Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7144

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
5158630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen beroepsfout advocaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

ME

Zaak/rolnummer: 5158630 RL EXPL 16-17411

23 maart 2017

Vonnis in de zaak van:

de maatschap naar burgerlijk recht De Bok Roijers Gasseling Advocaten,

gevestigd te Rotterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. E.A.L. van Emden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie

procederend in persoon.

Partijen worden aangeduid als “BRG Advocaten” en “ [gedaagde] ”.

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- de dagvaarding van 13 juni 2016;

- de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens inhoudende verzoek tot verwijzing naar de sector civiel ex art. 98 Rv.

1.2

De kantonrechter heeft kennis genomen van het verzoek van BRG Advocaten om de zaak te verwijzen naar de sector civiel. De kantonrechter acht verwijzing evenwel niet nodig en wijst het verzoek daarom af.

1.3

Op 20 december 2016 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden waarbij zijn verschenen de heer [DB] (hierna: [DB] ) namens BRG Advocaten, bijgestaan door de advocaat voornoemd en [gedaagde] in persoon.

Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1

Als niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, staan in deze zaak de navolgende feiten vast.

2.2

[gedaagde] en zijn echtgenote (mevrouw [SR] ) hebben in 2006 samen met de heer [MW] (hierna [MW] ) een landgoed gekocht aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: het landgoed). Na de koop behoorde de onverdeelde helft van het landgoed toe aan [MW] en de andere onverdeelde helft aan [gedaagde] en zijn echtgenote gezamenlijk. De deelgenoten in het landgoed ( [gedaagde] en zijn echtgenote aan de ene kant en [MW] aan de andere kant) hebben bij notariële akte van 14 juli 2006 nadere afspraken met elkaar gemaakt, waaronder de afspraak dat wanneer één van de deelgenoten zijn aandeel in het landgoed zou willen verkopen, er een plicht geldt om dit aandeel eerst aan de andere deelgeno(o)t(en) aan te bieden. De andere deelgenoot zou een recht van koop hebben. Hierbij is overeengekomen dat indien de andere deelgenoot geen gebruik maakt van het recht van koop, de verkopende deelgenoot gedurende een half jaar zijn aandeel aan een derde mag verkopen, mits voor een prijs die niet lager ligt dan de prijs waarvoor de andere deelgenoot níet tot koop wilde overgaan. Voorts is afgesproken dat wanneer de verkopende deelgenoot zijn aandeel aan een derde verkoopt, de andere deelgenoot gehouden is om op verzoek van de verkopende deelgenoot ook zijn aandeel te verkopen aan de betreffende derde.

2.3

[MW] heeft eind 2013 zijn aandeel in het landgoed aan [gedaagde] te koop aangeboden. Bij e-mail van 30 december 2013 heeft [MW] aan [gedaagde] en zijn echtgenote (onder meer) bericht:

“In het licht van de afspraken opgesteld door Loyens & Loeff juli 2006 en onze zienswijze (mails uit 2013) vind ik om iedere speculatie tegen te gaan (verleden en heden) de WOZ waarde de aangewezen waarderingsgrondslag waartegen een eigenaar zijn aandeel aanbiedt aan resterende eigenaren alvorens het aan de markt aan te bieden. Zodoende biedt ik jullie mijn 50% eigendom aandeel aan voor € 2.150.000,=.

Mijn aanbieding is geldig tot 1 maart 2014.

Tegelijker tijd stel ik voor dat ieder van de eigenaren een verkopend makelaar / bemiddelaar aanwijst waarbij ik als vraagprijs aan de markt voor het geheel € 5.500.000,= zal hanteren.”

2.4

Omdat [gedaagde] en zijn echtgenote het aandeel van [MW] wensten over te nemen, maar daarvoor niet direct de financiering beschikbaar hadden, is afgesproken dat [gedaagde] en zijn echtgenote zouden bezien of zij financiering of een (mede)koper konden vinden voor het aandeel van [MW] . Op 30 april 2014 zou worden beoordeeld of een en ander was gelukt. Wanneer dat het geval was, zou uiterlijk op 1 juli 2014 de koopovereenkomst getekend worden. Indien een en ander niet zou lukken, zou overlegd worden hoe het landgoed (als geheel) op de markt gebracht zou worden.

