Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7155

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6518
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2404, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers doen met name een beroep op het overgangsrecht van de planregels Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland". Zij stellen dat ten tijde van het ter inzage leggen van dat bestemmingsplan het gebruik van de kas voor privédoeleinden reeds plaatsvond.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eisers op het overgangsrecht niet slaagt, omdat zij niet hebben aangetoond dat het strijdige gebruik naar aard en omvang niet is gewijzigd en ononderbroken is voortgezet sinds de inwerkingtreding in 1986 van het bestemmingsplan "Buitengebied Monster".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3877
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/6518

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , beiden te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Zwinkels),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M. van Harssel en mr. G.P.H.A. Pijnenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2016 heeft verweerder eisers gelast binnen acht weken het gebruik voor privédoeleinden van de gronden en bouwwerken op het perceel [adres 1] te [plaats] , sectie I, nummer [nummer 1] , gemeente Westland, te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 500,- per overtreding, met een maximum van één dwangsom per week en € 2.500,- in totaal.

Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 2, 6, 8 en 10 maart 2017 zijn aanvullende gronden en stukken van eisers ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als getuige is Register Makelaar Taxateur mr. I.R. Borgdorff, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens is verschenen [persoon 1] , werkzaam als consulente bij de afdeling Bouwen en Wonen van de gemeente Westland.

Overwegingen

1.1.

Op 22 januari 2015 hebben eisers de percelen, kadastraal bekend gemeente Westland, sectie I, nummers [nummer 1] en [nummer 2] ( [nummer 1] en [nummer 2] ), plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] , gekocht van [persoon 2] .

1.2.

Op het perceel [nummer 1] met een oppervlakte van 615 m2 rust de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw". Op dit perceel bevindt zich een kas, die vrijwel de gehele oppervlakte van het perceel bestrijkt.

1.3.

Op het perceel [nummer 2] met een oppervlakte van 760 m2 rusten twee bestemmingen. De woning op dit perceel was voorheen een bedrijfswoning die in 2009 is omgezet in een burgerwoning. In verband hiermee heeft een deel van de gronden de bestemming “Wonen” gekregen. Het perceel is als volgt verdeeld:

a. a) een gedeelte van 320 m2 heeft de bestemming "Wonen";

b) een gedeelte van 440 m2 heeft de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw".

1.4.

In verband met een grootschalige reconstructie in het Westland van het glastuinbouwgebied is verweerder in 2009 begonnen met het ontwikkelen van beleid om de glastuinbouw te behouden en waar mogelijk te versterken. In het kader daarvan is naast het oude bestemmingsplan "Buitengebied Monster" de Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland" vastgesteld, dat volgens verweerder op 26 mei 2009 in werking is getreden. Om het glastuinbouwgebied verder te versterken is op 26 januari 2014 het geldende bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Boomawatering" vastgesteld en in werking getreden. In lijn daarmee is het beleid van verweerder erop gericht de gronden die thans voor de glastuinbouw zijn bestemd ook daadwerkelijk voor glastuinbouw te gebruiken.

1.5.

Om de glastuinbouw te versterken zet verweerder toezicht en handhaving in om het strijdig gebruik van gronden in het glastuinbouwgebied te beëindigen. Met het oog daarop heeft in 2009/2010 een inventarisatie van dit strijdig gebruik plaatsgevonden.

1.6.

In verband daarmee heeft een toezichthouder van de gemeente Westland op 4 mei 2010 een controle uitgevoerd op de percelen [nummer 2] en [nummer 1] . [persoon 2] was toen nog eigenaar van deze percelen en had daar sinds 2001 – het jaar waarin hij zijn tuinbouwbedrijf, gevestigd op de achtergelegen percelen, had verkocht een onderhoudsbedrijf. In zijn rapport van 4 mei 2010 heeft de toezichthouder vastgesteld dat de twee kasjes op het perceel [nummer 2] dienst deden als garage/berging respectievelijk tuinkamer bij de woning en dat de kas op het perceel [nummer 1] werd gebruikt als hobbykas en voor de opslag van diverse materialen van het onderhoudsbedrijf van [persoon 2] .

1.7.

