 juni 2017 en enkele stukken aangaande in Duitsland ondergane medische behandeling. Volgens eiser zijn de medische stukken consistent met zijn asielrelaas. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Dat bij eiser lichamelijke en psychische klachten zijn geconstateerd doet immers niets af aan het feit dat hij over de gestelde problemen in zijn land van herkomst voornoemde vage, summiere en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd. Daarbij constateert de rechtbank dat in de verklaring van het Ernst von Bergman Klinikum van 7 oktober 2015 staat dat eiser ernstig is mishandeld door de familie van zijn schoonzus, die op eisers erfdeel uit zou zijn geweest. Dit ligt niet in lijn met wat eiser in het kader van zijn asielaanvraag in Nederland heeft verklaard.

5.4.

Eisers standpunt in beroep, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016 inzake Paposhvili (nr. 41738/10), dat hij vanwege zijn medische klachten in Servië een risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling en dat hem vanwege die medische klachten uitstel van vertrek moet worden verleend, althans dat verweerder op zijn minst Bureau Medische Advisering (BMA) om een advies had moeten vragen, slaagt evenmin. Het EHRM heeft in het arrest Paposhvili immers geen afstand gedaan van de eerder opgeworpen hoge drempel (“high threshold”) om op grond van medische omstandigheden aan te nemen dat artikel 3 EVRM geschonden wordt. Daarbij volgt uit rechtsoverweging 186 van dat arrest dat het eerst aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij in zijn land van herkomst op medische gronden een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Nu uit de door eiser overgelegde stukken niet blijkt dat hij suïcidaal is of onder medische behandeling staat is de rechtbank van oordeel dat voornoemde hoge drempel in het geval van eiser niet is gehaald en dat er voor verweerder ook geen aanleiding bestond om uitstel van vertrek te verlenen of de zaak voor advisering aan BMA voor te leggen. De in beroep overgelegde reactie van 8 juni 2017 van de Nederlandse Orde van Advocaten op de brief van verweerder van 11 april 2017 over de implicaties van het arrest Paposhvili, leidt in deze niet tot een ander oordeel.

5.5.

Ten aanzien van de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst overweegt de rechtbank het volgende. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 12 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:13) geoordeeld dat de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst voldoet aan het bepaalde in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat in Servië wet- en regelgeving bestaat die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt, dat die wet- en regelgeving wordt toegepast en dat daadwerkelijk een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is, hetgeen voor Roma niet anders is. Volgens de Afdeling heeft verweerder zorgvuldig onderzocht en deugdelijk gemotiveerd dat er in Servië algemeen gezien geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.37f van het Vreemdelingenvoorschrift 2000, waardoor de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst voldoet aan de wettelijke vereisten.

5.6.

Eisers standpunt in beroep dat de aanwijzing door verweerder van Servië als veilig land van herkomst niet aan de gestelde eisen voldoet, nu verweerder niet zorgvuldig heeft onderzocht of en deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in Servië in het algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 EVRM plaatsvindt, slaagt niet. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 maart 2017 inzake Ilias en Ahmed tegen Hongarije. In die uitspraak oordeelde het EHRM -samengevat weergegeven- dat Hongarije klagers, die uit Bangladesh afkomstig waren, niet mocht uitzetten naar Servië zonder te onderzoeken of uitzetting naar Servië zou resulteren in indirect refoulement. Daar eiser de Servische nationaliteit heeft en er daarom zonder meer geen risico op (indirect) refoulement bestaat, kan het beroep van eiser op voornoemde uitspraak niet slagen.

5.7.

Nu verweerder Servië als veilig land van herkomst heeft mogen aanmerken bestaat een rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit dat land geen bescherming nodig hebben. Het is derhalve aan eiser om aannemelijk te maken dat Servië voor hem wegens hem specifieke omstandigheden niet veilig is.

5.8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Verwezen wordt hiertoe allereerst naar bovenstaande overwegingen aangaande de ongeloofwaardigheid van eisers gestelde problemen in 2013 en 2015. De economische problemen van eiser raken niet aan één of meer van de vervolgingsgronden van het Verdrag waardoor in dat verband zonder meer geen sprake is van vluchtelingschap. Verweerder overweegt voorts niet ten onrechte dat niet is gebleken dat de situatie voor eiser in Servië onhoudbaar is geworden. Eiser heeft verklaard dat hij in Servië onderwijs heeft genoten, dat hij daar onderdak heeft gehad en dat hij daar in het bezit is gesteld van identificerende documenten zoals een paspoort, waarmee hij zonder problemen Servië kon in- en uitreizen. Verweerder heeft hierbij voorts mogen betrekken dat eiser naar eigen zeggen in augustus 2013 en in december 2015 of januari 2016 vrijwillig naar Servië is teruggekeerd. Ook dit duidt er niet op dat Servië ten aanzien van hem niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt mogen stellen dat eiser bij voorkomende problemen de hulp kan inroepen van de Servische (hogere) autoriteiten. Dat de Servische (hogere) autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen is door hem niet aannemelijk gemaakt.

5.9.

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser derhalve mogen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Gelet op de afwijzing als kennelijk ongegrond heeft verweerder eiser voorts een vertrektermijn mogen onthouden en aan hem een inreisverbod mogen opleggen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.