2.5

Op 30 april 2014 en in de dagen daarna hebben [MW] en [gedaagde] met elkaar gesproken. [MW] heeft de daarbij (volgens hem) gemaakte afspraken bij e-mail van 5 mei 2014 aan [gedaagde] bevestigd. [MW] schrijft daarin:

“Gisteren hebben wij de volgende onderwerpen besproken en zijn het onderstaande overeengekomen.

  1. Wat betreft mijn aanbieding voorstel (30 december 2013) mbt tot het verkopen van mijn aandeel in de RVL hebben wij op 30 april geconstateerd dat er maar 1 gegadigde is te weten jou ouders. Hiermee is het voor een ieder duidelijk dat vanaf heden uitsluitend jou ouders kunnen ingaan op mijn uittreding voorstel en niet meer andere geïnteresseerden.

  2. Op uiterlijk 1 juli 2014 zal de koopovereenkomst zijn gepasseerd bij een notaris van jou ouders keuze tegen de overeengekomen voorwaarden zie correspondentie 30 december 2013.

  3. Indien er om welke reden dan ook niet door jou ouders wordt ingegaan op mijn aanbiedingsvoorstel dan vervalt deze in zijn geheel per direct. Vervolgens zal er dan per uiterlijk 1 juli 2014 een onvoorwaardelijke verkoopopdracht van het gehele eigendom van de RVL door ons drieën ondertekend bij tenminste 1 verkoopbemiddelaar dan wel makelaar liggen.

  4. Om het proces van de verkoop van de gehele RVL aan een derde partij in goede banen te leiden zal er door ons een midiator worden aangesteld.

(...)”

2.6

Op 10 mei 2014 is de vader van [gedaagde] overleden.

2.7

In het vervolg hierop is tussen [gedaagde] en [MW] niettemin verder onderhandeld over overname van het aandeel van [MW] . Hierbij is een geschil ontstaan, onder meer omtrent het al dan niet toevoegen van een anti-speculatiebeding aan de koopovereenkomst. Tijdens een bespreking op 19 juni 2014 heeft [MW] het toevoegen van een dergelijk beding als voorwaarde gesteld voor de verkoop. [gedaagde] kon zich in die voorwaarde niet in vinden en achtte een en ander bovendien in strijd met eerder gemaakte afspraken.

2.8

Op of omstreeks 20 juni 2014 heeft [gedaagde] [DB] verzocht om hem als advocaat bij te staan bij het geschil met [MW] . [DB] heeft de opdracht aanvaard en dit op 1 juli 2014 schriftelijk vastgelegd in een opdrachtbevestiging.

2.9

Op 21 juni 2014 heeft [gedaagde] aan [DB] voorgelegd een concept e-mail gericht aan [MW] , welke is ondertekend door [gedaagde] en zijn echtgenote. [gedaagde] schrijft daarbij:

“Ik heb onderstaande mail gedicht, waarvan ik denk dat wij die snel moeten versturen. Wat vind jij er van? (…)”

Aan de e-mail van [gedaagde] zat ook een e-mail van een notariskantoor gehecht met daarbij een (leeg, niet ingevuld) model koopovereenkomst.

[DB] heeft [gedaagde] bij e-mail van 21 juni 2014 bericht:

“Zie mijn aanpassingen in onderstaande tekst, niet gemarkeerd dit keer. De wijzigingen betreffen een wat stevigere verwijzing naar de bevestigde koop, en het niet toelaten van een mogelijkheid om over voorwaarden in de tekst van de koopovereenkomst alsnog te onderhandelen. Kortom, alles is duidelijk, draaien met dat transport. (…)”

2.10

[gedaagde] heeft vervolgens (eveneens) op 21 juni 2014 een e-mail aan [MW] gestuurd. [gedaagde] heeft daarin, ten opzichte van de door [DB] aangepaste e-mail, nog wijzigingen aangebracht. Onder meer heeft [gedaagde] aan de e-mail toegevoegd: “Bijgaand vind je de concept model koopovereenkomst.”. In de concept koopovereenkomst zijn [gedaagde] en zijn moeder mevrouw [MV] (hierna: [MV] ) als kopers genoemd.