Bij brief van 26 mei 2010 heeft verweerder [persoon 2] meegedeeld dat de kas op het perceel [nummer 1] werd gebruikt in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Monster" en de aanvullende voorschriften van de Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland". Onderzocht zou worden of deze strijdigheid kon worden gelegaliseerd of moest worden beëindigd. Daarover heeft op 26 november 2012 een gesprek met [persoon 2] plaatsgevonden, waarvan op 28 november 2012 een verslag is opgesteld. Uit dit verslag blijkt dat twee opties met [persoon 2] zijn besproken, te weten handhavend optreden tegen het gebruik van de kas voor privédoeleinden of het tijdelijk gedogen daarvan totdat de gronden, waarop deze kas staat, nodig zouden zijn voor de glastuinbouw. Tot slot blijkt uit het verslag dat de tweede optie zou worden gevolgd, mits [persoon 2] zou instemmen met de voorwaarden die bij een eventuele gedoogbeschikking zouden worden gesteld. Een gedoogbeschikking heeft verweerder echter nooit genomen.

1.8.

Op 5 oktober 2015 heeft verweerder het "Handhavingsbeleid, integrale handhaving Wabo-taken gemeente Westland" (handhavingsbeleid) vastgesteld. Dit beleid is inmiddels aangevuld en op 31 januari 2017 gewijzigd vastgesteld. Het beleid is nader uitgewerkt in de beleidsregels "Strijdig gebruik duurzame glastuinbouwgronden Westland 2017", "Strijdig gebruik agrarische dienstwoning Westland 2017" en het project "Ruimte voor de glastuinbouw" (voorheen "aanpak strijdigheden buitengebied"). Dit project is erop gericht om gronden vrij te maken om de glastuinbouwreconstructie mogelijk te maken en niet‑glastuinbouw gerelateerde functies te weren.

1.9.

In 2015 waren in het glastuinbouwgebied 750 gevallen bekend van strijdig gebruik. Verweerder heeft besloten om die gevallen geprioriteerd aan te pakken. De hoogste prioriteit is gegeven aan overtredingen op locaties in de gebieden Boomawatering en Poelzone en andere locaties waar een concrete herstructurering aan de orde is. Boomawatering is volgens verweerder een voorbeeld van een verrommeld glastuinbouwgebied. Zowel de tuinders als de gemeente zijn van mening dat dit gebied toe is aan een ingrijpende modernisering om een duurzaam glastuinbouwgebied te realiseren. Om daaraan ruimte te bieden is het beleid erop gericht om alle obstakels daarvoor, waaronder het strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, weg te nemen. Onderhavige percelen vallen binnen het gebied Boomawatering.

1.10.

In 2015 is uitvoering gegeven aan het project "Ruimte voor de glastuinbouw". Inmiddels waren eisers eigenaren geworden van de onderhavige percelen. Op deze percelen heeft op 2 september 2015 een hercontrole plaatsgevonden. Tijdens die controle is vastgesteld dat

- het kasje op het perceel [nummer 2] dat dienst deed als tuinkamer is gesloopt en dat op deze plek een corridor naar de kas op het perceel [nummer 1] werd gebouwd;

- het andere kasje op perceel [nummer 2] een geheel vormde met de kas op perceel [nummer 1] en dat deze kas tijdelijk werd gebruikt voor opslag van huisraad. Daarnaast stonden in deze kas twee vouwwagens, twee aanhangwagentjes, een boottrailer met boot en werd in een hoek van de kas groente voor eigen gebruik geteeld.

In het rapport van 2 september 2015 is geconcludeerd dat de kas op perceel [nummer 1] niet voor agrarische doeleinden werd gebruikt.

1.11.

In verband daarmee heeft verweerder eisers bij brief van 29 oktober 2015 een vooraankondiging tot het opleggen van een last onder dwangsom toegezonden. Nadat eisers in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze te geven, heeft verweerder het primaire besluit genomen. Dit besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat het gebruik voor privédoeleinden van de kas op perceel [nummer 1] in strijd is met de geldende bestemming "Agrarisch‑Glastuinbouw" en een ongewenste strijdigheid met het bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Boomawatering” oplevert. In het kader van de reconstructie en schaalvergroting van het glastuinbouwgebied acht verweerder het perceel geschikt om weer in gebruik te nemen ten behoeve van de glastuinbouw. Daarnaast kan het perceel worden samengevoegd met naastgelegen percelen met glastuinbouwbedrijven, wat in overeenstemming is met het beleid om het glastuintuinbouwgebied te behouden en te versterken.

