Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7166

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
C/09/531777 / FT RK 17/853
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 287a Fw afgewezen. Voorstel is onvoldoende goed en betrouwbaar gedocumenteerd. Verzoeker wenst voorstel klaarblijkelijk te financieren met een BBZ-krediet ten bedrage van € 25.000,-. Ter terechtzitting is gebleken dat het krediet nog niet is verstrekt, nog niet is besloten dat dit krediet zal worden verstrekt en niet met zekerheid kan worden gezegd dat daadwerkelijk een besluit tot het verstrekken van dit krediet zal worden genomen. Anderzijds is niet aannemelijk gemaakt dat verzoeker niet in staat zal zijn een hoger krediet dan € 25.000,- te verkrijgen. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker (tevergeefs) alternatieve wijzen van financiering heeft onderzocht. Verzoeker heeft ter zitting verklaard het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken indien zijn verzoek tot het afgeven van een bevel ex artikel 287a Fw wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Faillissementswet 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/531777 / FT RK 17/853

vonnis van 28 juni 2017


in de zaak van

(verzoeker),

wonende te Van Heutszstraat 71 B

2593 PD Den Haag,

verzoeker,

tegen

de Belastingdienst

gevestigd te Heerlen,

en

Koninklijk verbond van ondernemers

vertegenwoordigd door Van Arkel Gerechtsdeurwaarders

gevestigd te Woerden,

en

Eneco

gevestigd te Rotterdam,

en

Stichting Administratiekantoor (X)

gevestigd te Den Haag,

en

Buma/Sena

vertegenwoordigd door de Best & Partners gerechtsdeurwaarders

gevestigd te Hilversum

Verweersters zullen gezamenlijk worden aangeduid als verweersters, maar afzonderlijk van elkaar als ‘de Belastingdienst’, ‘Koninklijk verbond van ondernemers’, ‘Eneco’, ‘(X)’ en ‘Buma/Sena’.

1 De procedure

1.1

Op 3 mei 2017 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).

1.2

Ter terechtzitting van 28 juni 2017 is verzoeker hierover gehoord. Verzoeker en T. Aras in hoedanigheid van schuldhulpverlener zijn bij gelegenheid verschenen en gehoord. De Belastingdienst, vertegenwoordigd door E.J.L. Heereveen en (X), vertegenwoordigd door I.K.S. (X), zijn bij gelegenheid verschenen en gehoord. Eneco, Buma/Sena en Koninklijk verbond van ondernemers zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting.

1.3

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1

Verzoeker heeft blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw een totale schuld van € 87.781,19 aan 18 schuldeisers. Verzoeker heeft bij brief van 5 oktober 2016 verklaard dat een gedeelte van zijn schulden zakelijke schulden zijn die zijn ontstaan als gevolg van de exploitatie van een tweetal cafés.

2.2

De vordering van de Belastingdienst op verzoeker bedraagt € 21.943,85, zijnde 25% van de totale schuldenlast. De vordering van Koninklijk verbond van ondernemers op verzoeker bedraagt € 2.764,93, zijnde 3,1% van de totale schuldenlast. De vordering van Eneco op verzoeker bedraagt € 2.460,52 , zijnde 0,3% van de totale schuldenlast. De vordering van (X) op verzoeker bedraagt € 16.114,74, zijnde 18,40% van de totale schuldenlast. De vordering van Buma/Sena op verzoeker bedraagt € 1.540,65, zijnde 1,8% van de totale schuldenlast.

2.3

Bij brief van 5 oktober 2016 heeft verzoeker aan alle bekende schuldeisers een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat voor alle schuldeisers een eenmalige uitkering van € 25.000,00 beschikbaar wordt gesteld, waarbij concurrente schuldeisers 27,38% van hun vordering zullen ontvangen en de belastingdienst 54,76%, tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.

2.4

Buma/Sena en Eneco hebben aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat zij het aanbod alsnog aanvaarden, zodat de rechtbank de verzoeken jegens voornoemde partijen als ingetrokken beschouwt. Met uitzondering van de Belastingdienst, Koninklijk verbond van ondernemers en (X) hebben inmiddels alle schuldeisers met het akkoord ingestemd.

3 Standpunt van de partijen

3.1

Verzoeker stelt dat de Belastingdienst, Koninklijk verbond van ondernemers en (X) in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die hij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling.

3.2

De belastingdienst heeft aan haar weigering ten grondslag gelegd dat het voorstel van verzoeker niet acceptabel is nu verzoeker na het aanbieden van het akkoord nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Verzoeker is derhalve niet aantoonbaar in staat zijn lopende betalingsverplichtingen na te komen, hetgeen voor de belastingdienst een weigeringsgrond vormt. (X) heeft aan haar weigering ten grondslag gelegd dat het aanbod aan de verkeerde partij is gedaan. Schuldeiser zou niet (X) zijn, maar de eenmanszaak (X) Vastgoed. Verzoeker zou diverse betalingstoezeggingen gedaan hebben aan de eenmanszaak, alsook een betalingsregeling zijn overeengekomen met de eenmanszaak. Verzoeker is evenwel noch de betalingstoezeggingen noch de betalingsregeling nagekomen, hetgeen voor (X) aanleiding vormt niet in te stemmen met het aanbod. Koninklijk verbond van ondernemers heeft aan haar weigering geen reden ten grondslag gelegd.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de Belastingdienst, (X) en Koninklijk verbond van ondernemers in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Zij wijst het verzoek toe indien sprake is van een onevenredigheid tussen het belang dat schuldeisers hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van verzoeker dat door de weigering wordt geschaad.