2.11

In reactie daarop heeft [MW] bij e-mail van 23 juni 2014 onder meer bericht:

“Vervolgens resten er voor mij twee zaken die in de definitieve koopovereenkomst dienen te worden opgenomen:

1) Een antispeculatie beding: in mijn aanbieding aan jullie op 30 december 2013 heb ik bij de vaststelling van mijn aanbiedingsprijs duidelijk laten zien dat ik niet wens te speculeren tussen ons als bestaande eigenaren.

Anders is het indien het object aan een derde wordt verkocht. Tevens laat ik hiermee ook zien het jullie te gunnen om hier nog langer te blijven wonen.

Indien jullie dan vervolgens van mijn aanbod gebruik wensen te maken is het mijn stellige overtuiging dat er dan automatisch een antispeculatie beding wordt opgenomen in de leverings akte. Dit is niets meer dan een fatsoenlijk vervolg in het scenario van uittreding van 1 van de eigenaren uit dit gemeenschappelijk bezit in de geest waar wij hiermee zijn begonnen. Ik verwacht dat dit antispeculatie beding is opgenomen in de definitieve koopovereenkomst van 1 augustus a.s. of hier als bijlage te worden toegevoegd. (…)”

2.12

[gedaagde] heeft vervolgens een conceptreactie opgesteld en deze op 25 juni 2014 aan [DB] voorgelegd. [gedaagde] geeft daarin onder meer aan over een anti-speculatiebeding na te willen denken. Ook geeft [gedaagde] aan dat een beding geen onderdeel van de koopovereenkomst zal uitmaken. [DB] heeft op 26 juni 2014 enkele tekstuele wijzigingen voorgesteld, waarna [gedaagde] de e-mail aan [MW] heeft gestuurd.

Bij e-mail van 27 juni 2014 heeft [MW] vervolgens ten aanzien van het anti-speculatiebeding bericht:

“In jullie e-mail van 26 juni schrijven jullie dat dit antispeculatie beding geen onderdeel zal zijn van de koopovereenkomst of van de akte van levering maar er zal een apart (aanvullende) overeenkomst voor worden opgesteld…..

Deze zienswijze snap ik niet, vind ik vreemd, en zodoende kan ik hier ook niet mee instemmen. Ik zal mij hierover nog verder beraden en acht vrijwel onmogelijk dat wij hier nog voor 1 juli as. overeenstemming zullen bereiken.”

2.13

Op 30 juni 2014 heeft [gedaagde] een e-mail aan [MW] verstuurd – na deze eerst aan [DB] te hebben voorgelegd – waarin [MW] nogmaals wordt verzocht de koopovereenkomst, die [gedaagde] in tweevoud getekend bij de notaris heeft gedeponeerd, te tekenen.

Bij e-mail van 30 juni 2014 heeft [MW] laten weten de overeenkomst niet te tekenen omdat nog altijd geen volledige overeenstemming bestaat, in het bijzonder niet over het anti-speculatiebeding. Verder schrijft [MW] :

“Verder merk ik op dat indien jullie van mening zijn dat er wel overeenstemming bestaat, wat ik uitdrukkelijk betwist, er niet aan de schriftelijkheidseis is voldaan. Dit is wettelijk vereist bij de (ver)koop van een woning tussen particulieren. Een particuliere verkoper kan niet worden verplicht om een mondelinge overeenstemming, als die in ons geval al zou bestaan, schriftelijk vast te leggen.”

2.14

[gedaagde] heeft de voornoemde e-mail aan [DB] voorgelegd. [DB] heeft als volgt gereageerd:

“Nu wordt het wat ingewikkelder waar het gaat om het schriftelijkheidsvereiste. Onderstaand het wetsartikel, dat dient uitsluitend ter bescherming van de Koper-consument. Zal ik een tekst voor je maken?”

2.15

[DB] heeft vervolgens zijn kantoorgenote mr. D.R.D.A. [BB] (hierna: [BB] ) bij de zaak betrokken. [BB] heeft een conceptreactie aan [MW] opgesteld en deze op 30 juni 2014 aan [gedaagde] gezonden. Hierin is onder meer opgenomen:

“In dit geval is geen sprake van de (ver)koop van een woning tussen particulieren. Wij kopen van jou jouw aandeel in de gemeenschap, die wij met z’n drieën hebben. Wij zijn gezamenlijk eigenaar van het perceel en hebben daar alle drie een onverdeeld aandeel in. Dat betekent dus ook dat de wettelijke vereisten voor de (ver)koop van een woning tussen particulieren niet van toepassing zijn.”