3. Eisers betogen dat verweerder in dit geval niet handhavend mocht optreden. Daartoe bestrijden zij uitvoerig het bestreden besluit, waarbij zij in de kern een beroep doen op het overgangsrecht van de planregels.

4.1.

Eisers doen met name een beroep op het overgangsrecht van de planregels Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland". Zij stellen dat ten tijde van het ter inzage leggen van dat bestemmingsplan het gebruik van de kas voor privédoeleinden reeds plaatsvond.

4.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eisers op het overgangsrecht niet slaagt, omdat zij niet hebben aangetoond dat het strijdige gebruik naar aard en omvang niet is gewijzigd en ononderbroken is voortgezet sinds de inwerkingtreding in 1986 van het bestemmingsplan "Buitengebied Monster".

4.3.

Het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Boomawatering" is op 28 januari 2014 vastgesteld en op dezelfde datum in werking getreden.

Ingevolge artikel 24.2 (overgangsrecht gebruik) van de planregels:

a. mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet;

b. is het verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

c. is, indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

d. is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

4.4.

Het bestemmingsplan Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland" is op 26 mei 2009 vastgesteld en volgens verweerder op dezelfde datum in werking getreden. De planregels van deze herziening golden aanvullend op het bestemmingsplan "Buitengebied Monster".

Ingevolge artikel 11, onder 3 tot en met 6, van de planregels (het overgangsrecht):

- mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet;

- is het verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het derde lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door de

verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

- is, indien het gebruik, bedoeld in het derde lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

- is het derde lid niet van toepassing op het gebruík dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

4.5.

Het bestemmingsplan "Buitengebied Monster" is op 25 maart 1986 vastgesteld en op 27 januari 1987 in werking getreden.

Ingevolge artikel 65, lid B, onder 1 tot en met 3, van de planregels (overgangsbepalingen ten aanzien van het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken):

- mocht het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd was, worden voortgezet;

- mocht het bestaande gebruik, als bedoeld onder 1, worden gewijzigd in een ander met, het plan strijdig gebruik, mits de afwijking van het plan naar de aard niet werd vergroot;

- gold het bepaalde onder 1 en 2 niet voor een gebruik dat strijdig was met het voor bedoeld tijdstip geldend bestemmingplan en tegen welk verboden gebruik een procedure liep tot het terugbrengen in de oude toestand.

4.6.

Vast staat en tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van perceel [nummer 1] voor privédoeleinden in strijd is met de ingevolge het geldende bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Boomawatering" op dat perceel rustende bestemming “Agrarisch‑Glastuinbouw"(A-GT). Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat het gebruik in strijd is met de ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland" op het perceel rustende agrarische bestemming. Verder is niet in geschil dat het gebruik is strijd is met de ingevolge het daarvoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied Monster" op het perceel rustende bestemming "Agrarisch gebied, kassen toegestaan –Ak".

4.7.

Daarom dient te worden beoordeeld of het gebruik wordt beschermd door het in artikel 24.2 van de planregels van het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Boomawatering" opgenomen overgangsrecht. Om het gebruik onder de werking van dit overgangsrecht te kunnen brengen is het, gelet op artikel 24.2, onder d, noodzakelijk dat dit gebruik reeds werd beschermd door het overgangsrecht van het bestemmingsplan Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland". Teneinde te kunnen bepalen of dit het geval is, dient, gelet op het in artikel 11, zesde lid, van het bestemmingsplan Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland" te worden bepaald of het gebruik wordt beschermd door het in het bestemmingsplan "Buitengebied Monster" in artikel 65, lid B, van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht, nu het gebruik ook met dit plan in strijd was. Dat betekent dat ter beoordeling staat of het gebruik dat eisers maken van het perceel op de peildatum behorende bij dat bestemmingsplan, te weten 27 januari 1987, reeds was aangevangen.

4.8.

Vast staat dat bedoeld strijdig gebruik pas in 2001 een aanvang heeft genomen, toen de vorige eigenaar [persoon 2] de kas voor de opslag van zijn materialen ten behoeve van zijn onderhoudsbedrijf tevens voor privé doeleinden in gebruik nam. Dat strijdige gebruik mag, anders dan eisers betogen, niet op grond van het bestemmingsplan Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland" worden voortgezet. Er was weliswaar al sprake van gebruik voor privédoeleinden ten tijde van het verkrijgen van rechtskracht van dat bestemmingplan, maar dit gebruik is in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied Monster” en heeft een aanvang genomen nadat dat bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen. De enkele stelling van eisers ter zitting dat sprake is van een ononderbroken gebruik voor privédoeleinden sinds 27 januari 1987 hebben zij niet met concrete objectiveerbare gegevens onderbouwd. Het beroep van eisers op het overgangsrecht slaagt daarom niet.