4.2

Verzoeker verzoekt thans nog een drietal schuldeisers op grond van het bepaalde in artikel 287a lid 1 Fw te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling. Deze schuldregeling houdt onder meer in dat concurrente schuldeisers 27,38% van hun vordering zullen ontvangen en de belastingdienst 54,76% van zijn preferente vordering. Volgens het voorstel kunnen deze percentages worden betaald met behulp van een BBZ-krediet van € 25.000,-.

4.3

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat haar vordering volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, is het belang van schuldeisers bij weigering van die regeling een gegeven. Daarnaast is van belang dat drie van de achttien schuldeisers de aangeboden schuldregeling hebben geweigerd, dat één van die schuldeisers een aanzienlijke preferente vordering heeft en dat de vorderingen van die drie schuldeisers ruim 46% van de totale schuldenlast van verzoeker vertegenwoordigen.

4.4

De rechtbank kan tot toewijzing van het verzoek komen indien "de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad". Bij deze belangenafweging dient onder meer in aanmerking te worden genomen of het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij, of het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, of voldoende duidelijk is dat bod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht en of het alternatief van surseance van betaling, faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeisers biedt (Kamerstukken II, 29 942, nr. 3 p. 18). Daarbij dient te worden bedacht dat tot de belangen die aan de zijde van de schuldeisers een rol kunnen spelen, behoort dat bij een buitengerechtelijk akkoord de waarborgen ontbreken die de Faillissementswet biedt met betrekking tot de vaststelling van het toezicht op de vermogenspositie van verzoeker door de bewindvoerder of de curator en de rechter-commissaris (Hoge Raad, 12 augustus 2005, LJN: AT7799).

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank is het voorstel onvoldoende goed en betrouwbaar gedocumenteerd. Verzoeker wenst zijn voorstel klaarblijkelijk te financieren met een BBZ-krediet ten bedrage van € 25.000,-. Het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) heeft op 3 september 2015 de gemeente Den Haag geadviseerd een BBZ-bedrijfskrediet van € 25.000,- te verschaffen. Namens verzoeker zijn enkele pagina’s van het desbetreffende rapport bij het verzoekschrift gevoegd.

4.6

Ter terechtzitting is gebleken dat het BBZ-bedrijfskrediet nog niet door de gemeente is verstrekt, nog niet is besloten dat dit krediet zal worden verstrekt en niet met zekerheid kan worden gezegd dat daadwerkelijk een besluit tot het verstrekken van dit krediet van € 25.000,- zal worden genomen. De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat het IMK in haar rapport van 3 september 2015 de financieringsbehoefte heeft vastgesteld op € 25.000,- en er van is uitgegaan dat die financieringsbehoefte bestaat uit achterstallige schulden ten bedrage van circa € 61.075,-. Volgens het door verzoeker overgelegde schuldenoverzicht bedraagt de schuldenlast inmiddels echter € 87.781,19 (een toename van ruim 40%). Namens verzoeker is niet toegelicht of dit gevolgen zal hebben voor de besluitvorming van de gemeente, doch dit maakt dat er niet voetstoots van kan worden uitgegaan dat de gemeente hier aan voorbij zal gaan. Evenmin is voldoende duidelijk is geworden of de overige gegevens waar het IMK haar advies op heeft gebaseerd nog voldoende actueel zijn.

4.7

Daar waar enerzijds niet voldoende aannemelijk is geworden dat de gemeente daadwerkelijk het krediet van € 25.000,- zal verstrekken, is anderzijds niet aannemelijk gemaakt dat verzoeker niet in staat zal zijn een hoger krediet dan € 25.000,- te verkrijgen, uitgaande van de huidige omstandigheden waarin – zoals verzoeker stelt – de huurkosten sterk zijn verminderd en de omzet een positieve ontwikkeling laat zien. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker (tevergeefs) alternatieve wijzen van financiering heeft onderzocht.

4.8

Verzoeker heeft zich evenmin uitgelaten over de financiële gevolgen die het alternatief van surseance van betaling, faillissement of schuldsanering, na vereffening van de activa, voor de schuldeisers zal hebben.

4.9

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt met zich dat het er niet voor kan worden gehouden dat het voorstel voldoende goed en betrouwbaar is gedocumenteerd en dat het door verzoeker gedane aanbod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Evenmin kan er zonder meer van worden uitgegaan dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat in geval (van vereffening in het kader) van schuldsanering, surseance van betaling of faillissement de weigerende schuldeisers minder zullen ontvangen. Tot slot is onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoeker thans daadwerkelijk in staat is het aangeboden voorstel te effectueren, nu er niet voetstoots van kan worden uitgegaan dat het BBZ-bedrijfskrediet van € 25.000,- zal worden verstrekt.

4.10

Gelet op het vorenstaande kan niet worden voorbij gegaan aan de weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling door de schuldeisers waarvan de vorderingen ruim 46% van de totale schuldenlast van verzoeker vertegenwoordigen. Die schuldeisers hebben naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot weigering van die instemming kunnen komen. Het verzoek deze schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling zal derhalve worden afgewezen.

4.11

Verzoeker heeft ter zitting verklaard het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken indien zijn verzoek tot het afgeven van een bevel ex artikel 287a Fw wordt afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een bevel op voet van artikel 287a eerste lid Faillissementswet te geven,

- beschouwt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling als ingetrokken.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2017 in tegenwoordigheid van mr. F.M. Verburg, griffier.

Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, uitsluitend via een advocaat in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Dit is slechts mogelijk indien de schuldenaar ook op dezelfde wijze hoger beroep instelt tegen de uitspraak tot afwijzing van het daarmee samenhangende verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 292 lid 3 Faillissementswet).