[gedaagde] heeft hierop op 1 juli 2014 een e-mail aan [MW] gestuurd met een geheel andere inhoud. [gedaagde] vraagt [MW] daarin om de gemaakte afspraken na te komen en aan te geven of hij gebruik wenst te maken van een door [gedaagde] voorgesteld anti-speculatiebeding dat bij de e-mail is gevoegd.

[MW] heeft daarop laten weten niet met een en ander in te stemmen en dat nog altijd geen overeenstemming bestaat over de verkoop.

2.16

Op verzoek van [gedaagde] heeft BRG Advocaten in de tussentijd notariskantoor Kooijman Lambert gevraagd om advies omtrent de toepasselijkheid van het in artikel 7:2 BW neergelegde schriftelijkheidsvereiste. Op 10 juli 2014 heeft Kooijman Lambert bericht dat dit vereiste naar haar mening niet geldt bij de verdeling tussen deelgenoten. Bij e-mail van 15 juli 2014 heeft [gedaagde] aan [MW] bericht dat artikel 7:2 BW niet geldt. [MW] is evenwel bij zijn standpunt gebleven.

2.17

[gedaagde] en [MW] zijn vervolgens een mediation-traject gestart. Hierbij is [DB] /BRG Advocaten niet betrokken geweest. Het dossier is door BRG Advocaten in het najaar van 2014 gesloten.

2.18

De [gedaagde] en [MW] begonnen mediation heeft niet tot een regeling geleid. Op 3 maart 2015 heeft [MW] [gedaagde] nog een laatste voorstel gedaan. [gedaagde] kon het aandeel van [MW] in het landgoed alsnog kopen voor een bedrag van € 2.300.000,- plus een voor tien jaar geldend anti-speculatiebeding of voor een bedrag van € 2.500.000,- zonder beding. [gedaagde] heeft het voorstel niet geaccepteerd. [MW] heeft vervolgens via zijn rechtsbijstandverlener de stelling ingenomen dat hij zijn aandeel vrijelijk op de markt kon brengen.

2.19

Eind april 2015 heeft [gedaagde] aan [DB] gevraagd hem wederom bij te staan in het geschil met [MW] . [DB] heeft deze opdracht aanvaard. Na advies van [DB] is op 24 mei 2015 overgegaan tot dagvaarding van [MW] in kort geding. Gevorderd is veroordeling van [MW] tot nakoming van de verkoop van zijn aandeel in de gemeenschap aan [gedaagde] en zijn echtgenote ( [SR] ). Bij vonnis van 29 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering afgewezen. Daarbij is (onder meer) overwogen:

“4.2 De vordering van [gedaagde] cs strekt er toe dat [MW] zijn deel van het Perceel (onbezwaard) aan hen beiden levert tegen een prijs van € 2.150.000,-, zulks overeenkomstig de afspraken die partijen daarover medio 2014 zouden hebben gemaakt. Uit hun stellingen volgt dat die afspraken zijn vastgelegd in een concept model koopovereenkomst, die zij op 21 juni 2014 – per e-mail – hebben toegezonden aan [MW] . Dat concept (prod. 1 van [MW] ) vermeldt echter als kopers [gedaagde] en [MV] – en dus niet [gedaagde] en [SR] – wat zich niet verhoudt met de vordering. Uit de onderliggende stukken volgt in ieder geval niet de juistheid van de stellingen Van [gedaagde] cs.

4.3

Gelet op de hiervoor geschetste onduidelijkheid en de gemotiveerde betwisting door [MW] van de door [gedaagde] cs gestelde overeenstemming met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap, komt de vordering van [gedaagde] cs in het beperkte bestek van dit kort geding niet voor toewijzing in aanmerking. Voor zover partijen zouden zijn overeengekomen dat het aandeel van [MW] in het Perceel wordt verkocht en geleverd aan [gedaagde] en [MV] , kan overigens niet worden gesproken van de verdeling van een gemeenschap, zoals [gedaagde] cs stellen. [MV] is immers geen ‘deelgenoot’. Gelet hierop kan het beroep van [MW] op het niet voldoen aan het schriftelijkheidsvereiste ex artikel 7:2 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek op voorhand niet als kansloos worden aangemerkt.”