4.9.

Het beroep van eisers op artikel 2, onder 4, onderdeel e, van het bestemmingsplan Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland", slaagt evenmin. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze bepaling alleen van toepassing is, indien een bedrijfswoning staat op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw". In 2009 is de bedrijfswoning op perceel [nummer 2] omgezet in een burgerwoning. Het perceel heeft ter plaatse van de woning voor ongeveer 320 m2 de bestemming "Wonen" gekregen. Het overige gedeelte van het perceel heeft de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw" behouden. Hierdoor is de toepasselijkheid van genoemde bepaling, op grond waarvan het was toegestaan om gronden onder en om de woning tot 1000 m2 voor privédoeleinden te gebruiken, vervallen.

4.10.

Het betoog van eisers dat het gebruik van perceel [nummer 1] voor agrarische doeleinden niet meer mogelijk is doordat de grenzen van de bestemming "Wonen" dat gebruik beletten en voorts het perceel naar zijn aard en omvang te beperkt is voor agrarisch gebruik, kan ook niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Nog daargelaten dat het gebruik van gronden in overeenstemming dient te zijn met de daaraan gegeven bestemming, heeft de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van verweerder dat het perceel geschikt is om in het kader van de reconstructie van het glastuinbouwgebied te gebruiken voor bijbehorende bouwwerken en installaties voor bijvoorbeeld voorzieningen als waterberging, energie en/of warmte en laden en lossen.

4.11.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het gebruik van de kas op perceel [nummer 1] voor privé doeleinden in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zodat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

4.12.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. In gevallen waarin het bestuursorgaan in dat kader redelijk beleid voert, bijvoorbeeld inhoudend dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat het een handhavingsbesluit voorbereidt, dient het zich echter in beginsel aan dit beleid te houden. Dit laat onverlet dat het bestuursorgaan slechts onder bijzondere omstandigheden van het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom mag afzien. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat, of als het opleggen van een dergelijke last zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van het opleggen van die last behoort te worden afgezien. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6683.

4.13.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat en waarom eisers in het kader van het op 5 oktober 2015 vastgestelde handhavingsbeleid niet in aanmerking komen voor een omgevingsvergunning om het strijdige gebruik van het perceel en de kas voor privédoeleinden te legaliseren. Daarbij is er onder andere op gewezen dat het handhavingsbeleid en het project "Ruimte voor de glastuinbouw" gelden voor elk perceel in het glastuinbouwgebied en dat handhavend wordt opgetreden tegen de in 2009/2010 geconstateerde 750 gevallen van strijdig gebruik.

4.14.

Uit het dossier volgt evenwel dat verweerder in een aantal gevallen bij de toepassing van het handhavingsbeleid op een dilemma is gestuit. Dat betreft de gevallen waarin handhavend werd opgetreden zonder dat de economische omstandigheden er op dat moment toe noopten extra gronden voor de glastuinbouw vrij te maken. Echter blijft overeind dat verweerder strijdig gebruik niet wil laten voortduren in afwachting van een concrete schaalvergroting of herstructurering, onder andere omdat handhavingsprocedures lang kunnen duren en de gronden daardoor niet op tijd beschikbaar komen voor de tuinder.

4.15.

In het op 31 januari 2017 aangevuld en gewijzigd beleid zijn uitgangspunten opgenomen om het dilemma op te lossen. In deze beleidsregels staan de gevallen en voorwaarden genoemd waaronder verweerder bereid is de voor de alternatieve oplossing benodigde omgevingsvergunning te faciliteren. Volgens dat beleid moet een onderscheid worden gemaakt tussen bestaande en nieuwe gevallen, waarbij, behoudens de hierna te noemen uitzonderingen, alleen bestaande gevallen van strijdig gebruik in aanmerking komen voor een tijdelijke omgevingsvergunning en een koopoptie. Van een bestaand geval is sprake als het strijdige gebruik is aangevangen vóór 1 januari 2015, tenzij:

a. het met het bestemmingsplan strijdige gebruik is aangevangen vóór 1 januari 2015 maar het gebruik na 1 januari 2015 door een rechtsopvolger, anders dan via erfopvolging, is voortgezet;

b. het met het bestemmingsplan strijdige gebruik na 1 januari 2015 naar aard en/of omvang is vergroot of is geïntensiveerd ten opzichte van de situatie op 1 januari 2015.