2.20

In november 2015 heeft [gedaagde] , nadat hij eerder al aan [DB] kenbaar had gemaakt teleurgesteld te zijn het vonnis van 29 juli 2015, de opdracht aan BRG Advocaten en [DB] ingetrokken en een andere advocaat in de arm genomen. Sindsdien heeft BRG Advocaten geen werkzaamheden meer voor [gedaagde] verricht.

De declaraties van BRG Advocaten aan [gedaagde] van de periode augustus t/m november 2015, in welke periode [DB] onder meer heeft geadviseerd over het (al dan niet) starten van een bodemprocedure, zijn voor een bedrag van € 11.251,15 onbetaald gebleven.

2.21

Na het vonnis van 2015 is door [MW] een bodemprocedure gestart, strekkende tot verdeling van de gemeenschap. Hangende deze procedure heeft [gedaagde] ingestemd met de verkoop van het gehele landgoed. Op 2 juli 2016 is een koopovereenkomst getekend op grond waarvan de deelgenoten ( [MW] en [gedaagde] en zijn echtgenote) het landgoed aan een derde hebben verkocht voor het bedrag van € 5.900.000,-.

3 Het geschil

In conventie

3.1

BRG Advocaten vordert na vermindering van eis, in conventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan BRG Advocaten te betalen een bedrag van € 11.251,15, ter vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom ad € 10.147,85, een bedrag aan rente ad € 195,74 en buitengerechtelijke kosten ad € 907,56. Voorts vordert BRG Advocaten veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

BRG Advocaten legt aan de vordering ten grondslag dat met [gedaagde] (in april 2015) een overeenkomst van opdracht is gesloten, op grond waarvan BRG Advocaten (advocaat)werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. De verrichte werkzaamheden zijn voor een bedrag van € 10.147,85 onbetaald gebleven. [gedaagde] verkeert in dezen in verzuim, aldus BRG Advocaten.

3.3

[gedaagde] betwist dat hij gehouden is het bedrag van € 10.147,85 (en de daarmee samenhangende bedragen) te betalen. Daartoe voert [gedaagde] aan dat aan de zijde van BRG Advocaten sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de gesloten overeenkomst van opdracht. Volgens [gedaagde] heeft [DB] hem onjuist geïnformeerd en geadviseerd, waardoor schade is geleden. Vanwege de geleverde tekortkoming is de overeenkomst ex artikel 6:265 BW jo. artikel 6:267 BW ontbonden en daarmee vervalt (ex artikel 6:271 BW) ook zijn betalingsverplichting ten aanzien van het volledige bedrag van € 11.251,15, aldus [gedaagde] . De conventionele vordering moet daarom worden afgewezen.

In reconventie

3.4

[gedaagde] vordert in het verlengde van het voorgaande in reconventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht 1) dat BRG Advocaten/ [DB] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en 2) dat de overeenkomst van opdracht is ontbonden.

Voorts vordert [gedaagde] veroordeling van BRG Advocaten tot (terug)betaling van het in verband met de verrichte werkzaamheden reeds betaalde bedrag van € 7.039,94. Volgens [gedaagde] ontstaat na ontbinding ex artikel 6:271 BW een verbintenis tot ongedaanmaking op grond waarvan voor BRG Advocaten een terugbetalingsverplichting geldt.

[gedaagde] vordert voorts veroordeling van BRG Advocaten tot betaling van een bedrag van € 800.000,- aan schadevergoeding. [gedaagde] voert in dit verband aan dat hij dit bedrag aan schade heeft geleden doordat in 2014, als gevolg van de door BRG Advocaten/ [DB] geleverde wanprestatie, de (ver)koop van het aandeel van [MW] niet door is gegaan. [gedaagde] had het landgoed, wanneer hij in 2014 voor het bedrag van € 2.150.000,- volledig eigenaar was geworden, in 2016 voor € 5.900.000,- kunnen verkopen. [gedaagde] betoogt dat hij aldus € 800.000,- is misgelopen (50 % van € 5.900.000,- minus € 2.150.000,-).

3.5

BRG Advocaten concludeert tot afwijzing van de vordering van [gedaagde] . BRG Advocaten voert daartoe aan dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming en dat aldus geen grond bestaat voor de gevorderde verklaringen voor recht en voor de gevorderde schadevergoeding. In dit verband betwist BRG Advocaten voorts dat het reeds betaalde bedrag van € 7.039,94 aan [gedaagde] terugbetaald dient te worden.

4 Beoordeling

4.1

De vorderingen in conventie en in reconventie hangen met elkaar samen en zullen daarom gezamenlijk besproken worden.

In conventie en in reconventie

4.2

Zowel aan het verweer tegen de vordering in conventie als aan de (eigen) vordering in reconventie, heeft [gedaagde] ten grondslag gelegd dat aan de zijde van BRG Advocaten sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de gesloten overeenkomst van opdracht. Volgens [gedaagde] is door [DB] een beroepsfout gemaakt omdat hij [gedaagde] in 2014 niet tijdig en niet juist heeft geïnformeerd en geadviseerd over het in artikel 7:2 BW neergelegde schriftelijkheidsvereiste.

Dit moet volgens [gedaagde] (ten eerste) leiden tot ontbinding van de overeenkomst van opdracht waardoor voor [gedaagde] de betalingsverplichting ten aanzien van het bedrag van € 11.251,15 vervalt en voor BRG Advocaten een terugbetalingsverplichting ontstaat voor het reeds betaalde bedrag van € 7.039,94.

4.3

BRG Advocaten heeft in verband met voornoemde vorderingen aangevoerd dat de gestelde beroepsfout – als hier al sprake van zou zijn, hetgeen zij betwist – (volgens [gedaagde] ) is begaan bij de advisering in 2014. Onbetwist heeft BRG Advocaten betoogd dat het in verband met deze advisering geopende dossier in het najaar van 2014 is gesloten en dat in april 2015 een nieuwe overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Dit volgt ook uit de overgelegde correspondentie en in het bijzonder uit de brief van 4 mei 2015 waarin BRG Advocaten bevestigt dat (in 2015) een nieuwe opdracht wordt aanvaard.

Met BRG Advocaten is de kantonrechter van oordeel dat, indien al sprake is van een tekortkoming in 2014 – hetgeen vooralsnog in het midden kan blijven – dit enkel zou kunnen leiden tot ontbinding van de overeenkomst gesloten in 2014 en niet van die welke is gesloten in 2015. Immers, een eventuele beroepsfout gemaakt bij het uitvoeren van de verbintenis uit 2014, kan niet leiden tot ontbinding van de overeenkomst uit 2015.

4.4

Het door BRG Advocaten in conventie gevorderde bedrag van € 10.147,85 (aan hoofdsom) ziet op betaling van de in 2015 verrichte werkzaamheden en niet op de werkzaamheden uit 2014. Nu de aan deze vordering ten grondslag liggende overeenkomst uit 2014 niet is/wordt ontbonden en de vordering overigens niet door [gedaagde] is betwist, zal de conventionele vordering worden toegewezen.

Ook de bijkomende conventionele vorderingen, inzake de rente en de buitengerechtelijke kosten (welke kosten vallen binnen de normering die in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is opgenomen), worden als niet weersproken toegewezen.

4.5

Op grond van hetgeen onder r.o. 4.3 is overwogen wordt de vordering in reconventie strekkende tot verkrijging van een verklaring van recht dat de overeenkomst van opdracht (uit 2015) is ontbonden, afgewezen.

4.6

De vordering in reconventie strekkende tot terugbetaling van het bedrag van € 7.039,94 door BRG Advocaten aan [gedaagde] wordt afgewezen om de volgende redenen. Ten eerste ziet (ook) deze betaling op de werkzaamheden verricht in 2015 en is de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst, zoals overwogen, niet ontbonden. Ten tweede heeft BRG Advocaten betoogd dat dit bedrag niet door [gedaagde] is voldaan maar door zijn rechtsbijstandsverzekeraar ARAG. Nu [gedaagde] deze stelling niet heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. Het bedrag van € 7.039,94 kan wanneer dit is betaald door ARAG, hoe dan ook niet worden teruggevorderd door [gedaagde] .

4.7

Ten aanzien van de reconventionele vordering tot schadevergoeding en de vordering strekkende tot verkrijging van een verklaring voor recht dat BRG Advocaten/ [DB] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (uit 2014), dient beoordeeld te worden of sprake is van een toerekenbare tekortkoming, althans van wanprestatie, in de zin van artikel 6:74 BW. Nu het gaat om een (gestelde) beroepsfout van een advocaat, geldt bij die beoordeling als toetsingsmaatstaf de vraag of de [DB] de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden verwacht mag worden. In geval van advisering geldt daarbij dat de advocaat een cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen, waarbij de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval (vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406).