Verder is in het nieuwe beleid opgenomen dat nieuwe gevallen van strijdig gebruik niet door de in de gewijzigde handhavingsstrategie beschreven oplossing worden gefaciliteerd. Indien dat wel zal gebeuren, zou dit nieuw strijdig gebruik in de hand werken, hetgeen niet gewenst is. Hierop geldt een uitzondering en dat betreft het strijdige gebruik van agrarische dienstwoningen (inclusief onder en omliggende gronden tot 1000 m2).

4.16.

Het beroep van eisers op het per 31 januari 2017 geldende handhavingsbeleid, kan niet slagen, reeds omdat zij niet bereid zijn verweerder voor perceel [nummer 1] een koopoptie te geven. Daarbij komt dat eisers niet voldoen aan de onder a genoemde voorwaarde van het beleid. Het strijdige gebruik is in het geval van eisers weliswaar in 2001 en dus vóór 1 januari 2015 aangevangen, maar zij hebben dat gebruik als rechtsopvolgers eerst na die datum voortgezet.

4.17.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

4.18.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had moeten afzien. Voor zover eisers betogen dat in 2009 bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 7, onder a, van het bestemmingsplan Parapluherziening bestemmingsplannen "Buitengebied Westland" niet aan alle vereisten is voldaan voor het omzetten van de bestemming van het perceel [nummer 2] van “Agrarisch‑Glastuinbouw” in “Wonen”, is dit een omstandigheid die verweerder in het kader van de uitvoering van het handhavingsbeleid niet kan worden tegengeworpen. De omstandigheid dat strijdig gebruik jarenlang is gedoogd, is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 4 maart 2009 en 21 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2009:BH4646 respectievelijk ECLI:NL:RVS:2010:BN1883, evenmin als een zodanige bijzondere omstandigheid aan te merken. Daarbij komt dat op 4 mei 2010 binnen het glastuinbouwgebied in het kader van een inventarisatie van strijdig gebruik van percelen een controle heeft plaatsgevonden op het onderhavige perceel, naar aanleiding waarvan de toenmalige eigenaar [persoon 2] bij brief van 26 mei 2010 te kennen is gegeven dat de kas in strijd met de agrarische bestemming werd gebruikt. Nadien is [persoon 2] daarop tijdens een gesprek op 26 november 2012 nogmaals gewezen. Van een toezegging aan [persoon 2] dat niet handhavend zou worden opgetreden is niet gebleken. Weliswaar is op 26 november 2012 gesproken over een gedoogbeschikking, maar deze is uiteindelijk niet afgegeven. Bovendien is gebleken dat de situatie sindsdien is veranderd. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, heeft in de periode tussen 2012 en 2014 de uitvoering van het project "Ruimte voor de glastuinbouw" stilgelegen, doordat wegens economische omstandigheden geen noodzaak bestond om gronden vrij te maken voor de glastuinbouw. Handhaving in die periode was niet urgent. Vanaf 2014 is weer behoefte ontstaan aan extra gronden voor glastuinbouw, wat heeft geresulteerd in het besluit van verweerder om daadwerkelijk over te gaan tot de uitvoering van het project "Ruimte voor de glastuinbouw". De rechtbank acht dit niet onredelijk.

4.19.

Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen meer gewicht had moeten toekennen aan de belangen van eisers bij het kunnen gebruiken voor privédoeleinden van perceel [nummer 1] dan aan het algemeen belang dat is gediend met schaalvergroting en versterking van het glastuinbouwgebied. Zoals onder 4.10 is overwogen, is het perceel geschikt om te gebruiken voor glastuinbouw. Door handhavend op te treden wordt een einde gemaakt aan verrommeling van het glastuinbouwgebied en wordt voorkomen dat glastuinders afzien van het kopen van gronden omdat het eerst dan inzetten van handhaving tot lange procedures kan leiden.

5.1.

Wat betreft het beroep van eisers op het vertrouwensbeginsel stelt de rechtbank voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:920).

5.2.

Eisers hebben aangevoerd dat hun makelaar in februari 2014 ten tijde van het opstellen van de verkoopinformatiebrochure een gesprek heeft gehad met [persoon 1] , werkzaam als consulente bij de afdeling Bouwen en Wonen van de gemeente Westland. Volgens eisers heeft [persoon 1] in dat gesprek meegedeeld dat het is toegestaan om op perceel [nummer 1] een siertuin te hebben, wat volgens eisers erop neerkomt dat de gronden voor privédoeleinden kunnen worden gebruikt. Tevens zou [persoon 1] aan de makelaar hebben verteld dat het gebruik van de kas voor privédoeleinden voor een lange periode zou worden gedoogd, waarna eisers op 22 januari 2015 de koopovereenkomst hebben getekend.

5.3.

Daargelaten dat verweerder ten stelligste betwist dat [persoon 1] zich ten overstaan van eisers in die zin heeft uitgelaten en ook [persoon 1] tijdens de hoorzitting en ter zitting uitdrukkelijk heeft ontkend de door eisers gestelde mededelingen te hebben gedaan, zou daaraan niet die betekenis kunnen worden gehecht, die eisers daaraan gehecht willen zien. De bevoegdheid om omgevingsvergunning te verlenen, berust bij verweerder en niet bij een consulente van de gemeente. Niet is gebleken dat de gestelde mededelingen namens verweerder zijn gedaan. De verklaring ter zitting van de makelaar over de inhoud van het gesprek dat zij met [persoon 1] heeft gehad over het gebruik van het perceel, kan dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

5.4.

Dit geldt eveneens voor het beroep van eisers ter zitting op de uitspraak van 10 mei 2012 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2012:BW6851. In de situatie, waarop die uitspraak betrekking heeft, is, anders dan in dit geval, sprake van een bevoegdelijk gedane toezegging. Ook het beroep van eisers op de uitspraak van 21 april 2011 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3515, slaagt niet, reeds omdat niet in geschil is of een toezegging alleen schriftelijk of ook mondeling kan worden gedaan.

6.1.

Eisers hebben ten slotte een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan en aangevoerd dat verweerder van de 750 gevallen, waarin sprake is van strijdig gebruik met de agrarische bestemming, slechts in enkele gevallen handhavend zal optreden. Daarnaast hebben eisers gewezen op de situatie aan de [adres 2] , waarin verweerder meewerkt aan het vergroten van de woonbestemming van dit perceel.

6.2.

Bij het bestreden besluit en ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat ten behoeve van de herstructurering van het glastuinbouwgebied en bij de uitvoering van het project "Ruimte voor de glastuinbouw" alle overtredingen zullen worden beëindigd door middel van handhavend optreden. Omdat niet alle gevallen tegelijkertijd kunnen worden aangepakt, heeft verweerder de hoogste prioriteit gegeven aan de overtredingen in de gebieden Poelzone en Boomawatering, waarin het perceel van eisers ligt. Van een ongelijk geval is daarom geen sprake.

6.3.

Voorts is, naar het oordeel van de rechtbank, de situatie aan de [adres 2] , ten aanzien van welk perceel besluitvorming heeft plaatsgevonden omtrent een eventuele vergroting van de woonbestemming, niet gelijk aan de situatie van eisers. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, bevindt het perceel [adres 2] zich aan de rand van het glastuinbouwgebied. Daardoor is dat perceel minder van belang voor de glastuinbouwreconstructie dan het perceel van eisers dat zich middenin in het glastuinbouwgebied bevindt. Van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld, is dus geen sprake. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

7. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat de woning, de kas en de waterpartij op perceel [nummer 2] en de onbebouwde gronden van dit perceel in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Boomawatering” worden gebruikt en dat de last onder dwangsom daarom geen betrekking heeft op dat perceel. De stelling van verweerder dat dat inmiddels niet meer geldt voor de waterpartij, laat de rechtbank verder buiten beschouwing, omdat deze stelling betrekking heeft op een situatie die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. De reactie van eisers bij brief van 10 maart 2017 blijft om dezelfde reden eveneens verder buiten beschouwing.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L. Frenkel, rechter, in aanwezigheid van J.M. Lo-A-Njoe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.