De kantonrechter overweegt het volgende.

4.8

De door [DB] geleverde bijstand is aangevangen op 20 juni 2014. Op 21 juni 2014 heeft [gedaagde] aan [DB] gevraagd hem (spoedig) te adviseren over een reeds opgestelde concept e-mail waarin [MW] wordt verzocht over te gaan tot het tekenen van de koopovereenkomst. [gedaagde] verwijt [DB] dat hij niet reeds op dit moment heeft geïnformeerd en geadviseerd over het schriftelijkheidsvereiste en dat hij niet heeft voorkomen dat [gedaagde] de koopovereenkomst met daarin de namen van [gedaagde] en zijn moeder [MV] , aan [MW] heeft gezonden. De kantonrechter gaat in dit verwijt niet mee. [DB] heeft voldaan aan het verzoek van [gedaagde] om de e-mail te beoordelen en heeft enkele tekstsuggesties gedaan. Daarbij is [DB] begrijpelijkerwijs uitgegaan van de door [gedaagde] aangeleverde informatie, waaronder dat het aandeel van [MW] – zoals uit de concept e-mail volgt – door [gedaagde] en zijn echtgenote overgenomen zou worden en dat het laatste geschilpunt het anti-speculatiebeding betrof. [DB] had op dat moment nog geen overige documenten over het geschil tot zijn beschikking. Weliswaar zat aan de e-mail van [gedaagde] aan [DB] een e-mail van een notaris gehecht met een leeg model koopovereenkomst, maar [DB] is niet verzocht deze overeenkomst (zijnde een standaard NVM-model) te beoordelen, zodat [DB] dat begrijpelijkerwijs ook niet gedaan heeft.

4.9

Van [DB] kon op het voornoemde moment – waarbij hij enkel de vraag kreeg voorgelegd om met spoed (de termijn verstreek op 1 juli 2014) een e-mail te beoordelen en hem verder nog geen bijzonderheden bekend waren – niet worden verwacht dat hij zou anticiperen op een mogelijk geschil over het schriftelijkheidsvereiste. Voorts overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] de e-mail aan [MW] na de advisering door [DB] nog eigenhandig en zonder medeweten van [DB] heeft aangepast en daaraan onder meer de ingevulde concept koopovereenkomst – die [DB] niet kende – heeft toegevoegd. Onder deze condities kan niet aan [DB] worden verweten dat de e-mail met de concept koopovereenkomst met daarin de namen van [gedaagde] en [MV] , aan [MW] is verzonden.

4.10

Ook bij de volgende e-mail (van 26 juni 2014) waarbij [gedaagde] de hulp van [DB] heeft ingeroepen, is geen sprake van een beroepsfout aan de zijde van [DB] . Deze e-mail gaat grotendeels over het (al dan niet) toevoegen van een anti-speculatiebeding aan de koopovereenkomst. In dit kader was nadere advisering omtrent het schriftelijkheidsvereiste niet aangewezen.

4.11

Ook nadat [MW] zich op 30 juni 2014 op het schriftelijkheidsvereiste had beroepen, heeft [DB] naar oordeel van de kantonrechter niet in strijd gehandeld met de norm van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Dat [DB] , in samenspraak met zijn kantoorgenote [BB] , het standpunt heeft ingenomen dat het schriftelijkheidsvereiste niet geldt, acht de kantonrechter niet verwijtbaar. Een en ander werd mede ingegeven door het door [gedaagde] aangeleverde gegeven dat het aandeel van [MW] zou worden overgenomen door de deelgenoten [gedaagde] en zijn echtgenote. Voorts is over dit niet alledaagse punt advies ingewonnen bij een notariskantoor, hetgeen de kantonrechter zorgvuldig acht.

Niet onaannemelijk is bovendien dat het schriftelijkheidsvereiste in geval van een overname tussen deelgenoten in een gemeenschap, inderdaad niet geldt. Dat in de in verband met de onderhavige kwestie gewezen vonnissen het beroep van [MW] op het schriftelijkheidsvereiste niet (direct) is afgewezen is (met name) ingegeven door het feit dat – buiten de schuld van [DB] om – [MV] in de concept koopovereenkomst als koper wordt aangemerkt en het aldus gaat om een particuliere koper en verkoper (vgl. HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU7412). Te meer nu de jurisprudentie ten aanzien van het schriftelijkheidsvereiste bij verdeling van een gemeenschap niet is uitgekristalliseerd, kan [DB] /BRG Advocaten geen verwijt worden gemaakt over het in dezen ingenomen standpunt.

4.12

[gedaagde] verwijt [DB] voorts nog dat hij hem geadviseerd zou hebben de ingeslagen route waarbij [MV] als koper in de koopovereenkomst staat vermeld, door te zetten. [DB] heeft gemotiveerd weersproken dat een dergelijk advies is gegeven. Ook overigens is niet gebleken dat [DB] dat heeft geadviseerd. Het is [gedaagde] zelf geweest die de koopovereenkomst met de naam van [MV] aan [MW] heeft verzonden. [DB] heeft overeenkomstig de door [gedaagde] aangeleverde gegevens – waaronder de door [gedaagde] opgestelde concept e-mails welke steevast zijn ondertekend met zijn naam en die van zijn echtgenote – juist als uitgangspunt genomen dat het aandeel van [MW] door [gedaagde] en zijn echtgenote overgenomen zou worden. Ook in de latere kort geding procedure is deze koers in overleg met [gedaagde] gekozen, omdat deze aansloot bij de afspraken die volgens [gedaagde] waren gemaakt en bovendien (terecht) het meest kansrijk werd geacht.

De kantonrechter acht ook dit verwijt van [gedaagde] niet terecht.

4.13

De conclusie van het voorgaande moet zijn dat door [DB] /BRG Advocaten geen beroepsfout is gemaakt. Door [DB] /BRG Advocaten is niet in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

4.14

Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat bij al het voorgaande bovenal geldt dat tussen het verweten handelen en de door [gedaagde] gestelde schade, geen sprake is van causaal verband. Al voordat [gedaagde] [DB] had ingeschakeld, was een geschil gerezen met [MW] . Wanneer [DB] [gedaagde] eerder had geïnformeerd en geadviseerd over het schriftelijkheidsvereiste, had dit de positie van [gedaagde] niet anders gemaakt. Immers, het geschil met [MW] was blijven bestaan. [MW] – zo blijkt uit de correspondentie – was zeer stellig over het toevoegen van het (door hem voorgestelde) anti-speculatiebeding, meende dat geen overeenstemming was bereikt en weigerde een koopovereenkomst te sluiten. Ook wanneer [DB] [gedaagde] eerder over het schriftelijkheidsvereiste had geïnformeerd, had dit het standpunt van [MW] niet doen wijzigen. Dat [MW] het landgoed niet (meer) aan [gedaagde] en zijn echtgenote wilde verkopen en zij geen eigenaar zijn geworden van het (volledige) landgoed, is daarom hoe dan ook niet het gevolg van het handelen van [DB] . Bovendien is ook het antwoord op de vraag of [MW] zich al dan niet terecht op standpunt stelde dat nog geen overeenstemming was bereikt en dat het schriftelijkheidsvereiste gold, evenmin afhankelijk van de advisering door [DB] .

4.15

Nu geen sprake is vaan een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (uit 2014) althans van wanprestatie, wordt de vordering strekkende tot verkrijging van een verklaring van recht dat toerekenbaar tekortgeschoten is, alsook de vordering strekkende tot verkrijging van schadevergoeding, afgewezen.

4.16

De overige geschilpunten – waaronder omtrent (de hoogte van) de gestelde schade – kunnen onbesproken blijven, nu de vordering in reconventie reeds om voornoemde reden wordt afgewezen.

4.16

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van zowel de conventionele als de reconventionele procedure veroordeeld.

Voor veroordeling van [gedaagde] in de door BRG Advocaten gevorderde nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

- veroordeelt [gedaagde] om aan BRG Advocaten te betalen een bedrag van € 11.251,15, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van BRG Advocaten, tot op heden begroot op een bedrag van € 1.620,35, waaronder begrepen een bedrag van € 600,- als het aan de gemachtigde van BRG Advocaten toekomende salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van BRG Advocaten, tot op heden begroot op een bedrag van € 1.000,- aan salaris gemachtigde.

- verklaart dit vonnis in reconventie ten aanzien van de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. van der Burg, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.